In de volgende pagina’s zullen wij aandacht schenken aan de antieke literaire bronnen in zover zij betrekking hebben op de Lage Landen in de context van het Romeinse Rijk. Dit betekent dat wij een overzicht zullen bieden van de belangrijkste auteurs enerzijds en de toegang tot deze bronnen anderzijds.
Ieder historisch onderzoek wordt in belangrijke mate bepaald door de beschikbaarheid en de kwaliteit van geschreven bronnen. Voor een belangrijk deel van het geschiedkundig onderzoek bieden teksten het raam waarbinnen het historisch verloop zich ontwikkelt. Ook voor de Romeinse geschiedenis is de literaire overlevering, en in het bijzonder de antieke historiografie, van wezenlijk belang. 1 2 Op het vlak van de geografische en etnografische beschrijving van onze contreien zijn echter maar een relatief beperkt aantal auteurs uit de antieke oudheid actief geweest. Bovendien hadden zij vaak hun kennis niet uit de eerste hand waardoor wij met deze bronnen erg omzichtig moeten omgaan. Op het vlak van de geschiedschrijving zien wij een vergelijkbare situatie. Voor de vroegste geschiedenis van de Lage Landen zijn de literaire bronnen erg fragmentarisch. Zij bieden globaal genomen wat summiere aanwijzingen, losse flarden uit een groter geheel. De beperkte literaire overlevering laat dus geen consistente reconstructie van het historisch gebeuren toe. Dit betekent dat zelfs de geringste verwijzing in een of andere tekst van belang kan zijn.
De Griekse historicus Herodotus (ca. 484 - ca. 425 v.Chr.) spreekt als eerste van Keltoi en duidt daarmee de bewoners ten noorden van de Alpen aan (Herodotus, Historiae, II, 33 & IV, 49). De term Galli of Galliërs, gebruikt door de Romeinen, slaat meer specifiek op de Keltische bevolking in Noord-Italië en het latere Romeinse Gallië tot aan de huidige Frans-Belgische grens. De Germanen werden voor het eerst vermeld door Posidonius van Apamaea (ca. 135 - ca. 50 v.Chr.) van wie het oeuvre fragmentarisch bewaard bleef. (Posidonius, FgrHist, 87, F22) Hij was een vooraanstaand etnograaf en beschreef de Galliërs in belangrijke mate op grond van persoonlijke ervaringen opgedaan tijdens zijn reizen die hem minstens tot in Gallia Narbonensis brachten. De Germanen verschijnen als een groep stammen op de rechteroever van de Rijn tussen de Main en de Lippe. Posidonius brengt hen onder bij de Kelten. 3
Waar de grens liep tussen het Keltische en het Germaanse gebied, is niet duidelijk. Volgens de antieke auteurs vormde de Rijn de grens, maar nergens treedt ze op als een scheidingslijn in de materiële nalatenschap tussen de twee culturen. De Lage Landen en de hoger gelegen Rijnstreek vormden dus tijdens de 1ste eeuw v.Chr. een overgangszone tussen het Keltische en het Germaanse kerngebied. Jammer genoeg ging de volledige Geographika van Eratosthenes (ca. 276 - ca. 194 v.Chr.), die ook de etnografie en de geografie van West- en Noord-Europa behandelde, verloren. Eén van de voornaamste bronnen voor de studie van de Keltische en Germaanse samenlevingen zijn de Commentarii de bello Gallico van C. Iulius Caesar (100 - 44 v.Chr.). In boek I biedt Caesar bij wijze van inleiding een beknopte geografische beschrijving van Gallië. De auteur stelt aan de lezer het oorlogstoneel voor. In boek IV weidt Caesar uit over de zeden en gewoonten van de Suebi, een Germaans volk dat zijn woonplaats aan de overzijde van de Rijn had. De levenswijze van de Germanen plaatst hij in boek VI tegenover die van de Galliërs. Deze confrontatie vormt een belangwekkende volkskundige uitweiding, die aantoont dat Caesar een expert in Gallische aangelegenheden was geworden. De geografie van Gallië en de stammen worden verder uitvoerig beschreven door Strabo van Amasea (65 v.Chr. - 20 n.Chr.) in boek IV van zijn monumentale Geographika. Daarnaast bevat dit werk talrijke uitweidingen over de geschiedenis, de zeden en de gewoonten van de volkeren in de beschreven streken waardoor wij beschikken over een van de meest systematische uiteenzettingen over de wereld van de Galliërs. Vergeten we zeker niet Diodorus Siculus (1ste eeuw v.Chr.). Hij schreef ten tijde van Caesar en Augustus een omvangrijke Bibliothèkè historikè, een wereldgeschiedenis die eindigde met de Gallische oorlogen van Caesar en waarin hij veel informatie over de Keltische stammen in Gallië en Brittannië samenbracht. Maar enkele fragmenten zijn tot ons gekomen. Deze beide auteurs consulteerden zeker uitvoerig de Griek Timagenes (1ste eeuw v.Chr.) die auteur was van een ‘Geschiedenis van Gallië’. Zowat 150 jaar na Caesar schreef P. Cornelius Tacitus (ca. 55/56 - ca. 125? n.Chr.) De origine et situ Germanorum. Dit traktaat maakt deel uit van een zeer oude etnografische traditie en is bovendien het enige volledig bewaard gebleven opstel over één welbepaald volk. Deze historicus en volkskundige had de excursie van Caesar gelezen (Tacitus, Germania, 28, 1). Bij Tacitus waren de Germanen echter niet langer wilde barbaren, wel een voorbeeld voor de decadente Romeinen. Ab urbe condita van Titus Livius (59 v.Chr. - 17 n.Chr.) is eveneens voor de geschiedenis van de Gallische volkeren een belangrijke bron. De bewaarde passages hebben vooral betrekking op de Galliërs in Noord-Italië en de Alpenvolkeren. Mogelijk belangrijke teksten van Livius (Livius, Epitomè, 104-108) met betrekking tot onze contreien en waarvan maar enkele kleine passages bewaard bleven, gingen verloren, net zoals teksten van Appianus, G. Plinius Secundus minor en Aufidius Bassus. Pomponius Mela was een Romeins aardrijkskundige die werkte tijdens de rergering van keizer Claudius. In het derde boek van De Choreographia komt Gallië en aansluitend de volkeren van Noord-Europa aan bod.
De geografische beschrijving van de nieuwe Gallische provincies na de organisatie van keizer Augustus vinden wij terug in de Naturalis historia van C. Plinius Secundus maior (23 - 79 n.Chr.). Deze wetenschapper vermeldt ook talrijke wetenswaardigheden. Zij zijn echter verspreid in zijn werk en weinig systematisch. Claudius Ptolemaeus (ca. 100 – 174 n.C.) schreef een omvangrijk aardrijkskundig handboek dat Cosmographia wordt genoemd. Deze auteur verzamelde zijn gegevens tijdens de eerste helft van de 2de eeuw n.C. Zijn werk bestond onder meer uit tabellen van steden, rivieren en streken, waarachter hij de lengtegraad en de breedtegraad liet volgen. 4 5 6
Tijdens de laat-Romeinse tijd is vooral Ammianus Marcellinus (ca. 330 - ca. 390 n.Chr.) te vermelden. Deze historicus laste in zijn verhaal talrijke geografische en etnografische uitweidingen in. Zo vinden wij in boek XV een vrij omvangrijke excursie terug over het ontstaan en de geografie van Gallië en het karakter van haar inwoners.
De Griekse geschiedschrijver Polybius (ca. 201 - ca. 120 v.Chr.) die de geschiedenis van de mediterrane wereld beschreef van 264 tot 146 v.Chr., wijdde boek XXII van zijn Historiae aan Gallië. Hiervan bleven maar enkele flarden bewaard. Hij was een belangrijke bron voor Livius. In de geschiedenis van de Lage Landen vormen de Gallische oorlogen een voornaam keerpunt. De belangrijkste bron voor deze oorlogen zijn de Commentarii de bello Gallico van C. Iulius Caesar. Ze zijn een feitenverslag en ogen zeer objectief zoals het voor ambtelijke rapporten betaamt. De lezer mag echter niet vergeten dat deze commentarii door de proconsul en veldheer zelf werden opgesteld in een politiek bijzonder moeilijke periode en dat zij bijgevolg met zeer veel kritische zin moeten worden gelezen. Enkel de eerste zeven boeken van dit verslag zijn van de hand van Caesar zelf. Het achtste boek werd geredigeerd door zijn naaste medewerker en trouwe secondant Aulus Hirtius (1ste eeuw v.Chr.) maar haalt duidelijk niet het niveau van zijn grote voorbeeld. De commentarii van Caesar, geschreven kort na de gebeurtenissen, vormen weliswaar de bekendste, maar beslist niet de enige historische bron voor de Gallische oorlogen. De geschriften van contemporaine historici zijn grotendeels verloren gegaan. Dit is jammer omdat zich onder hen fervente tegenstanders van Caesar bevonden. Te vermelden zijn onder meer G. Asinius Pollio (76 v.Chr. - 5 n.Chr.) en Q. Aelius Tubero (ca. 74 v.Chr. - ?). Ze bleven bekend via latere auteurs die hen hebben geconsulteerd. Ze zouden zeker toegelaten hebben het beeld van Caesar op een meer genuanceerde wijze te schetsen. Voor de eerste reflecties van historici moeten wij wachten tot Titus Livius (59 v. Chr. - 17 n.Chr.). Zijn beschrijving van de Gallische oorlogen in de boeken CIV-CVIII van Ab urbe condita bleef echter niet bewaard en is ons maar bekend via de periochae, een soort samenvattingen en uittreksels voor praktisch gebruik. Hierin vindt de lezer beknopte vermeldingen van de gebeurtenissen. Uit deze periochae blijkt ook dat de auteur klaarblijkelijk vrij veel aandacht heeft geschonken aan de Augusteïsche politiek in Gallië en Germanië. De boeken V en XXI bevatten de meeste informatie over de Kelten in het algemeen.
Een vrij belangrijk geschrift zijn de Res gestae van keizer Augustus (63 v.Chr. - 14 n.Chr.). Hierin verwees de keizer zelf verscheidene malen naar de rol die hij in de organisatie van Gallië heeft gespeeld. En hoewel de auteur voortdurend zijn machtspositie wilde verantwoorden en de vermelde feiten op het eerste gezicht niet spectaculair zijn, is de tekst absoluut onvervangbaar voor een goed begrip van de ontwikkelingen in onze regio omstreeks de erawisseling. C. Velleius Paterculus (20 of 19 v.Chr.- na 31 n.Chr.) bekleedde onder Tiberius hoge militaire commando’s in Germanië en Pannonië. Dit schept zekere verwachtingen. Als bron voor de Gallische oorlogen is zijn Historia Romana, de geschiedenis van Rome, echter nauwelijks waardevol. Maar eigenlijk was dit conflict in zijn historisch verhaal ook niet zo belangrijk. Hij schonk erg veel aandacht aan de contemporaine geschiedenis. Dit betekent dat hij vanaf de regering van Augustus als bron voor geschiedenis van de Lage Landen veel belangrijker is. Bij C. Suetonius Tranquillus (ca. 77 - 140 n.Chr.?) vinden wij enkele malen relevante informatie terug. Maar dit betekent nog niet dat hij een echt belangrijke bron is. Men zou kunnen verwachten dat deze eerste, ons bekende, biograaf van Caesar de oorlogsgebeurtenissen in Gallië uitvoeriger zou hebben behandeld. En onder meer in de levensbeschrijvingen van Augustus en Tiberius zou deze historicus een interessante bron voor de verschillende gebeurtenissen in onze contreien kunnen zijn. Niets is minder waar! De Gallische oorlogen beslaan nauwelijks een paragraaf en ook in de andere biografieën is de aangereikte informatie te sporadisch. In feite had deze historicus weinig oog voor belangrijke fasen in een mensenleven en een politieke loopbaan en ging zijn aandacht vooral uit naar faits divers. De levensbeschrijvingen van de Griek Plutarchus (ca. 46 - na 120 n.Chr.) zijn qua diepgang in vergelijking met Suetonius een ware verademing. Hoewel zijn hoofdbekommernis lag in de karaktertekening van zijn personages, was hij steeds ernstig in het zoeken naar de waarheid. In dat licht is hij een relatief belangrijke informatiebron voor de Gallische oorlogen. Maar een echt onafhankelijke positie ten overstaan van Caesar nam hij jammer genoeg niet in. Voorts biedt hij in de levensbeschrijvingen van Galba en Otho ook nog informatie omtrent de gebeurtenissen in Gallië ondermeer tijdens de regering van Nero en de nadagen ervan. P. Cornelius Tacitus (ca. 55/56 - ca. 125? n.Chr.) is als historicus onvervangbaar. In de Annales behandelde hij de Romeinse geschiedenis van de dood van Augustus tot aan de dood van Nero. Deze auteur beschouwde de confrontatie tussen de Germanen en Rome als een belangrijk verschijnsel en het is bijgevolg niet te verwonderen dat hij ruimere aandacht heeft geschonken aan de Romeinse Germaniëpolitiek. In de Historiae beschreef hij het driekeizersjaar (69 n.Chr.) en de regeringen van de Flavische keizers. Hiervan bleven maar de eerste vier boeken en een gedeelte van het vijfde boek bewaard. Dit betekent wel dat wij hier over een belangrijke bron beschikken voor de gebeurtenissen in Gallië tijdens het driekeizersjaar en de daarop volgende Batavenrevolte onder leiding van Civilis (70 n.Chr.). In de Geschiedenis van Rome van L. Annaeus Florus (2de eeuw n.Chr.), in feite een Epitome de Tito Livio, vinden wij maar een kort hoofdstuk over de campagnes van Caesar. Ook de Augusteïsche oorlogen in Germanië zijn maar beknopt weergegeven. Maar gezien het feit dat wij hier meer met een compendium te maken hebben, is dit niet verwonderlijk. In de oudheid heeft dit werk wel veel invloed gehad. De Griekse historicus Appianus van Alexandrië (ca. 95 - ca. 170 n.Chr.) schreef een uitvoerige geschiedenis van Rome (Romaika). Boek IV is gewijd aan de conflicten van Rome met de Galliërs. De tekst bleef echter zeer fragmentarisch bewaard. Een interessante bron voor de geschiedenis van de Lage Landen is de omvangrijke maar fragmentarisch bewaarde Romeinse geschiedenis (Romaikè historia) van Dio Cassius (ca. 155 -235 n.Chr.). De auteur gaat door voor een integer onderzoeker en consulteerde de historische geschriften van onder meer Caesar, Livius en Plutarchus. Hij voegt hieraan echter weinig nieuws toe en ook zijn historische methode is weinig diepgaand. Dit neemt niet weg dat hij belangrijke en relevante informatie levert en voor de reconstructie van het historisch verloop vooral voor de periode vanaf de Gallische oorlogen tot de eerste helft van de 1ste eeuw n.Chr. van grote waarde is. Bij de Griekse historicus Herodianus (ca. 180 - ca. 250 n.Chr.) vinden wij hier en daar een echo van de gebeurtenissen in de Gallische en Germaanse provincies die indirect van belang zijn voor de Lage Landen.
De historische bronnen uit het Dominaat zijn erg problematisch. Zij zijn vaak weinig helder en betrouwbaar. Tegen het einde van de 4de eeuw schreef de stafofficier en historicus Ammianus Marcellinus (ca. 330 - ca. 390 n.Chr.) een geschiedenis van het Romeinse Rijk, de “Rerum Gestarum”, van Nerva tot de dood van keizer Valens in 378. Van dit laatste grote monument van de antieke historiografie is maar een klein gedeelte overgeleverd. Ammianus Marcellinus schreef voornamelijk een politieke en militaire geschiedenis. De Lage Landen krijgen hierin maar een beperkte aandacht, onder meer wanneer de auteur handelt over de Germaanse invallen en de maatregelen van de Romeinse overheid hierin. Voor de vroegste geschiedenis van Gallië deed de historicus onder meer beroep op Timagenes, Cicero en Sallustius. Historia Augusta (4de eeuw n.Chr.) bestaat uit en verzameling van dertig biografieën van Romeinse keizers en usurpatoren vanaf Hadrianus tot Numerianus (117-284) en bestrijkt zo nagenoeg de volledige 2de en 3de eeuw. De traditie schrijft deze biografieën toe aan zes verschillende auteurs. Verspreid over de verschillende levensbeschrijvingen vindt de lezer geregeld informatie over de geschiedenis van de Gallische en Germaanse provincies. Gelet op de problematiek van de betrouwbaarheid van de Historia Augusta moet men hier erg omzichtig mee omgaan. Hetzelfde moet worden gezegd van de Panegyrici Latini. Deze naam is gegeven aan een verzameling van twaalf lofredes op Romeinse keizers van het einde van de 3de en van de 4de eeuw. De auteurs, vaak onbekend gebleven, waren voornamelijk van Gallische origine. Deze redevoeringen bieden een mooie doorsnede van propaganda ten gunste van de keizer. Anderzijds laten ze toch toe een zeker beeld te schetsen van de maatregelen die de keizers namen naar aanleiding van de Germaanse invallen van de 3de eeuw in onze contreien en die er voor hadden gezorgd dat in grote delen van Gallië landbouwwinningen verwoest waren en akkers braak waren komen te liggen.
In de marge van de historische teksten moeten wij nog verwijzen naar het Edictum de pretiis rerum venalium van Diocletianus (301 n.Chr.) en de Notitia Dignitatum (ca. 400 - 430 n.Chr.). Beide teksten zijn een soort van bestuurlijke documenten. Keizer Diocletianus vaardigde het zogenaamde prijsedict uit met de bedoeling de snel stijgende inflatie te bestrijden. Hierin zijn zowel de maximumprijzen van producten als die van lonen opgenomen. Hoewel dit edict weinig resultaat had, heeft het hier door de vermelding van een aantal producten, geproduceerd in de Lage Landen, toch een zeker belang. De Notitia Dignitatum is een officieel register van de burgerlijke en militaire ambten en standplaatsen en informeert ons vrij uitvoerig over de bestuurlijke en militaire organisatie van de regio waaronder de Lage Landen vielen omstreeks 400 n.Chr. Hierin schuilt het belang van deze tekst. De Notitia Dignitatum schenkt immers een gedetailleerd beeld van de opdeling van het Romeinse Rijk in praefecturen, diocesen en provincies, van de standplaatsen van de legereenheden en van de bestuurlijke centra.
Belangrijk voor de geschiedenis van het Romeinse Rijk en van de Gallische en Germaanse provincies in het bijzonder is de confrontatie tussen heidendom en Christendom. Hiervan vindt men ook reflecties terug in de historiografie die echter weinig systematisch zijn. Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren. Sulpicius Severus (ca. 363 - tussen 420 en 425 n.Chr.) vermeldt in zijn Chronicon dat het Christendom zich maar laat en langzaam in Gallië verspreidde. Volgens de bisschop van Lyon Irenaeus (ca. 115 - ca. 202 n.Chr.) in Adversus haereses zouden er op het einde van de 2de eeuw in Germanië Christelijke gemeenschappen geweest zijn. De vroegchristelijke schrijver L. Caecilius Firmianus Lactantius (ca. 250 - 320 n.Chr.) verwijst in De mortibus persecutorum naar de vervolging van Christenen in Gallië. Uit de brieven van Paulinus van Nola (ca. 354 - 431 n.Chr.) weten wij dat Victricius, de bisschop van Rouen (ca. 330 - ca. 407), tijdens het derde kwart van de 4de eeuw bij de Nervii en de Morini aan actieve missionering deed. Het zijn maar enkele voorbeelden die evenwel aantonen dat dit facet van de antieke ‘geschiedschrijving’ niet mag worden verwaarloosd.
Naast de geografische, etnografische en historische traktaten, treft men ook geregeld verwijzingen in literaire teksten aan die relevant zijn voor de geschiedenis van onze contreien tijdens de Romeinse tijd. Enkele sprekende voorbeelden kunnen hier volstaan. Een goed begrip van de Gallische oorlogen in het kader van de Romeinse politiek is niet mogelijk zonder de brieven en redevoeringen van M. Tullius Cicero (106 - 43 v.Chr.), afwisselend politiek tegenstander en bondgenoot van Caesar. Hij liet een indrukwekkende correspondentie na waarin niet enkel de politieke situatie te Rome uitvoerig wordt becommentarieerd. In de briefwisseling met zijn broer Quintus en met Caesar zelf zijn ook de Gallische oorlogen aanwezig. Vergeten wij zeker niet de politiek erg belangrijke redevoering De provinciis consularibus waardoor Cicero erin slaagde het gouverneurschap van Gallië voor Caesar te vrijwaren. De te jong gestorven dichter G. Valerius Catullus (ca. 84 - 54 v.Chr.) van zijn kant formuleerde in enkele carmina bijtende kritiek op Caesar en op sommige van zijn getrouwen. In relatie tot de Augusteïsche politiek in onze contreien moeten wij ook rekening houden met de literaire werken van onder meer Albius Tibullus (ca. 50 - 19 v.Chr.), Q. Horatius Flaccus (65 - 8 v.Chr.) en P. Vergilius Maro (70 - 19 v.Chr.), waarin geregeld verwijzingen hiernaar voorkomen. Zij illustreren niet enkel de imperiale politiek van het Augusteïsche bewind, maar refereren geregeld ook op een directe wijze aan de gebeurtenissen in onze regio. Hoewel onze contreien wat lijken te verdwijnen uit de literatuur van de eeuwen die volgen, duiken hier en daar toch interessante verwijzingen op. Zo spreekt de dichter M. Valerius Martialis (ca. 40 - ca. 102 n.Chr.) bijvoorbeeld van Menapische hammen en vette ganzen van de Morini waarmee hij de economische relatie tussen de Vlaamse kust en Rome gedeeltelijk gestalte geeft. Veel later ten slotte, omstreeks 371, schreef Ausonius (ca. 310 - ca. 395), gevierd leraar en dichter, zijn Mosella, zijn lied van de Moezel. Het werkje is een doorvoelde lofzang van de Moezel, die ‘schitterende rivier die zo veel goeds schenkt’. Dit neemt echter niet weg dat ook recente gebeurtenissen in de tekst opduiken. De dichter verwijst onder meer naar militaire acties, diplomatieke initiatieven en maatregelen voor het beveiligen en versterken van de Rijngrens. Zij hebben misschien niet direct belang, maar zij helpen niettemin het algemene klimaat in de Lage Landen te schetsen.
De epigrafische bronnen of opschriften zijn de teksten die in een welbepaalde periode op duurzame materialen werden aangebracht, zoals steen, brons, ceramiek, enz. De epigrafie als wetenschappelijke discipline publiceert en bestudeert deze teksten. In de antieke oudheid waren opschriften op steen of brons een belangrijke vorm van publicatie. Dit heeft tot gevolg dat in vergelijking met andere historische perioden, er een zeer groot aantal opschriften bewaard bleef. Dit aantal groeit via het archeologische onderzoek nog voortdurend aan. Daarom is het bijhouden van de epigrafische vondsten een belangrijke opdracht. 7 8 9 10 11 12
Als eerste inleiding kunnen enkele interessante externe links gevolgd worden. De epigrafische teksten vormen ook voor het historisch onderzoek van België een belangrijke bron. Het betreft enerzijds de opschriften die op het grondgebied België zelf werden gevonden, anderzijds de opschriften die overal op het grondgebied van het voormalige Imperium Romanum werden aangetroffen en die op de geschiedenis van Romeins België betrekking hebben. Deze epigrafische bronnen zijn onmisbaar voor de politieke, militaire, economische, sociale, godsdienstige en culturele geschiedenis van de Lage Landen. Het is zeker niet overdreven te stellen dat keizer Augustus de grondlegger was van de Romeinse epigrafische cultuur en dit op het niveau van het hele Romeinse rijk. 13 (289-324) Hij was de eerste staatsman die inscripties aanwendde voor het uitdragen van een boodschap, voor het voeren van een doelgerichte communicatie.
Het medium groeide bovendien uit tot een uitstekend communicatiemiddel. Vijf eeuwen keizerrijk leverden circa driehonderduizend inscripties op tegen maar drieduizend voor de republiek. De regering van Augustus vormde het keerpunt.
De inhoud van deze teksten is zeer divers: wetteksten, grafschriften, ereopschriften, wijdingen, diplomata militaria, mijlpalen, enz. De relatie met de Lage Landen en specifiek Vlaanderen ligt niet steeds voor de hand en is vaak van indirecte aard. Een goed voorbeeld van een dergelijke epigrafisch overgeleverde tekst zijn de Res Gestae Divi Augusti die via drie inscripties bewaard bleef. 14 15 De tekst is niet alleen een van de belangrijkste politieke documenten uit de Romeinse geschiedenis. Bovendien laat ze toe de politiek van keizer Augustus ten aanzien van Gallië en specifiek ten aanzien van onze gewesten te evalueren. Naast dergelijke bijzondere opschriften is er een hele reeks andere inscripties te vermelden die vooral binnen het archeologische onderzoek een belangrijke rol spelen. Het gaat hier specifiek om instrumenti domestici, stempels op vaatwerk en dakpannen, graffiti en aanverwante op talloze objecten enz. 16
De basis voor de studie van de epigrafische bronnen wordt gevormd door de grote corpora. Een gedetailleerde bibliografie hiervan vindt de lezer in de volgende geciteerde inleidingen in de bibliografie. Een eerste inleiding specifiek met betrekking tot de Belgische opschriften vindt de lezer bij Van de Weerd. 17 (132-156). Deze corpora zijn doorgaans geografisch georganiseerd. Voor de Latijnse epigrafie is CIL Corpus Inscriptionum Latinarum onontbeerlijk. 18 De publicatie van dit monumentale werk startte onder leiding van Mommsen in 1863. Het bevat 16 delen waarvan sommige onderverdeeld zijn in meerdere fascikels. De opschriften met betrekking tot Gallia Belgica vindt de lezer in deel XIII, tussen 1899 en 1943 samengesteld door Hirschfeld, Zangmeister e.a. Een oriënterende aanvullende bibliografie wordt aangeboden door de website van Bibliotheca Classica Selecta. Een belangrijke aanvulling op CIL XIII biedt Schillinger-Häfele. 19 Daarnaast is voor de historicus en de archeoloog voor een eerste onderzoek Dessau ILS: Inscriptiones Latinae Selectae belangrijk. Dit repertorium bevat circa tienduizend opschriften met zorgvuldige commentaar. In een wetenschappelijke discipline zoals de epigrafie groeit het materiaal dagelijks aan. Het is daarom belangrijk dat de onderzoeker op de hoogte blijft van nieuwe vondsten en opschriftenverzamelingen. Het geëigende middel bij uitstek voor de Latijnse epigrafie is L’année épigraphique dat jaarlijks verschijnt. Bovendien vindt de historicus in tal van tijdschriften publicaties van nieuwe opschriften. Toonaangevend is Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik. Een eerste gids hiervoor is L’année philologique dat een zeer bruikbare rubriek epigrafie bevat. Ten slotte kan de onderzoeker een beroep doen op epigrafische databanken. Zo bevat de Epigraphische Datenbank Heidelberg een groot aantal opschriften die in België werden gevonden.
De eerste opschriftenverzameling in relatie tot de vondsten in België werd in 1890 samengesteld door Schuermans. 20 Voordien stelde deze auteur al een eerste systematisch overzicht samen van het epigrafisch materiaal betreffende de Tungri. 21 22 23 Schuermans beperkte zich daarbij tot een weergave van de opschriften en een korte commentaar. Een uitgebreide commentaar bij de inscripties kan de onderzoeker ook vinden bij Waltzing. 24 In dit kader kan ten slotte ook Riese worden vermeld die talrijke opschriften uit België in zijn repertorium opneemt. 25 Ondertussen zijn deze publicaties compleet achterhaald en vooral nuttig in functie van wetenschappelijke volledigheid. Nog altijd erg bruikbaar is de bronnenverzameling van Byvanck. 26 Naast de literaire bronnen bevat dit werk ook een enorme hoeveelheid van epigrafische teksten met betrekking tot de Lage Landen. Hierdoor is dit repertorium nog steeds van grote waarde voor het historisch onderzoek.
Pas in 1985 werden de inscripties van België op een systematische wijze verzameld en becommentarieerd door Deman en Raepsaet-Charlier. 27 In 2002 volgde een heruitgave waarbij de data tot 1984 werden geactualiseerd. 28 Hieraan werden vijfentwintig nieuwe opschriften toegevoegd waarvan enkele van groot belang voor de geschiedenis van België tijdens de Romeinse periode. Voor de epigrafie in België is dit een standaardwerk. De opschriften met betrekking tot de civitates van de Tungri, de Nervii en de Menapii die buiten het grondgebied van het huidige België werden gevonden, werden wel buiten beschouwing gelaten. Zij bleven verspreid over de verschillende delen van het Corpus Inscriptionum Latinarum en een belangrijk aantal separate studies. Een systematische verzameling van de opschriften met betrekking tot de Tungri geeft Nouwen. 29 Voor de Nervii en de Menapii dient dit nog te gebeuren. Sedert het verschijnen van Deman & Raepsaet-Charlier in 2002 kwamen in België maar weinig opschriften nog aan het licht. In Namen moet het funeraire opschrift van Brarurco, zoon van Hunatto, worden vermeld. 30 (13). In Tienen werd tijdens het archeologisch onderzoek een wijopschrift op een bronzen plaatje ter ere van de god Mithras terug gevonden. 31 (38) 32 (100-101) 33 (42)
De munt wordt in Gallië geïntroduceerd door de Keltische volkeren in de eerste helft van de 3de eeuw v.Chr. 34 35 In hoeverre de munteconomie al ontwikkeld was bij de verovering van onze gewesten door Julius Caesar, is nog steeds een onopgelost probleem. 36 Naast gouden munten worden in Vlaanderen zoals elders in België ook Keltische zilver-, potin- (een koper-tinlegering) en bronsmunten teruggevonden die vermoedelijk werden uitgegeven tussen 50 v.Chr. en de regering van keizer Augustus. (27 v.Chr.-14 n.Chr.) De Menapiërs hadden geen eigen muntslag. De Nerviërs vervaardigden naast goudmunten ook potin- en bronsmunten met op de voorzijde een motief dat op een tak (de zgn. “au rameau”-munten) gelijkt. Van de Tungri kennen we een zeer merkwaardige reeks kleine zilvermunten met het opschrift Annaroveci (persoonsnaam); zij dateren mogelijk nog uit de tijd van keizer Augustus of net ervoor. De Tungri liggen mogelijk ook aan de basis van de eerste Avaucia-muntreeks, die wordt gekenmerkt door het opschrift Avaucia (vermoedelijk een persoonsnaam). Deze bronsmunten werden massaal nagebootst in militaire milieus en we vinden ze dan ook met honderden terug in militaire en burgerlijke nederzettingen tot ver over de Rijn. 37 38
Met de definitieve reorganisatie van het Romeinse rijk door keizer Augustus, het systematiseren van de civitasstructuur alsook door de grote militaire aanwezigheid langsheen en over de Rijn, wordt ons gebied opgenomen in de Romeinse geldeconomie en worden Romeinse munten in steeds grotere aantallen aangetroffen in de nederzettingen.
Het Romeinse muntsysteem omvat in de eerste eeuwen o.a. de volgende denominaties: de gouden aureus, de zilveren denarius, de geelkoperen sestertius, de geelkoperen dupondius en de koperen as. In muntschatten worden voornamelijk de kostbaarste denominaties, zoals aurei en denarii, teruggevonden; in opgravingen treffen we voornamelijk het minder waardevolle bronsgeld aan.
Op monetair vlak kunnen we de Romeinse tijd in drie periodes onderverdelen:
Het gebruik van kleingeld is voornamelijk een fenomeen van stedelijke (Tongeren) en secundaire nederzettingen, o.a. gekenmerkt door een gespecialiseerde beroepsstructuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste Keltische en Romeinse munten hieruit afkomstig zijn en maar in geringe mate uit landelijke nederzettingen komen. Munten worden ook in grote aantallen in heiligdommen aangetroffen. Dat is enerzijds te verklaren door de handelsactiviteiten (markten?) die ongetwijfeld in deze centrale plaatsen werden gehouden, maar ook doordat munten werden onttrokken aan de circulatie door ze als votiefobject te offeren.
Tussen 1960 en 1987 werden haast alle munten die in Belgische opgravingen gevonden werden ter identificatie toevertrouwd aan het Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR), waar Jacqueline Lallemand en Marcel Thirion een vondsteninventaris aanlegden van Keltische, Romeinse en Merovingische munten. 42 Dit project werd ook na de federalisering van België verdergezet door J. Lallemand en later door Johan van Heesch (eveneens Penningkabinet van de KBR). De vondsten werden allemaal opgenomen in het register, dat zich nog steeds in de KBR bevindt en waarin ongeveer 100.000 munten uit Wallonië en Vlaanderen staan beschreven. In 1987 werd begonnen met de opname van de vondsten in een databank, die op dit ogenblik ongeveer 22.000 muntbeschrijvingen bevat. Door de voortschrijdende verzelfstandiging van de gemeenschappen en de gewesten, het gebrek aan mankracht in het Penningkabinet en de enorme toename van het aantal vondsten door het toenemend gebruik van de metaaldetector is de verdere uitbouw van deze inventaris bedreigd en een samenwerkingsakkoord tussen de verschillende deelgebieden en de federale instelling dringt zich op.
Tot de belangrijkste materiaalpublicaties die Vlaanderen omvatten, behoort het werk van Simone Scheers, dat de Keltische munten uit onze gewesten recenseert, 43 het boek van Marcel Thirion 44 dat alle in België gevonden muntschatten beschrijft, en het werk van Johan van Heesch 45 dat een inventaris bevat van zowel muntschatten als individuele munten, gevonden in West- en Oost-Vlaanderen, delen van Brabant, Henegouwen en Antwerpen. Een volledige lijst van alle goudmunten is te vinden bij Callu & Loriot 46 en Lafaurie & Pilet-Lemière. 47 Voor de 4de eeuw is de studie van Wigg 48 belangrijk. Hij geeft een schematisch overzicht van alle belangrijke sites en hun muntvondsten en omvat ook België. Voor de interpretatie van de muntvondsten zelf kunnen we best verwijzen naar de publicaties van o.a. J. Lallemand, 49 50 51 S. Scheers, 52 J. van Heesch, 53 54 55 F. Kemmers 56 en J.-M. Doyen 57 wiens studie over de muntcirculatie in Reims ook zeer belangrijk is voor onze regio.
De meeste muntvondsten uit Vlaamse bodem werden nog niet gepubliceerd en duizenden munten wachten op restauratie en beschrijving in de depots van de opgravingsdienst en in de musea.
Met het oog op de toekomst zouden enerzijds de nog niet gereinigde en niet geïdentificeerde muntvondsten moeten verwerkt en gepubliceerd worden (online of in boekvorm). Daarnaast zou het wenselijk zijn meer systematisch onderzoek te doen naar de circulatieduur van de munten. Voor dat laatste zijn gedetailleerde contextpublicaties een conditio sine qua non.
Ook het toenemende vondstmateriaal dat door vrijetijdsarcheologen wordt bovengehaald, zou moeten geregistreerd en verwerkt worden door beroepsarcheologen/-numismaten.
Andere onderzoekstopics die nog onvoldoende onderzocht werden, zijn de muntcirculatie buiten de secundaire nederzettingen, de muntcirculatie in de overgangsperiodes zoals die tussen 270 en 320 n.Chr. en in de 5de eeuw.
Een verder geïnstitutionaliseerde samenwerking met de federale instellingen, zoals de Koninklijke Bibliotheek van België, waar het Penningkabinet is ondergebracht en waar één van de meest complete numismatische bibliotheken ter wereld aanwezig is, dringt zich op.
In dit hoofdstuk komen op de eerste plaats de materiële, door vooronderzoek van luchtfoto’s en kaarten, terreinprospectie en opgraving aan het licht gebrachte resten van Romeinse wegen in Vlaanderen aan bod. Voor de vrij schaarse, geschreven bronnen uit de oudheid die met het wegennet verband houden, verwijzen we naar de hoofdstukken 6.1 en 6.2. Uitgangspunt voor de studie van de Romeinse wegen in Vlaanderen zijn nog steeds de syntheses die Mertens, nu inmiddels een halve eeuw geleden, aan dit thema gewijd heeft. 1 2 3 Van ervoor dateert het voor die tijd vooruitstrevende in 1882 gepubliceerde basiswerk van V. Gauchez, dat een uitvoerig gedetailleerde stand bracht van de kennis van de 19de eeuw over het Romeinse wegennet in Noord-Gallië. Omstreeks het midden van de vorige eeuw, m.n. in de naoorlogse jaren, heeft Mertens echter het overzicht van de Romeinse hoofdwegen in België ingrijpend geactualiseerd, niet alleen aan de hand van kaarten en luchtfoto’s, maar ook in combinatie met de resultaten van op talrijke plekken door hem aangelegde nieuwe proefsleuven.
Sindsdien heeft nog maar één onderzoek van regionale omvang naar het Romeinse wegennet in Vlaanderen plaatsgevonden. Het betrof een door het FWO gefinancierd onderzoeksproject van de UG naar het landgebruik in de civitas Menapiorum, waarin het wegennet een centrale plaats innam. 4 5 6 Voor het eerst bleef de aandacht niet tot hoofdwegen beperkt, maar stond ook het netwerk van secundaire verbindingen en zijn articulatie met het nederzettingspatroon en de landindeling in de belangstelling. Naast een globale studie van de civitas en een intensiever onderzoek van het noordelijke deel ervan werden drie microregio’s stelselmatig onderzocht, waarbij naast de klassieke methoden, de studie van kaarten en luchtfoto’s, de terreinprospecties en proefsleuven, ook GIS-toepassingen werden aangewend. De drie microregio’s waren de omgeving van Kruishoutem-Nokere, van Merendree en van Sint-Gillis-Waas. 7 8 9
Voor twee subregio’s van dezelfde civitas was voordien al een samenvattend beeld van de bekende en vermoede wegen geschetst: het kustgebied 10 11 12 en de regio tussen de Schelde en de Leie. 13 In de civitas Nerviorum kreeg het wegennet in de regio tussen de Schelde en de Dender met de omgeving van de vicus van Velzeke bijzondere aandacht. 14 15 onderzochten daarbij ook de rol van het wegennet voor de romanisering en germanisering van onze gewesten. In de civitas Tungrorum is het sinds het werk van Mertens in de jaren 1950 en 1960 van de vorige eeuw bij incidentele waarnemingen gebleven, al verdient één studie naar de Romeinse weg in de Belgisch Limburgse Maasvallei hier onder de aandacht gebracht te worden, met name voor de gedetailleerde herevaluatie van de oude literatuur over deze weg en de ermee verbonden nederzettingen. 16
In de loop der jaren zijn naar aanleiding van het nederzettingsonderzoek in enkele vici en inheems-Romeinse landelijke nederzettingen min of meer lange trajecten van wegen vlakdekkend opgegraven. Vermeldenswaard zijn de wegen in de vici van Asse, 17 Grobbendonk, 18 Kontich 19 20 en Tienen 21 22 23 in de civitas Tungrorum en in de vicus van Velzeke 24 25 in de civitas Nerviorum. De wellicht beroemdste Romeinse weg van ons land, de heirbaan van Boulogne naar Keulen, op de waterscheiding tussen Schelde- en Maasbekken gelegen, werd recent éénmaal op het zuidwestgrafveld van Tongeren 26 en éénmaal tussen Tongeren en Maastricht 27 aangesneden. De verbindingsweg tussen Tongeren en Tienen werd ter hoogte van de vermoedelijke kruising met het Tongerse aquaduct tijdens de aanleg van een gasleiding doorsneden. 28 29 Dezelfde gasleiding doorsneed ook een tot nu toe onbekende verbinding tussen de vici van Elewijt en Kester in de civitas Nerviorum. 30
Diverticula die inheems-Romeinse landelijke nederzettingen aandoen zijn over lange afstand in kaart gebracht in Sint-Gillis-Waas in de civitas Menapiorum 31 32 en in Veldwezelt in de civitas Tungrorum. 33 De jongste tijd is ook in toenemende mate aandacht geschonken aan het tot nu toe nog maar nauwelijks gekende fenomeen van holle wegen in de Romeinse tijd, naar aanleiding van diverse ontdekkingen, m.n. te ’s Gravenvoeren, 34 35 36 Tienen, 37 Roksem, 38 Val Meer 39 en Velzeke. 40 Recent werd tijdens proefsleuvenonderzoek in Wervik een ingegraven weg ontdekt. 41
De voorbije jaren is door het toenemende onderzoek van landelijke nederzettingen duidelijk geworden dat de Romeinse periode in Vlaanderen een spectaculaire stijging van de mobiliteit heeft gekend. Door de grotere omvang van de vlakgravingen werden wegtracés ook gemakkelijker teruggevonden en herkend. Immers, de aanleg is vaak niet gekenmerkt door een klassiek wegpakket van natuursteen. In de zandstreek bijv., een gebied vrij arm aan natuurlijke gesteenten, werden de wegen maar sporadisch met steenpuin of steengruis verhard. Vooral in de nabijheid van de nederzettingen gebeurde dit, waar de wegbermen met zoden, afval en organisch materiaal werden verstevigd. Uit de al onderzochte wegtracés blijkt dat de traditionele grachten langs weerszijden van het wegtracé dikwijls maar in de nabijheid van een woonkern werden aangelegd. In vele gevallen resten van het wegtracé zelfs alleen nog maar enkele karrensporen. Op vrijwel elke opgraving van enige omvang verschijnen tertiaire verkeerswegen en karrensporen zoals bijv. te Zerkegem 42 en Roksem. 43
Belangrijk is nog te vermelden dat met grote omzichtigheid moet omgesprongen worden met het ‘heirweg’toponiem. 44 H. Thoen 45 maakte dit al duidelijk voor de Antwerpse Heirweg. Vele heirwegen blijken in de eerste plaats typische middeleeuwse wegen te zijn waarvan bepaalde stukken kunnen teruggaan op oudere wegtracés, zoals het tracé van de Steenstraat tussen Aartrijke en Brugge, maar ook richting Izenberge en Hondschoote. 46 47
Naar aanleiding van tentoonstellingen of themanummers in tijdschriften werden overzichten van delen of het geheel van het Romeinse wegennet in Vlaanderen gepubliceerd. Dat gebeurde éénmaal voor de weg van Boulogne naar Keulen 48 en diverse malen voor het wegennet in het algemeen. 49 50 51 52 In het themanummer dat samengesteld werd naar aanleiding van een tijdelijke tentoonstelling in Oudenburg rond het wegennet, wordt niet alleen het wegennet in Vlaanderen algemeen behandeld 53 maar wordt ook dieper ingegaan op dat van de kustvlakte en de rand van de Zandstreek. 54 In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de historiek van het onderzoek en wordt ingezoomd op de drie Romeinse wegen die het gebied doorkruisen: Zandstraat, Steenstraat en Zeeweg, en de rol van het castellum van Oudenburg in dit netwerk. Verder werd éénmaal een kort overzicht gegeven van de wegen die door West-Vlaanderen liepen. 55
Uit het bovenstaande blijkt dat er met betrekking tot het Romeinse wegennet in Vlaanderen nog heel wat werk te verzetten blijft. Wanneer in de toekomst delen van dit net bij preventief onderzoek aangesneden dreigen te worden, zullen PVE’s en PVA’s aandacht moeten besteden aan:
Voorts is het duidelijk dat we een gedetailleerde studie van het primaire en secundaire wegennet in zijn relatie tot de landindeling en het nederzettingspatroon, naar het voorbeeld van het voor een deel van de civitas Menapiorum verzette werk en gebruik makend van moderne GIS-systemen, ontberen.
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de bibliografische kennis van militaire nederzettingen in Vlaanderen. Behalve de sites die door archeologisch onderzoek met zekerheid als militair zijn te bestempelen, worden ook enkele vindplaatsen besproken die mogelijkerwijs een militair karakter hadden. De sites zijn opgedeeld per periode (vroeg-Romeins, midden-Romeins en laat-Romeins). Ook hun geopolitieke en/of militair-historische kader komt aan bod.
Theoretisch loopt de Romeinse tijd vanaf de veroveringen van Gallië door Julius Caesar (58-51 v.Chr.) tot de val van Rome in 476 n.Chr. Archeologisch kan de Romeinse militaire aanwezigheid in onze streken echter maar aangetoond worden vanaf ca. 15 v.Chr. in het kader van het Germaans offensief van keizer Augustus. Aan het begin van de 5de eeuw liep de Gallo-Romeinse periode hier al ten einde met de terugtrekking van de Romeinse troepen uit Noord-Gallië.
Uit de tijd van de Gallische oorlogen werden in Vlaanderen tot nog toe geen overblijfselen aangetroffen. Recent publiceerde Rombaut 1 een voorstel tot identificatie van een aantal locaties uit Caesars’ De Bello Gallico in ons land. Hij doet dat aan de hand van historisch-geografische informatie, toponymische gegevens en vergelijkingen van Caesars teksten met de lokale topografie van zijn identificaties.
De oudste sporen van militaire bedrijvigheid uit de oudheid in Vlaanderen situeren zich mogelijk op het plateau van Caster te Kanne. Daar werden in de jaren 1970 door middel van de aanleg van een groot aantal zoeksleuven de gracht- en walsystemen van een versterking in kaart gebracht. 2 3 4 5 Uit de profielen van de grachten bleken tenminste twee bouwfasen herkenbaar. De schaarste aan mobiele vondsten bemoeilijkt jammer genoeg de datering van dit complex. Nabij één van de poortgebouwen kon een reeks verkoolde balken voor dendrochronologisch onderzoek bemonsterd worden.
De aanvankelijke datering van deze balken in 57 v.Chr., mede een argument om de site met het door Caesar beschreven Atuatuca van de Eburonen te identificeren, 6 7 moest later bijgesteld worden tot 31 v.Chr. 8 9 10 Deze bijstelling gaf vervolgens weer aanleiding om de versterking met de opstand van de Treveri in 30/29 v.Chr. in verband te brengen, zonder daarom de mogelijkheid uit te sluiten dat de nederzetting ook het Atuatuca van de Eburonen zou geweest zijn. Zoals gezegd vertoont het profiel van de grachten immers twee aanlegfasen. Geen van beide grachten kan evenwel aan de dendrochronologische dateringen van het wallichaam en poortgebouw gekoppeld worden. 11 12 13 14
Voor de Augusteïsche periode beschikken we over meer vindplaatsen. 15 16 Hun militaire aard blijft echter ter discussie staan. Hierbij kan onder andere verwezen worden naar de publicaties van Wightman 17 en Mertens 18 die de militaire oorsprong van verschillende Romeinse sites in het vroege Romeinse Gallië onderzochten. De belangrijkste vindplaats is ongetwijfeld Tongeren. Het blijft evenwel een onuitgemaakte zaak of deze nederzetting als een legerplaats uit de tijd van de verplaatsing van de Romeinse troepen van het Gallische binnenland naar de Rijn omstreeks 15 v.Chr., als een bevoorradingskamp uit de tijd van de Overrijnse campagnes vanaf 12 v.Chr. tot 16 na Chr. of als civitashoofdplaats van de Tungri omstreeks 10 v. Chr. werd aangelegd. De eerste twee visies stonden in de jaren 1960 tot 1980 centraal. 19 20 21 22 23 24 25 26 De laatste visie wordt ingegeven door het recentere stadsonderzoek. 27 28 29 30 31 Uit dezelfde tijd dateert het vermoedelijke legerkamp van Velzeke, dat evenwel maar in zeer beperkte mate onderzocht kon worden. De drie brede spitsgrachten die in 1976 werden ontdekt, lijnen mogelijk een kamp af met de vorm van een onregelmatige rechthoek. 32 33 34 35 36 Een gelijkaardig tijdelijk kampement werd vermoedelijk aangesneden in Kooigem (gemeente Kortrijk en Zwevegem). Hier werd op de site Kooigem-Bos, een strategische plaats op een hoogte, in 1982 37 en in 1990 38 de mogelijke verdedigingsstructuur met spitsgracht en aarden wal van een een vroeg-Romeinse legerplaats ontdekt, die uit de Augusteïsche periode lijkt te dateren. 39 Twee vindplaatsen, met een hardnekkige traditie van het vermoeden van een vroeg-Romeinse legerplaats zijn verder Asse 40 41 42 43 en Elewijt. 44 45 46 47 Voor de site van Wange vermoeden de opgravers eveneens een vroeg-Romeinse militaire aanwezigheid. 48 49 In Wervik werd recentelijk tijdens proefsleuvenonderzoek een spitsgracht aangetroffen die mogelijk hoort bij een vroeg-Romeins militair kamp. 50 Kester, een toponiem dat verwijst naar castrum, wordt soms als de mogelijke locatie van een vroeg-Romeinse versterking gepresenteerd. 51
De regering van Tiberius (14-37) lijkt in de noord-Gallische en neder-Rijnse regio op militair gebied een eerder kalme periode geweest te zijn. Daarin komt verandering met Calligula (37-41) en vooral Claudius (41-54). 52 Uit hun regeringsjaren dateert een versnelde uitbouw van de Rijnlimes en de organisatie van expedities naar Britannia. Tot nu toe zijn in Vlaanderen geen sporen aangetroffen die met deze verhoogde militaire activiteiten in verband zijn te brengen. De Batavenopstand, de gewelddadige gebeurtenis die in onze streken de vroeg-Romeinse tijd afsluit, heeft wel sporen nagelaten in de vorm van een brandlaag in Tongeren. 53 54 55
Voor de periode van ca. 70 tot ca. 170 na Chr. is er op het grondgebied van het huidige Vlaanderen geen enkele nederzetting bekend die met zekerheid als militair kan gekarakteriseerd worden. Het is een periode van rust en economische bloei. Vanaf het einde van de regering van keizer Marcus Aurelius (161-180) komt hierin echter verandering. Het Romeinse Rijk wordt op diverse fronten aangevallen en ook Gallia Belgica blijft hiervan niet gespaard.
Het castellum van Maldegem-Vake getuigt van deze onrustige periode. Dit kamp werd door luchtfotografie ontdekt en van 1984 tot 1992 door de Universiteit van Gent opgegraven, waarbij ongeveer een derde van het kampareaal werd onderzocht. Het kamp had een vierkant grondplan met zijdes van 157,5 m. Zowel het verdedigingssysteem als de binnenbebouwing volgde de traditionele kamparchitectuur. Het verdedigingssysteem bestond uit een dubbele spitsgracht, een aarden wal met palissade en vier toegangspoorten. In het binnengedeelte werden drie barakken, tien waterputten, enkele werkplaatsen en een latrina onderzocht. 56 Door gedetailleerde studie van de grondplannen was het mogelijk om nog enkele bijkomende gebouwen te onderscheiden, met name twee barakken en enkele centraal gelegen gebouwen. 57 De munten plaatsen het kamp aan het begin van de jaren ’70 van de tweede eeuw na Chr. Dendrochronologisch onderzoek bevestigt deze datering. 58 Archeologische en bodemkundige gegevens tonen aan dat het kamp maar kortstondig was bewoond, hooguit enkele seizoenen. 59 In het kamp was een gemengde eenheid gelegerd waarvan de aard en de herkomst nog stof voor debat vormen. 60 Volgens Thoen betrof het een Tongerse eenheid. 61 62 Richtinggevend in deze hypothese zijn de aangetroffen rolkeien die verzameld werden in een oud Maasterras tussen Maastricht en Luik. 63 64 Op basis van een historische bron kan het kamp gelinkt worden met de invallen van de Chauken in de jaren 172-174 n.Chr. Het kamp kan beschouwd worden als interventiekamp tegen deze invallen. 65 66 Thoen geeft daarbij een overzicht van de algemene militaire situatie in westelijk België op dat moment. In discussies over het castellum van Maldegem-Vake wordt dikwijls verwezen naar Aardenburg (Nl.) waar rond 175/180 na Chr. een versterking in steen met een rechthoekig grondplan van 150 op 240 m werd opgericht. Daar werden de restanten van een verdedigingsmuur met ronde torens, een poortgebouw met eveneens ronde torens, een stafgebouw, barakken en bestrating opgegraven. 67 68 Het castellum van Aardenburg maakte deel uit van een vroege vorm van kustverdediging, waar vermoedelijk pas ca. 200 Oudenburg in werd betrokken. Ook enkele vlootbases van de classis Germanica, gelegen aan de Zeeuwse en Zuid-Hollandse kust, maakten deel uit van deze kustverdediging. 69 70
Sinds het onderzoek van J. Mertens is gebleken dat er vanaf de midden-Romeinse periode een castellum in Oudenburg was ingeplant. Oudenburg kende een zeer strategische ligging. In de Romeinse periode bevond deze plaats zich aan de rand van de kustvlakte, een wadgebied met slikken en schorren. De oostwest gerichte landtong waarop Oudenburg ontstond, een zijtak van de dekzandrug Gistel-Brugge-Maldegem-Stekene, was een ideale uitkijkpost over de kustvlakte. Hier vonden de Romeinen bovendien een goede ondergrond om op te bouwen en zoet water was ruim voorhanden. Er was verder een directe toegang tot de zee via één van de getijdengeulen die de kustvlakte doorsneden. 71 De voordelen vanuit geologisch standpunt voor de oprichting van een fort op deze plaats werden opgemerkt door Mostaert. 72 Ook de aansluiting tot het Romeinse wegennet was belangrijk. De Zeeweg, die Oudenburg via Aartrijke verbond met Bavai, en de Zandstraat die via Brugge naar Aardenburg leidde, komen hier samen. 73 Al in de loop van de tweede helft van de 1ste eeuw n.Chr. ontstond hier een Romeinse handelsnederzetting die in de loop van de 2de eeuw uitgroeide tot een bloeiende agglomeratie en waarschijnlijk het grootste deel van de zandige opduiking inpalmde. 74 75 76 De legereenheid die zich hier later kwam vestigen, kon dus profiteren van een al aanwezige economische activiteit en bood op zijn beurt bescherming aan de nederzetting. In de loop van het derde kwart van de 3de eeuw werd deze burgerlijke nederzetting verlaten en werd de vestiging in Oudenburg puur militair. 77
Het archeologisch onderzoek in Oudenburg startte in 1956. Op basis van toponymische, topografische en historische bronnen was al langer door onderzoekers gesuggereerd dat hier de resten moesten te vinden zijn van een Romeins fort. 78 79 Een belangrijke informatiebron is het 11de-eeuwse traktaat van een geestelijke uit de Sint-Pietersabdij van Oudenburg. 80 Het was Mertens die de aanwezigheid van het Romeins castellum in het stadscentrum door middel van sleuvenonderzoek aantoonde. In 1956-1957 en 1960 vonden deze eerste opgravingscampagnes plaats. Hij lokaliseerde de contouren van het stenen fort en onderzocht de noordoostelijke hoektoren en de noordelijke toren van de westelijke toegangspoort. 81 82 83 84 Aanvullend onderzoek ter hoogte van het castellum vond plaats in 1970 met een paar dwarssleuven op de westrand van het kamp. Pas tijdens de campagnes van 1976 en 1977 werd onderzoek uitgevoerd naar de binnenbebouwing van het castellum op een terrein dat door zijn voormalige functie als gemeentelijk kerkhof een deels verstoord bodemarchief opleverde. 85 86 87 88 89 90 91 92 93 Deze campagnes intra muros werden niet in detail gepubliceerd, maar bleven beperkt tot korte besprekingen en overzichtsartikels. 94 95 96 97
De verschillende opgravingen deden Mertens besluiten tot een erg langdurige militaire bezetting van eind 2de tot begin 5de eeuw na Chr. 98 99 100 101 Hij besloot tot een drieledige fortchronologie met twee houten en aarden forten en één stenen castellum. Pas in 2001 konden opnieuw opgravingen plaatsvinden op het fortgebied. Dit vlakdekkend onderzoek ter hoogte van de zuidwestelijke hoek van het castellum toonde een veel complexere occupatiegeschiedenis van het fort aan en leverde een verfijnde chronologie op van de occupatie van het castellum. Het post-excavation-onderzoek van deze site is nog volop aan de gang. 102 103 104 105 106 107 108 Er kon een opeenvolging vastgesteld worden van vijf fortperiodes die gedateerd worden tussen ca. 200 n.Chr. en het begin van de 5de eeuw. Verschillende argumenten pleiten voor een opeenvolging van drie houten en aarden forten en twee stenen castella. Het archeologisch onderzoek liet toe inzicht te krijgen in de ruimtelijke organisatie van de zuidwestelijke zone van het fort, die in elke fortperiode evenwel een andere functionele invulling kreeg. Doorheen haar occupatiegeschiedenis werd de zuidwestzone immers voor verschillende doeleinden gebruikt. De ruimtelijke organisatie onderging daarbij radicale wijzigingen, wat er ook op wijst dat er vermoedelijk geen continuïteit was in de occupatie. Contubernia, een valetudinarium, vrijstaande wooneenheden, fabricae, een badgebouw en dieren op stal bezetten achtereenvolgens dit terrein. De eerste drie, houten fasen zijn in de midden-Romeinse periode te situeren. Het eerste stenen fort is vermoedelijk al in de overgangsperiode met de laat-Romeinse tijd te plaatsen.
Gezien de gunstige ligging van Brugge t.o.v. het Romeinse land- en waterwegennet werd in het verleden enkele malen gestipuleerd dat ook hier op één of meerdere momenten militaire bezetting is geweest. 109 110 Brugge is net als Oudenburg en Aardenburg van groot geostrategisch belang: opgericht op een pleistocene opduiking aan de rand van de kustvlakte en door twee geulen met de zee verbonden. Brugge lag halverwege de Zandstraat die Aardenburg met Oudenburg verbond. De aanwezigheid van een haven (Fort Lapin) wijst op het belang van deze plek als handelsnederzetting. De eerste door Thoen geformuleerde werkhypothese is dat het oorspronkelijke middeleeuwse castrum van Brugge (dat een vierkant grondplan zou hebben gehad) teruggaat op een Romeinse versterking. 111 Onderzoek van De Meulemeester en Matthys toonde aan dat dit castrum het resultaat was van een zuiver middeleeuws proces en geen vierkante vorm had. 112 Thoen en Ryckaert ontwikkelden 10 jaar later een nieuwe werkhypothese waarbij het vierkant omgeven door de Kraanrei, Spiegelrei, Groene Rei en Sint-Annarei een reflectie zou kunnen zijn van een Romeinse versterking. 113 Tot op heden werd noch binnen in dit vierkant noch op andere plaatsen in Brugge enige structuur gevonden die wijst op de aanwezigheid van een castellum.
E. Cools vermoedt dat er tijdens de Hoge Keizertijd ook op de oude duinengordel op Belgisch grondgebied militaire versterkingen waren opgericht. 114 115 Deze zouden ter hoogte van de kreekmondingen ingeplant zijn geweest. Dat dit een valabele stelling is, blijkt uit het feit dat er op meerdere plaatsen in de oude duinen van Zeeland en Zuid-Holland vlootbasissen waren opgericht. Doordat deze duinen in Vlaanderen grotendeels zijn weggespoeld, is dit echter moeilijk te verifiëren. Tot nu toe werden echter geen vondsten aangetroffen op het strand of in de netten van vissers die zouden wijzen op de aanwezigheid van militaire installaties in de oude duinen.
Op het einde van de 2de eeuw en tijdens de 3de eeuw was er op de Schelde en haar zijrivieren vermoedelijk een detachement van de classis Germanica actief. De aanwijzingen zijn summier, maar toch niet onbelangrijk: zowel in Rumst als in Rijmenam werden dakpanfragmenten met CGPF-stempel gevonden. 116 117 In Rumst-Molenveld, op dezelfde plaats waar in 1873 de dakpanstempel was gevonden, werden tijdens opgravingen in de tweede helft van de jaren tachtig sporen van het verdedigingssysteem van een vermoedelijk castellum aangetroffen. 118 119 Het verdedigingssysteem bestond uit een dubbele rij paalkuilen die geïnterpreteerd werden als de resten van een hout-aarde-wal met een dubbele houten beschoeiing, en twee verdedigingsgrachten. Dit castellum wordt op basis van het vondstenmateriaal gesitueerd in de tweede helft van de 2de eeuw - begin 3de eeuw. Of hier een hulptroep dan wel een vlooteenheid gelegerd was, is moeilijk te zeggen.
In het kader van de discussie over de Romeinse vloot in onze gewesten, moet ook Antwerpen vermeld worden. Sporen van een Romeinse versterking werden er tot op heden niet gevonden, maar een soldatenfibula en twee dakpannen met het opschrift ‘PRIMCORS’, aangetroffen op de site Antwerpen-Stadsparking 120 121 122 123 zijn vondsten die in de militaire sfeer kunnen liggen. 124
In 261 en in 268, wanneer ons gebied deel uitmaakte van het Gallische Keizerrijk dat zich had afgescheiden van het Romeinse Rijk (van 260 tot 274 n.Chr.), werd het noorden van Gallië opnieuw geteisterd door Frankische piraten. Deze rooftochten waren zo ingrijpend dat heel wat bewoners wegtrokken uit het kustgebied. Tijdens deze periode werd opnieuw een vorm van kustverdediging opgezet, waarbij een aantal plaatsen langs de Vlaamse en Zuid-Nederlandse kust was betrokken: Oudenburg, Aardenburg, Domburg en Schouwen. 125 126 Zowel in Oudenburg 127 128 als in Aardenburg wijzen de munten en het aardewerk er op dat de kampen toen een belangrijke fase doormaakten. Het castellum van Oudenburg werd in deze periode in de latere 3de eeuw versteend. 129
Volgens Rogge zouden de Gallische keizers ook langs de weg Kortrijk-Velzeke-Tienen-Tongeren versterkte baanposten en burgi hebben laten oprichten met als doel de vruchtbare leemstreek te vrijwaren van aanvallen. 130 Tijdens de opgraving van de Gallo-Romeinse villa van Velzeke-Steenbeke kwam de noordelijke hoek van een versterking, bestaande uit twee evenwijdige grachten en een aarden wal met palissade, aan het licht. Het verdedigingssysteem vertoont veel gelijkenissen met sommige burgi aan de weg Bavay-Keulen. De archaeologica lieten toe de versterking in het derde kwart van de 3de eeuw te dateren. Een gelijkaardige versterking uit dezelfde periode werd ontdekt in de zuidoostelijke sector van de vicus Velzeke. Er werden sporen van een dubbele gracht, een aarden wal met palissade aan de buitenzijde en de fundering van een steenbouw opgegraven. 131 In Overhespen werd in de onmiddellijke nabijheid van de weg Tienen-Tongeren een deel van een defensief grachtensysteem aangesneden. Hoewel goed dateerbare vondsten ontbreken, plaatst Lodewijckx deze versterking in de 3de eeuw. 132
Wellicht uit dezelfde periode dateert ook de site Aalter-Loveld die mogelijk ook militair van aard was. De site is gelegen langs de Romeinse weg die van Aalter in de richting van het castellum van Maldegem-Vake en verder naar Aardenburg loopt. Ze is gelegen op een uitgesproken tertiaire opduiking die zich verheft boven het omliggende landschap. In de zomer van 2006 werden er in de opgravingssleuf uitbraaksporen en funderingsresten van de oostelijke hoek van een groot gebouw in steen aangetroffen die in de volle 3de eeuw kunnen gedateerd worden. 133 134 Eerder waren in de onmiddellijke omgeving ook al uitbraaksleuven van stenen muren en een waterput, die deels in steen was opgebouwd, gevonden. 135 De waterput leverde o.a. een houten panfluit, een stemsleutel, een gouden fibula en twee zeer grote ongebruikte maalstenen op. Samen met deze uitzonderlijke vondsten tonen de steenbouw, de waterput in steen en de plek waar de site was ingeplant, in ieder geval aan dat het een site met een meer dan lokale status betreft, mogelijk (tijdelijk) met militair karakter. Op de site werd tijdens prospecties immers ook een pelta aangetroffen en tijdens de recente opgravingen een speer- of lanspunt in ijzer. 136 137 Een laatste argument is dat de plaats tijdens de middeleeuwen het toponiem Ter Caester droeg. 138
In de militaire sfeer hoort ook de grote vierkante structuur op de site Knesselare-Kouter thuis. Deze structuur was ingeplant vlakbij de Romeinse weg van Aalter naar Aardenburg. Ze had zijdes van 35,5 m, was omgeven door een omwering in hout en had een monumentale toegangspoort in het midden van één van de zijdes. De ruimte vóór de toegangspoort werd afgeschermd door een soort clavicula. Behalve enkele palenclusters, werden in de binnenruimte echter geen sporen aangetroffen. Twee 14C-dateringen plaatsen de site ergens tussen 225 en 325 n.Chr. De combinatie van elementen die thuishoren in de Romeinse militaire kamparchitectuur met elementen uit de inheemse architectuur maakt het tot een ongewone site waarvoor geen parallellen voorhanden zijn. De afwezigheid van spitsgrachten duidt aan dat we hier niet met een volwaardig Romeins kamp te maken hebben. De Clercq interpreteert deze site als een versterking die niet door het leger maar door een inheemse groep werd gebouwd. De Clercq laat in het midden of dit een door de overheid gesteunde militie dan wel een opstandige groep tegen het Romeinse gezag was. In het tweede geval is de associatie met de Bagaudae niet veraf. 139 140
Hoewel strikt genomen geen zuiver militaire constructie, dient aan het begin van deze paragraaf toch even ingegaan te worden op de laat-Romeinse stadsmuur van Tongeren. Dit bouwwerk maakt immers deel uit van een keten van forten en versterkte steden langs de weg van Boulogne naar Keulen. Alleen al de overeenkomsten in bouwtechniek en -stijl doen veronderstellen dat de aanleg van de versterkingen langs deze weg één groot militair bouwproject is geweest. De tracering van zowel de 2de- als 4de-eeuwse stadsmuren van Tongeren heeft vooral in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw plaatsgevonden. Sindsdien is de belangstelling voor deze grootste Romeinse bouwwerken van ons land alsmaar afgenomen. De voorbije decennia kunnen met betrekking tot het onderzoek van de laat-Romeinse muur maar enkele graafwerkzaamheden vermeld worden. 141 142 143 Daarnaast worden in talloze synthesewerken beschouwingen aan dit bouwwerk gewijd, zonder dat veel nieuwe informatie beschikbaar is gekomen. 144 145 146 147 148 149 150 151
De belangrijkste laat-Romeinse militaire site in Vlaanderen is het castellum van Oudenburg. Het fort werd vermoedelijk ingeschakeld in de Litus Saxonicum, een grootschalig verdedigingssysteem langs de Britse en Gallische kusten, gekend uit de Notitia Dignitatum. Het grondplan van het 4de-eeuwse fort, zijn topografische positie en verschillende vondsten die een nauwe link vertonen met de Zuid-Engelse forten van deze linie 152 153 laten dit vermoeden. J. Mertens voerde verschillende argumenten aan om Oudenburg te vereenzelvigen met de Portus Epatiacus uit de Notitia Dignitatum. In het vermelde fort waren de Milites Nerviorum gelegerd. 154 155 156 Door anderen wordt deze identificatie echter verworpen. 157 158 Hoe dan ook, het staat buiten kijf dat Oudenburg een belangrijke plaats moet hebben bekleed in het verdedigingssysteem langs de Gallische kust. 159 De resultaten van het onderzoek van J. Mertens in de jaren 1950, 1960 en 1970 werden dan ook opgenomen in verschillende buitenlandse publicaties. 160 161 162 163 Hoogstwaarschijnlijk staat het einde van het castellum van Oudenburg in verband met de crisis die zich voordeed in Noord-Gallië in de periode 406-410.
In 1963-1964 en 1968 werden door J. Mertens zo’n 400 m ten westen van het castellum 216 graven van een militair inhumatiegrafveld (grafveld A) uit de tweede helft van de 4de eeuw en het begin van de 5de eeuw blootgelegd, waardoor we een beeld hebben van de laat-Romeinse inwoners van het fort. 164 165 166 167 168 169 170 171 172 Al in 1962 waren bij een nieuwbouw enkele graven van een zuidelijker gelegen, iets ouder grafveld aangesneden (grafveld B). 173 174 175 176 177 Een gezichtsurne van Britse herkomst uit één van de graven van grafveld B werd recentelijk nog onder de loep genomen. 178 Beide sites brachten inwoners van de laatste fasen van het kamp aan het licht, die hier in vol ornaat begraven lagen, vergezeld van rijke grafgiften. Grafveld A werd volledig gepubliceerd in Mertens & Van Impe 1971. De dierenresten gevonden in de graven werden bestudeerd door Gautier 179, de munten door Lallemand. 180
Onder de graven werden de resten aangetroffen van een burgerlijke nederzetting uit het Hoge Keizerrijk. 181 182 Tijdens de opgravingscampagne ter hoogte van de zuidwesthoek van het castellum die voor de laat-Romeinse periode twee stenen fortfasen aantoonde, werd ook een noodonderzoek uitgevoerd op de noordoosthoek van het castellum (2003-voorjaar 2004) ter gelegenheid van de plannen voor een nieuw huisvestingsproject. 183 De laatste uitgebroken restanten van de noordoostelijke hoektoren en van de verdedigingsmuur en de rand van de binnenbebouwing werden er aangesneden. De recente opgravingscampagnes zorgden voor een nauwkeuriger situering van de verdedigingsmuur wat resulteert in fortafmetingen van ca. 153 op 176 m of een fortoppervlakte van ca. 2,7 ha.
Vanaf het begin van de 4de eeuw werd naast de bescherming van de kust en het herstel van de Rijn-limes ook werk gemaakt van de verdediging in de diepte. Langs de belangrijkste heirbanen werden militaire posten opgericht. Dit was bijvoorbeeld het geval voor de weg Boulogne-Cassel-Kortrijk-Velzeke-Tongeren. In Kortrijk werd er vermoedelijk in het begin van de 4de eeuw een groot stenen castellum gebouwd. 184 185 In de Notitia Dignitatum vinden we immers de vermelding terug van een troepenafdeling Cortoriacenses. Over de vraag of we onder Cortoriacenses een te Kortrijk gevestigde legereenheid of een in het Kortrijkse geronselde groep soldaten moeten verstaan, is men het niet eens. 186 187 Een overzicht van de laat-Romeinse vondsten die in de loop van de 20ste eeuw in Kortrijk werden aangetroffen, geeft aanwijzingen voor de lokalisatie en de datering van de laat-Romeinse bewoning. 188 Het 4de-eeuwse Cortoriacum kan vermoedelijk gesitueerd worden op een naar de Leie afhellend zandlemig terrein, tussen de Leie en de monding van de Groeninge- en Klakkaersbeek. 189 190 Despriet wijst er echter op dat het eventuele militaire karakter of het bestaan van een castellum hiermee nog niet bevestigd is. 191 Op andere strategische punten langs de weg Boulogne-Tongeren werden kleine sperforten (burgi) opgericht, zoals te Velzeke, Asse, Elewijt en Overhespen. 192 Ooghe, Debrabandere en Despriet opperen op basis van Romeins bouwmateriaal in de funderingen van de Romaanse voorloper van de Sint-Salvatorskerk en de vondst van twee laatromeinse muntschatten uit de 4de eeuw de hypothese dat er ook een laat-Romeinse vesting heeft bestaan in Harelbeke. Net zoals in Kortrijk zou deze dan later zijn uitgegroeid tot een grafelijke nederzetting, maar 5 kilometer van elkaar verwijderd. 193
Behalve het wegennet werd ook het rivierennet betrokken in de verdediging in de diepte. Er zijn concrete aanwijzingen van toponymische (Casterbant, Castelbant) en archeologische aard (4de-eeuwse munten en radjessigillata) om aan te nemen dat er ter hoogte van de samenvloeiing van de Leie met de Schelde te Gent een castellum was ingeplant, meer bepaald op de plaats waar de latere Sint-Baafsabdij werd gebouwd. 194 195
Vermelden we ten slotte nog de in 1940 opgegraven pre-Romaanse fase van de Sint-Pieterskerk te Torhout. De opgravers interpreteerden deze structuur als een Karolingische centraalbouw. Op basis van vormelijke overeenkomsten met laat-Romeinse wachttorens, gevonden aan de Engelse Kust, en op basis van enkele dakpanfragmenten herinterpreteerde Cools ze als een laat-Romeinse wachttoren. 196 197 Tot op heden ontbreken concrete bewijzen, maar in 1991 werd in een kleine proefsleuf even buiten de kerk vastgesteld dat de substructies van de zogenaamde Karolingische centraalbouw vooral Romeins materiaal bevatten, zoals mortel, beton en fragmenten van fresco’s. Dit materiaal was wellicht afkomstig van een in de buurt gelegen elitair gebouw, zoals een badgebouw, tempel of dergelijke. 198 Ook in Stokkem zijn het niet meer dan vondsten die wijzen op een militaire versterking op deze plaats tijdens de laat-Romeinse periode. 199 200
Verschillende publicaties van de hand van Brulet geven een overzicht van de laat-Romeinse militaire situatie in onze contreien 201 202 203, waarbij de militaire stellingen van Oudenburg, Tongeren en Stokkem worden vermeld. De algemene chronologie van de versterkingen in de laat-Romeinse periode in Noord-Gallië wordt besproken door Brulet. 204 205 206 207 Hij geeft ook een overzicht van alle laat-Romeinse sites, zowel militair als civiel, in onze streken. 208
Het uiteindelijke terugtrekken van de Romeinse troepen in het begin van de 5de eeuw, dat kaderde in een algemene crisis in Noord-Gallië in de periode 406-410, betekende ineens ook het einde van de Romeinse periode in onze gewesten. 209 210 211 Ook het castellum van Oudenburg werd toen verlaten. 212 Germaanse groepen waren echter al langer gevestigd in onze contreien. 213 Over het einde van de Romeinse periode en de overgangsperiode met de vroege Middeleeuwen zijn we archeologisch amper ingelicht.
Over het algemeen is de militaire betekenis van onze gewesten in de Romeinse tijd slecht gekend. Voor zowat alle perioden en aspecten van dit thema manifesteert zich de behoefte aan bijkomend onderzoek.
Zo is er dringend nood aan een actiever opsporen in Vlaanderen van een ongetwijfeld aanwezige archeologische horizont uit de tijd van de Gallische oorlogen en de daarop volgende decennia. Recent grootschalig onderzoek in Noord-Frankrijk heeft aangetoond dat een nog onbekende wereld voor ontsluiting op ons wacht. 214 Als startpunt valt te denken aan een grondige evaluatie van het kleine aantal in Vlaanderen gelegen hoogtenederzettingen, zoals Kanne en Asse. Ook de studie van late inheemse muntschatten en muntvondsten kan een bijdrage leveren aan een beter begrip van deze vroege periode.
Voor de Augusteïsche periode zal intensiever terreinonderzoek naar de oudste horizonten in Tongeren en andere centrale plaatsen moeten plaatsvinden. In principe zou van deze horizonten, die toch al ernstig door latere bewoningssporen zijn aangetast, niets meer ongedocumenteerd mogen verloren gaan. In afwachting van de ontdekking van bijkomende vindplaatsen zou men voor al bekende sites als Tongeren, Velzeke, Elewijt, Kooigem, Tienen en Wange een grondige evaluatie van de met de oudste sporen van deze sites geassocieerde vondsten kunnen uitvoeren.
Wat zich op militair gebied ten tijde van de uitbouw van de Rijnlimes, van de voorbereiding van de Britse expedities en van de opstand van de Bataven in onze gewesten heeft afgespeeld is volslagen onbekend. Vooruitgang moet op de eerste plaats van nieuwe ontdekkingen in het kader van systematische prospecties of van preventieve opgravingen verwacht worden. Toch staan we niet geheel met lege handen. Zo verdient het aanbeveling, naar het voorbeeld van de civitas Tungrorum, 215 ook een prosopografisch onderzoek uit te voeren naar de hulptroepen uit de civitas Nerviorum en de civitas Menapiorum.
De interactie tussen civiele en militaire organisatievormen in de middenkeizertijd is grotendeels onontgonnen terrein. Wellicht wordt het testen van nieuwe hypotheses bemoeilijkt door een visie die militair en civiel te strikt gescheiden wil houden. 216 Dat belet oog te hebben voor sporen van militaire aanwezigheid in burgerlijke nederzetting als steden en vici, zoals misschien het geval was met het horreum nabij de civitashoofdplaats Tongeren. Het belemmert wellicht ook de interpretatie van militaria in op het eerste gezicht niet-militaire contexten. Gerichte prospecties in bepaalde regio’s zouden ons op het spoor van militaire sites kunnen brengen. Zo zou het interessant zijn om de werkhypothese van Cools 217 betreffende de kustverdediging door prospecties te verifiëren. Het zou raadzaam zijn om de door hem voorgestelde prospectiegebieden, als daar zijn het Plateau van Izenberge, het randgebied van het Houtland en de zuidrand van de Scheldemonding nader te onderzoeken.
De Germaanse invallen en de Romeinse reacties daarop, nog incidenteel in de tweede helft van de 2de eeuw, maar grootschalig in de 3de eeuw, zijn voor het Menapisch en Nervisch gebied voor zover mogelijk al eens in kaart gebracht (zie supra). Voor het gebied van de Tungri moet dit nog gebeuren. Hoe dan ook geldt voor heel Vlaanderen dat we rekening moeten houden met een nog grotendeels onbekend bodemarchief dat ons de Romeinse reacties op die vroege invallen zou leren kennen. Dit geldt evenzeer voor de late keizertijd. De versterkte stad Tongeren en het castellum van Oudenburg zijn geen geïsoleerde sites, maar liggen ingebed in een fijnmazig netwerk van verdedigingswerken, dat zich weliswaar in belangrijke mate buiten het Vlaams gebied bevindt, maar zich ook tot in onze gewesten moet uitstrekken.
Tot slot zouden we grote baat hebben bij een systematische studie van de militaria die ongetwijfeld in de talloze collecties van metaaldetectoramateurs aanwezig zijn. Een inventaris en lokalisering van deze vondsten, naar het voorbeeld van het Bataafse gebied 218 zou ons op het spoor van heel wat militaire aspecten van de samenleving kunnen zetten. De enkele militaria die de voorbije jaren gepubliceerd werden zijn maar het topje van de ijsberg. 219 220 221 222 223 224 225
Bauwens-Lesenne M. 1963: Bibliografisch repertorium der oudheidkundige vondsten in Westvlaanderen (vanaf de vroegste tijden tot aan de Noormannen), Oudheidkundige Repertoria. Reeks A: Bibliografische Repertoria IV, Brussel, 91-94.
Brulet R. 1977: La défence du territoire au bas-empire, Dossiers de l’Archéologie 21, 98-107.
Brulet R. 1990a: La chronologie des fortifications du Bas-Empire dans l’Hinterland de la Gaule septentrionale. In: H. Vetters & M. Kandle (eds), Akten des 14. Internationalen Limeskongresses 1986 in Carnuntum, Der Römische Limes in Österreich 36, Wien, 301-309.
Brulet R. 1990b: La Gaule septentrionale au bas-Empire. Nordgallien in der Spätantike, Trierer Zeitschrift Beiheft 11, Trier.
Brulet R. 1993: Les dispositifs militaires du Bas-Empire en Gaule septentrionale. In: F. Vallet & M. Kazanski (Eds.). L’armée romaine et les barbares du IIIe au VIIe siècles., Association française d’archéologie Mérovingienne / Musée des Antiquités Nationales de France, Condé-sur-Noireau, 135-148.
Brulet R. 1995a: Het laat-Romeins verdedigingssysteem tussen Moezel en Noordzeekust. In: T. Bechert & W.J.H. Willems (eds), De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust, Stuttgart, 102-119.
Brulet R. 1995b: La militarisation de la Gaule du Nord au Bas-Empire et les petites agglomérations urbaines de Famars et de Bavay, Revue du Nord - Archéologie LXXVII, 313: 55-70.
Claassen A. 1973: Romeinse vondsten in de Limburgse Maasvallei, Het Oude Land van Loon 28, 9-23.
Cools E. 1985: De Romeinse kustverdediging van maritiem Vlaanderen. Werkhypothesen voor een systematische prospektie, Westvlaamse Archaeologica 1, 16-27.
Cools E. 1986: De ‘Karolingische Kerk’ van Torhout ... een Romeinse wachttoren ?, Westvlaamse Archaeologica 2, 3, 81-90.
Cools E. 1987: De Romeinse kustverdediging: een theoretisch model, In: Thoen H. (red.), De Romeinen langs de Vlaamse Kust, s.l. (Brussel), 90-99.
Cools E. 1988: Torhout: stand van het vooronderzoek naar de “karolingische kerk”, Westvlaamse Archaeologica 4, 3, 84-88.
Creus I. 1975: De Gallo-Romeinse nederzetting onder het laat-Romeinse grafveld van oudenburg, Archaeologia Belgica 179, Brussel.
De Clercq W. & Van Dierendonck W. 2008: Extrema Galliarum. Zeeland en Noordwest-Vlaanderen in het Imperium Romanum, In: Romeins Erfgoed, Zeeuws Tijdschrift 58, ¾, 5-34.
De Clercq W., Hoorne J. & Vanhee D. 2006: Boeren & krijgers op het Menapische platteland. Een inheemse nederzetting en een versterking te Knesselare-Kouter. In: A. Bosman A., W. De
Clercq & J. Hoevenberg (red.), Romeinendag - Journée d’Archéologie Romaine 06-05-2006, Gent, 17-35.
De Laet S.J. 1966: Claude et la romanisatioon de la Gaule septentrionale. In: Mélanges d'Archéologie et d'Histoire offerts à André Piganiol II, Paris, 951-961.
De Laet S.J. 1969: Nieuw licht op de oorsprong van Gent, Spiegel Historiael 4, 133-140.
De Meulemeester J. & Matthys A. 1980: Vroegmiddeleeuwse sporen op de Burg te Brugge, Archaeologia Belgica 226, Brussel.
De Poorter A. & Claeys P.-J. 1989: Les sigles sur matériaux de construction romains en terre cuite en Belgique, Acta Archaeologica Lovaniensia. Monographiae I, Leuven.
Despriet P. 1991: Romeins Kortrijk. I. Bibliografisch Repertorium, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 25, Kortrijk.
Despriet P. 2008: Kortrijk tijdens de vierde eeuw, In: R. Nouwen & J.L. Meulemeester J.L. (red.), Pax Romana. De Romeinse vrede in de lage landen, 103.
Dhaeze W. in druk: The military occupation along the coasts of Gallia Belgica and Germania Inferior, from ca. AD 170 to 275. In: Proceedings of the 20th International Congress of Roman Frontier Studies, September 4-11 2006 León, Spain.
Dhaeze W. in voorbereiding: De Romeinse kustverdediging langs het Kanaal en de Noordzee. Vier case studies over de militaire versterkingen van Boulogne-sur-Mer, Maldegem-Vake, Aardenburg en Oudenburg en een kritisch overzicht a.d.h.v. archeologische, historische, epigrafische en numismatische bronnen. (werktitel van proefschrift in voorbereiding)
Dhaeze W. & De Paepe P. 2004: The hand-thrown stones from the Roman fort of Maldegem-Vake (East-Flanders, Belgium). In: F. Vermeulen, K. Sas. & W. Dhaeze (eds.), Archaeology in Confrontation. Aspects of Roman Military Presence in the Northwest. Studies in honour of Prof. Em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, Gent, 165-180.
Fobe B. & De Geyter G. 1986: Petrographical characterization and origin of the rock found at the Roman site of Maldegem (1984 excavation campaign), Scholae Archaeologicae 6, Gent, 44-44.
Gautier A. 1972: Dierenresten van het Laat-Romeins grafveld te Oudenburg (prov. West-Vlaanderen, Belgïe), Helinium 12, 162-175.
Graff, Y. & Lenoir P. 1970: Asse (Bruxelles, Brabant). – Découverte d’un cimetière du IIème – IIIème siècle et coupe de la chaussée romaine, Romana Contact 10, I-IV, 10-11 en 20-25.
Hensen G. 2000: De militaire fibulae uit het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren. In: M. Lodewijckx (red.), Romeinendag Leuven 19 april 2000, Leuven, 49-52.
Hensen G. 2001: De militaire fibulae uit het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren, Archeologie in Limburg 88, 8-10.
Herremans D. 2005: De topografische evolutie van het Antwerpse stadsgebied. Ontwikkeling en verdediging van de Romeinse tijd tot de eerste stadsuitbreiding. In: G. Noens, J. Hoorne & D. Jehs (red.), Ghent Archaeological Studies II, 9-26.
Hessing, W.A.M. 1997 (sec. ed.): Het Nederlandse kustgebied. In: T. Bechert & W.J.H Willems, De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust, Utrecht, 89-101.
Hollevoet Y. 1985: Archeologisch onderzoek in de gemeente Oudenburg. Prospectie - analyse – synthese, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling UGent, Gent.
Hollevoet Y. 1987: Prospectie in Oudenburg. In: H. Thoen (red.) 1987, De Romeinen langs de Vlaame kust, Brussel, 48-50.
Hollevoet Y. 2004: Le site militaire d’Oudenburg et la Bretagne insulaire durant l’Antiquité tardive; quelques éléments inédits. In: F. Vermeulen, K. Sas & W. Dhaeze (eds), Archaeology in confrontation. Aspects of Roman military presence in the Northwest. Studies in honour of prof. em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, Gent, 335-342.
Hollstein E. 1976: Dendrochronologische Datierung von Hölzern aus der Wallanlage von Kanne, Caster, Consepctus MCMLXXV, Archaeologia Belgica 186, Brussel, 59-61.
Hollstein E. 1979a: Bauholzdaten aus augusteischer Zeit, Archäologisches Korrespondenzblatt 9, 131-133.
Hollstein E. 1979b: Mitteleuropäische Eichenchronologie, Trierer Grabungen und Forschungen 11, Mainz.
Hoorne J., De Clercq W. & Verbrugge A. 2007a: Een Romeinse steenbouw te Aalter-Loveldlaan (provincie Oost-Vlaanderen). In: A. Bosman, M.-H. Corbiau, W. De Clercq & J. Hoevenberg, Journée d’Archéologie Romaine - Romeinendag 21-04-2007, Namur, 67-71.
Hoorne J., De Clercq W. & Verbrugge A. 2007b: Archeologisch onderzoek Aalter-Loveldlaan (3 tot 31 juli 2006), KLAD-Rapport 5, Aalter.
Jacques A. & Prilaux G. 2003: Dans le sillage de César. Traces de romanisation d’un territoire. Les fouilles d’Actiparc à Arras, Arras.
Johnson S. 1976: The Roman Forts of the Saxon Shore, Elek Archaeology and Anthropology, London.
Johnson S. 1983: Late Roman Fortifications, London.
Johnston D.E. 1977: The Saxon Shore, Late Roman Fortifications, CBA Research Report, London.
Johnson S. 1983: Late Roman fortifications, london.
Lallemand J. 1966 : Monnaies romaines découvertes à Oudenburg,
Helinium VI, 117-138.
Lauwers F. 1973: Rijmenam: Classis Germanica, Archeologie 1973, 2, 77-78.
Leman P. 2004: A propos de quelques lieux de la Notitia Dignitatum. Etat de la recherche et suggestions, In: F. Vermeulen, K. Sas & W. Dhaeze (eds.), Archaeology in Confrontation. Aspects of Roman Military Presence in the Northwest. Studies in honour of Prof. Em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, 213-215.
Léva Ch. 1965: Poignard romain trouvé dans l’Escaut, Archeologie 1965, 2, 97.
Lodewijckx M. 1996: Essay on the issue of Continuity and Discontinuity applied to the Nothern Hesbaye Region (Central Belgium). In: M. Lodewijckx (ed.), Archaeological and Historical aspects of the West-European Societies, Album Amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 207-220.
Maddens N. (i.s.m. Van Doorselaer A., Viérin J., Warlop E. & Vancolen P.) 1990: De Geschiedenis van Kortrijk, Tielt.
Meijns B. 1994: Een 11de-eeuwse synthese van de geschiedenis van Oudenburg: het Tractatus de Ecclesia Sancti Petri Aldenburgensis, Westvlaamse Archaeologica 10, 34-55.
Mertens J. 1958: Oudenburg en de Vlaamse kustvlakte tijdens de Romeinse periode,
Biekorf 59 (10B), 321-340 (=Archaeologia Belgica 39).
Mertens J. 1962 : Oudenburg et le Litus Saxonicum en Belgique, Helinium II, 51-62.
Mertens J. 1963, Oudenburg camp du Litus Saxonicum en Belgique,
Acta et Dissertationes Archaeologicae 3, Zagreb, 123-131.
Mertens J. 1964, Laatromeins graf te Oudenburg, Helinium, IV, 219-234 (=Archaeologica Belgica, 80)
Mertens J. 1966: Het grafveld van Oudenburg en de Laat-Romeinse kustverdediging,
Algemeen verslag van het XXXIXe Congres van de Federatie van de Kringen van Geschiedkundigen en Oudheidkundigen van België, Brugge 16-18.IX.1966, 17-19.
(= Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis “Société d’émulation” te Brugge 103, 273-275).
Mertens J. 1974: Stokkem. In: J.E. Bogaers & C.B. Rüger (eds), Der niedergermanische Limes, Kunst und Altertum am Rhein 50, Köln, 152-153.
Mertens J. 1976: Tongeren: laatromeinse stadsmuur, Archeologie 1976, 2, 94.
Mertens J. 1976, Oudenburg, Archeologie, 1, 37
Mertens J. 1977a: Enfin Atuatuca!, Archeologie 1977, 2, 129.
Mertens 1977b
Mertens J. 1977c: De laat-Romeinse stadsmuur van Tongeren, Conspectus MCMLXXVI, Archaeologia Belgica 196, 49-54.
Mertens J. 1977d. Oudenburg and the northern sector of the continental Litus Saxonicum. In: D.E. Johnston (ed.). The Saxon Shore. C.B.A. Research Reports 18, London: 51-62.
Mertens J. 1977e: Oudenburg: laat-Romeins castellum en parochiekerk, Archeologie 1977, 2, 119.
Mertens J. 1977f.: Une nécropole de défenseurs de la côte, Les dossiers d’archéologie 21, 108-116.
Mertens J. 1978: Het laat-Romeins castellum te Oudenburg, Conspectus MCMLXXVII, Archaeologia Belgica 206, Brussel, 73-76.
Mertens J. 1980: Recherches récentes sur le limes en Gaule Belgique. In: W.S. Hanson & L.J.F. Keppie (eds.), Papers presented to the 12th International Congress of Roman Frontier Studies, BAR. International Series 71 (i), Oxford, 423-470.
Mertens J. 1983a: The military origins of some Roman settlements in Belgium. In: Hartley B. & Wacher J. (eds.), Rome and her Northern Provinces. Papers presented to S.S. Frère in honour of his retirement from the chair of the Archaeology of the Roman Empire, Oxford, 155-168.
Mertens, J. 1983b: Elewijt, site augustéen, Bulletin des Musées Royales d’Art et d’Histoire – Bulletin van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis 54, 1, 69-81.
Mertens J. 1983c: Urban wall-circuits in Gallia Belgica in the Roman period. In: Roman Urban Defenses in the West, C.B.A. Research Report 51, London, 42-58.
Mertens J. 1984: Naissance d’une ville: Atuatuca Tungrorum - Tongres. In: Les villes de la Gaule Belgique au Haut-Empire, Revue Archéologique de Picardie 3-4, 41-48.
Mertens J. 1985: Les débuts de l’urbanisation dans le Nord de la Gaule, Caesarodunum 20, 261-280.
Mertens J. 1987, De Romeinse legerbasis te Oudenburg,
in: H. Thoen (ed.), De Romeinen langs de Vlaamse kust, Brussel, 87-90.
Mertens J. 1987a: De Romeinse legerbasis te Oudenburg. In: H. Thoen 1987 (red.), De Romeinen langs de Vlaamse kust, Brussel, 81-89.
Mertens, J. 1987b: Oudenburg. Romeinse legerbasis aan de Noordzeekust, Archaeologicum Belgii Speculum, IV, 2de aangevulde editie verzorgd door R. Crabbé, Brussel.
Mertens J. 1996: La fin de l’Antiquité dans le nord-ouest de la Gaule Belgique – quelques réflexions. In: Lodewijckx M. (ed.), Archaeological and Historical Aspects of West-European Societies. Album Amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven.
Mertens J. 2006, Oudenburg, In: M. Reddé, R. Brulet, R. Fellmann, J.-K. Haalebos & S. Von Schnurbein S. (dir.), L’architecture de la Gaule romaine 1: Les fortifications militaires, Documents d’archéologie Française 100, Bordeaux, 362-364.
Mertens J. & Van Impe L. 1971: Het laat-Romeins grafveld van Oudenburg, Archaeologia Belgica 135, Brussel.
Meulemeester J.L. 2008: Een Romeinse legerbasis in Velzeke. In: R. Nouwen & J.L.
Meulemeester (red.), Pax Romana. De Romeinse vrede in de lage landen, Oudenburg, 76.
Mostaert F. 2000: Geografische situering en ontwikkeling van de Vlaamse kuststreek, Vlaanderen 49/3, 2-6.
Mostaert F. 2007: Landschap. In: Casteleyn D., Constandt M., Hostyn N., Meulemeester J.L., van der Laan M., Vanhee F. (red.), 2000 jaar Middenkust & Hinterland. Waar is de tijd 13, Zwolle.
Nicolay J.A.W. 2007: Armed Batavians. Use and significance of weaponry and horse gear from non-military contexts in the Rhine delta (50 BC - 450 AD), Amsterdam Archaeological Studies, Amsterdam.
Nouwen R. 1987: De wapengraven te Tongeren, Limburg LXVI, 2, 62-69.
Nouwen R. 1993: De Tungri in het Imperium Romanum tijdens het principaat, proefschrift KUL, Leuven.
Nouwen R. 1997: Tongeren en het land van de Tungri (31 v.Chr. – 284 n.Chr.), Maaslandse Monografieën 59, Leeuwarden.
Oldenstein J. 2006: De Valentien Ier à la fin de l’Empire romain occidental. In: M. Reddé, R. Brulet, R. Fellmann, J.-K. Haalebos & S. von Schnurbein (dir.), L’architecture de la Gaule romaine 1: Les fortifications militaires, Documents d’archéologie Française 100, Bordeaux, 47-50.
Ooghe R., Debrabandere F. & Despriet P. 1979: Harelbeke, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 1, Kortrijk.
Oost T. 1976a: De opgraving “stadsparking” te Antwerpen. Voorlopig verslag over de Gallo-Romeinse vondsten, Annalen van de Federatie van kringen voor Oudheidkunde en Geschiedenis van België XLVI, Huy, 60-66.
Oost T. 1976b: Merkwaardige stempel uit Antwerpen, Archeologie 1976, 1, 16-17.
Oost T. 1987: De bewoning te Antwerpen tijdens de Gallo-Romeinse periode. In: E. Warmenbol (ed.), Het ontstaan van Antwerpen. Feiten en fabels, Antwerpen, 107-126.
Opsteyn, L. & Lodewijckx, M. 1998: Romeins Wange in een ruimer perspectief. In: H. Thoen, F. Vermeulen, G. De Boe & M. Lodewijckx (eds), Romeinendag 1 april 1998, Leuven, 13-16.
Opsteyn, L. & Lodewijckx, M. 2000: Het begin en het einde van de Romeinse occupatie te Wange (Vlaams-Brabant). In: M. Lodewijckx, G. De Boe, & H. Thoen (eds), Romeinendag Leuven 19 april 2000, Leuven, 29-34.
Patrouille E. 2004: Archeologisch onderzoek in Oudenburg – site Jacali, noordoosthoek van het laat-romeinse castellum, Brochure Journée d’archéologie Romaine– Romeinendag Namur – 24-04-2004, 71-72.
Pearson A. 2002: The Roman Shore Forts. Coastal Defences of Southern Britain, Charleston.
Raepsaet-Charlier M.-Th. & Vanderhoeven A. 2004: Tongres au Bas-Empire romain. In: A. Ferdière (ed.), Capitales éphémères. Des capitales de cités perdent leur statut dans l’antiquité tardive. Actes du colloque organisé par le Laboratoire Archéologie et Territoires (UMR CITERES). Tours, 6-8 mars 2003, 25e Supplément à la Revue Archéologique du Centre de la France, Tours, 51-73.
Rogge M. 1980: Een legerplaats uit de vroeg-Romeinse tijd te Velzeke, Hermeneus 52, 2, 135-139.
Rogge M. 1988: Een overzicht van de laat-romeinse vondsten te Kortrijk, Westvlaamse Archaeologica 4, 2, 45-54.
Rogge M. 1996a: Van tijdelijk herstel tot desintegratie (van Diocletianus tot Honorius, 284-423). In: D. Lamarcq & M. Rogge (red.), De taalgrens. Van de oude tot de nieuwe Belgen, Leuven, 99-137.
Rogge M. 1996b: Vlaanderen en het zuiden van Nederland weken zich los van het centrum (van Postumus tot Carinus, 260-285). In: D. Lamarcq & M. Rogge, De taalgrens. Van de oude tot de nieuwe Belgen, Leuven, 68-98.
Rogge M., Braeckman K. & De Mulder G. 1996: Het Provinciaal Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen. Site Velzeke, Velzeke.
Rogge M., Braeckman K. & De Mulder G. 2004: Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke-Ename, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen 3.
Rogge M., Thoen H. & Vermeulen F. 1990: Oost-Vlaanderen in de Romeinse tijd. 25 jaar Verbond voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Oost-Vlaanderen, VOBOV-Info 38-40, 55-70.
Rombaut H. 2006: Julius Caesar in België. De vroegste geschiedenis van Gallia Belgica historisch-geografisch benaderd van uit De Bello Gallico, Wetteren.
Roobaert, B. 2003: Op ontdekkingstocht door Groot-Gooik (II): de naam Kester, Het Oude Land van Edingen en Omliggende 31/2, 107-119.
Roosens H. 1968: Laeti, Foederati und andere spätrömische Bevölkerungsniederschläge im belgischen Raum, Archaeologia Belgica 104, 89-109.
Roosens H. 1969: Stokkem: Romeinse bouwfragmenten, Archeologie 1969, 2, 84-86.
Roosens H. 1973: Kanne: oude vesting, Archeologie 1973, 2, 97.
Roosens H. 1975a: Kanne: oude versterking, Archeologie 1975, 2, 90-91.
Roosens H. 1975b: Oude versterking te Kanne-Caster, Conspectus MCMLXXIV, Archaeologia Belgica 177, 32-36.
Roosens H. 1976: De oude versterking te Caster, Consepctus MCMLXXV, Archaeologia Belgica 186, Brussel, 54-58.
Sas K. 2004: “Military” Bracelets in Oudenburg: Troop Movements, Origins and Relations in the Litus Saxonicum in the 4th century AD. In: F. Vermeulen, K. Sas & W. Dhaeze (eds.), Archaeology in Confrontation. Aspects of Roman Military Presence in the Northwest. Studies in honour of Prof. Em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, 343-378.
Scheltjens S. 2007: Het religieuze aspect van het castellum en de vicus te Rumst-Molenveld, Ongepubliceerde paper ingediend voor het behalen van de graad van bachelor in de Kunstwetenschappen en Archeologie VUB, Brussel.
Schönberger H. 1985: Die römischen Truppenlager der frühen und mittleren Kaiserzeit zwischen Nordsee und Inn, Berichte de Römisch-Germanischen Kommission 66, 321-497.
Sevenants W. 1991: Rumst: in het spoor van haar verleden. Eerste resultaten van 3 jaar archeologisch bodemonderzoek te Rumst-Molenveld , Mechelen.
Smeesters J. 1975: De Romeinse monumenten van Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 20, Tongeren.
Termote J. 1992: Kooigem (stad Kortrijk). IJzertijdsporen, vroeg-Romeinse legerplaats en Gallo-Romeinse nederzetting. In: J. Termote (red.), De opgravingsactiviteiten van de Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen over de werkjaren 1990, 1991 en 1992, Westvlaamse Archaeologica 8, 3, 65-80.
Thoen H. 1978: De Belgische Kustvlakte in de Romeinse tijd. Bijdrage tot de studie van de landelijke bewoningsgeschiedenis, Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone kunsten van België Klasse der Letteren, Jaargang XL, 1978, nr. 88, Brussel.
Thoen H. 1991a: Römische Militäranlagen im westbelgischen Raum. Ein Status Quaestionis. In: B. Trier (ed.), Die römische Okkupation nördlich der Alpen zur Zeit des Augustus. Kolloquium Bergkammen 1989. Vorträge, Bodenaltertümer Westfalens 26, Münster, 49-59.
Thoen H. 1991b: Le camp romain de Maldegem (Flandre Orientale, Belgique) et les invasions des Chauques en 172-174 de notre ère. In: H. Thoen, J. Bourgeois, F. Vermeulen, P. Crombé & K. Verlaeckt (eds), Studia Archaeologica. Liber Amicorum Jacques A.E. Nenquin, Gent, 185-200.
Thoen H. 1999: De Romeinse castella te Aardenburg en Maldegem (lezing gehouden in Aardenburg op 10 juli 1999 ter ere van ir. Jan Trimpe Burger, oud-Provinciaal-Archeoloog van Zeeland) (ongepubliceerde tekst).
Thoen H. 2007: De Romeinse strandvondsten. In: G. Gevaert (red.), De archeologische site ‘Raversijde-strand’. Academische zitting over maritieme archeologie Raversijde, 6 november 2007, Brussel, 11-14.
Thoen H. & Langohr R. 1996: Het Romeins kamp van Maldegem-Vake. Strategisch bolwerk in een militair conflict met de Germanen (ca. 172-174 n. Chr.). In: Uit Vlaamse Bodem. 10 Archeologische Verhalen, Sint-Niklaas.
Thoen H. & Ryckaert M. 1988: Een te verifiëren hypothese: het “Romeinse castellum” van Brugge. In: H. De Witte (red.), Brugge onder-zocht. Tien jaar stadsarcheologisch onderzoek 1977-1987, Archeo-Brugge 1, 64-70.
Thoen H. & Sas K. 1993: Voorlopig verslag van de opgravingen te Aalter - Loveld 1992. Interimrapport eerste opgravingscampagne. Ongepubliceerd rapport, Universiteit Gent.
Thoen H. & Vanhoutte S. 2004: De Romeinse wegen in het Vlaamse kustgebied. Leiden alle wegen naar Oudenburg?, Vlaanderen LIII/301, 178-184.
Trimpe Burger J.A. 1973: The Islands of Zeeland and South Holland in Roman Times, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 23, 135-148.
Trimpe Burger J.A. 1991: Opgravingen en vondsten. Romeins Aardenburg, Aardenburg.
Thoen H. 1991a: Le camp romain de Maldegem (Flandre orientale, Belgique) et les invasions des Chauques en 172-174 de notre ère. In: H. Thoen, J. Bourgeois, F. Vermeulen, P. Crombé & K. Verlaeckt (eds.), Liber Amicorum Jacques A.E. Nenquin, Studia Archaeologica Gent, 185-200.
Thoen H. 1991b: Römische Militäranlagen im westbelgischen Raum. Ein Status Quaestionis. In: B. Trier (ed.), Die römische Okkupation nördlich der Alpen zur Zeit des Augustus. Kolloquium Bergkammen 1989. Vorträge, Bodenaltertümer Westfalens 26, Münster, 49-59.
Uhlemann H.R. 1964: Schwerter und Dolche. Ess- und Schneidegerät der bronozezeitlichen Kulturen, Solingen.
Vanderhoeven A. 1996: The earliest urbanisation in Northern Gaul: some implications of recent research in Tongres. In: N. Roymans (ed.), From the sword tot the plough. Three studies on the earliest romanisation of Northern Gaul, Amsterdam Archaeological Studies 1, Amsterdam, 189-260.
Vanderhoeven A. 2001: Das vorflavische Tongeren: die früheste Entwicklung der Stadt anhand von Funden und Befunden. In: G. Precht (ed.), Genese, Struktur und Entwicklung römischer Städte im 1. Jahrhundert n.Chr. in Nieder- und Obergermanien, Xantener Berichte 9, Mainz, 157-176.
Vanderhoeven A. 2002: Tongres. In: N. Gauthier, R. De la Hay, H. Hellenkemper, T. Panhuysen, M.-Th. Raepsaet-Charlier & A. Vanderhoeven (eds), Topographie Chrétienne des cités de la Gaule XII. Province ecclésiastique de Cologne (Germania Secunda), 75-89.
Vanderhoeven A. 2007: Tongres au Haut-Empire romains. In: R. Hanoune (ed.), Les villes romaines du Nord de la Gaule. Vingt ans de recherches nouvelles. Actes du XXVe colloque international de HALMA-IPEL UMR CNRS 8164, Revue du Nord. Hors Série. Collection Art et Archéologie 10, 309-336.
Vanderhoeven A. 2008: Tongeren en het Romeinse leger. In: J.L. Meulemeester & R. Nouwen (red.), Pax Romana. De Romeinse vrede in de lage landen, 77.
Vanderhoeven A. & Vanderhoeven M. 2004: Confrontation in archaeology: aspects of Roman military presence in Tongeren. In: F. Vermeulen, K. Sas & W. Dhaeze (eds), Archaeology in confrontation. Aspects of Roman military presence in the Northwest. Studies in honour of prof. dr. em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, Gent, 143-154.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1995: Archeologische kroniek van Tongeren: de opgravingen aan het Vrijthof, Tongerse Annalen 9, 4, 59-61.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Ervynck A. & Cooremans B. 1992: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1990-1993. Deel 1. De vóór-Flavische periode, Archeologie in Vlaanderen II, 89-146.
Vanderhoeven M. 1968: De terra sigillata te Tongeren III. De Italische terra sigillata, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 12, Tongeren (= Helinium 7, 1967, 32-64).
Van Dessel C. 1877: L’établissement belgo-romain de Rumst, Bulletin des commissions Royales d’Art et d’Archéologie 16, 142-171.
Vanhoutte S. 2006a : Oudenburg. Fortification du Litus Saxonicum, Dossiers d’Archéologie 315, 126-131.
Vanhoutte S. 2006b: West-Vlaanderen : het Romeins castellum in Oudenburg. Nieuw onderzoek, nieuwe inzichten, nieuwe vragen…., Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 112-115.
Vanhoutte S. 2007a: Het Romeinse castellum van Oudenburg (prov. West-Vlaanderen) herontdekt: de archeologische campagne van augustus 2001 tot april 2005 ter hoogte van de zuidwesthoek. Interim-rapport, Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen 3, 199-236.
Vanhoutte S. 2007b: Het Romeins castellum van Oudenburg. Post-excavation-onderzoek resulteert in nieuwe chronologie, Brochure Romeinendag / Journée d’archéologie romaine, 39-43.
Vanhoutte S. 2007c: The Saxon Shore Fort at Oudenburg (Belgium) : new excavation results, 20th International Congress of Roman Frontier Studies, León, Spain, 4-11 September 2006. Proceedings (in druk)
Vanhoutte S. 2007d: Zieke soldaten, vrouwen en paarden. Recent archeologisch onderzoek in het Romeinse castellum van Oudenburg, Erfwoord 48, 20-22.
Vanhoutte S. 2008 : Het Romeinse castellum van Oudenburg : militair bolwerk aan de Gallische kust, In: J.L. Meulemeester & R. Nouwen (red.), Pax Romana. De Romeinse vrede in de lage landen, Vlaanderen 320/57, 92-93.
Van Impe L. & Creemers G. 1991: Aristokratische graven uit de 5de-4de eeuwen v.Chr. en Romeinse cultusplaats op de “Rieten” te Wijshagen (gem. Meeuwen-Gruitrode). Interimverslag, Archeologie in Vlaanderen I, 55-73.
Vanvinckenroye W. 1985: Tongeren Romeinse stad, Tielt.
Vanvinckenroye W. 1992: Enkele beschouwingen over Tongeren in de Augusteïsche tijd, Tongerse Annalen 1992, 1, 1-10.
Vanvinckenroye W. 1994: Een bijdrage tot het stadskernonderzoek van Romeins Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 46, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1995: Some reflections on Tongeren (prov. Limburg) in the Augustan era. In: M. Lodewijckx (ed.), Archaeological and historical aspects of West-European societies. Liber amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 109-121.
Vanvinckenroye W. 1997: Een Romeinse phalera uit Tongeren, Limburg – Het Oude Land van Loon 76, 1, 95-96.
Vanvinckenroye W. 2001: Über Atuatuca, Cäsar und Ambiorix. In: M. Lodewijckx (ed.), Belgian archaeology in a European setting I and II. Album amicorum Joseph Remi Mertens, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 12 en 13, Leuven, 63-67.
Verbrugge A. & De Langhe K., Wervik “De Pionier”. Rapport van het archeologisch vooronderzoek 9-24 juni 2008. Onuitgegeven rapport, Wervik.
Verhulst A. 1972: De vroegste geschiedenis en het ontstaan van Gent, Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Gent 26, 5-39.
Wankenne A. 1977: Enfin Atuatuca!, Les Etudes Classiques XLV, 63-66.
Wells C.M. 172: The German policy of Augustus. An examination of the archaeological evidence, Oxford.
Wightman E.M. 1977, “Military arrangements, native settlements and related developments in early Roman Gaul, Helinium 17, 105-126.
Will E. 1973: Compte rendu de J. Mertens & L. Van Impe 1971, Het Laat-Romeins grafveld van Oudenburg, Archaeologia Belgica 135, Bruxelles, Revue du Nord 216, 71-72.
In 1975 verscheen het bibliografisch repertorium van de oudheidkundige overblijfselen te Tongeren, 1 2 3 waarin de gehele tot dan toe gepubliceerde kennis over de enige Romeinse stad van Vlaanderen verzameld is. Het archeologisch onderzoek dat er sindsdien heeft plaatsgevonden kende, vanuit organisatorisch standpunt bekeken, drie erg verschillende periodes.
Van ca. 1975 tot ca. 1985 vond, zoals al decennia lang de praktijk was, maar met tussenpausen archeologisch onderzoek plaats, hetzij door het Provinciaal Gallo-Romeins Museum, hetzij door de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO). De financiering ervan gebeurde uitsluitend met de eigen middelen van deze instellingen. In die tijd ging de aandacht hoofdzakelijk uit naar de publieke gebouwen van de stad en naar de grafvelden. Vermoedelijk werden maar enkele procenten van het in deze periode bedreigde Tongerse bodemarchief gered. De schrikbarende omstandigheden waarin in die tijd archeologische veldwerk moest plaatsvinden kan goed afgeleid worden aan de vondstkroniek van 1976. 4
In de periode van ca. 1985 tot ca. 2005 werd door de Nationale Dienst voor Opgravingen, later geregionaliseerd tot de Dienst voor Opgravingen van de Vlaamse Gemeenschap, nog later hervormd tot het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) en ten slotte tot het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), een programma van noodopgravingen in Tongeren uitgevoerd, met de bedoeling meer over de bewoningsgeschiedenis van de Romeinse stad te leren kennen. Tot ca. 1995 gebeurde het veldwerk met onderbrekingen, vanaf ca. 1995 werd vrijwel permanent gegraven. Naast de eigen inbreng kon de NDO/IAP/VIOE lange tijd rekenen op een financiële bijdrage van de provincie Limburg. Voor sommige werken van de overheid was veroorzakersgeld beschikbaar, terwijl op particuliere bouwwerven vanwege de veroorzaker alsmaar vaker machinekosten en extra werktijd verkregen werden. Voor de periode van 1985 tot 1990 werd naar schatting 25% van het bedreigd bodemarchief gered. 5 Voor de daarop volgende jaren is de verhouding tussen vernield en opgegraven areaal niet berekend. Het aandeel van het opgegraven areaal nam weliswaar toe, maar zal waarschijnlijk nooit meer dan 50% bedragen hebben. In deze tijd heeft de provincie Limburg nog enkele opgravingen uitgevoerd, tot ze omstreeks 1995 haar toenmalige opgravingsdienst afschafte. Tussen ca. 1995 en ca. 2000 heeft ook de stad Tongeren enig veldwerk verricht, tot ook zij dit niet meer tot haar taak rekende.
In 2004 werd de archeologische monumentenzorg van Tongeren een bevoegdheid van de Afdeling Monumenten en Landschappen, later hervormd tot het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Een belangrijk doel van dit agentschap is het systematisch doen implementeren van de zorgplicht of het veroorzakersprincipe op Tongerse bouwwerven. Ze doet dat in samenwerking met de stadsarcheologische dienst. Preventieve opgravingen worden nu in principe volledig met veroorzakersgeld hetzij door archeologische bureau’s, hetzij door projectarcheologen uitgevoerd. Ze worden ook onder grotere tijdsdruk en dus in veel kortere tijd gerealiseerd, dan daarvoor gebruikelijk was geworden. Tot nu toe heeft deze periode nog veel van een overgangsfase, waarbij het VIOE nog steeds een hoeveelheid veldwerk met eigen middelen uitvoert. De gezamenlijke inspanningen hebben ertoe geleid dat voor deze nog korte periode ca. 50% van het bedreigde bodemarchief gedocumenteerd werd.
Aangezien Tongeren met ruime voorsprong op alle andere sites de grootste vindplaats uit de Romeinse tijd in Vlaanderen is, is het aangewezen er een eigen onderzoeksbalans voor te maken. We bouwen daarvoor enigszins voort op het schema van het bibliografisch repertorium, 6 maar gaan minder in detail op de diverse vondstcategorieën in. Enige overlapping met de overige hoofdstukken van de onderzoeksbalans voor de Romeinse tijd is onvermijdelijk.
Geen aspect van Romeinse Tongeren heeft de voorbije decennia meer aandacht gekregen dan de stichtingsdatum en vroegste geschiedenis van de stad. Na evaluatie van het oudste sporenbestand en vondstenspectrum was men in de jaren 1960 tot de conclusie gekomen dat de Tongerse ondergrond geen voor-Augusteïsche resten bevat en bijgevolg niet het Atuatuca van de Eburonen uit de tijd van de Gallische oorlogen kon zijn, een oude hypothese waarvoor echter nooit archeologische aanwijzingen werden gevonden. De stichting van de nederzetting werd ca. 15 v.Chr. gesitueerd en men interpreteerde de site als militair, een fort dat dienst deed voor de verplaatsingen van Romeinse troepen uit het Gallische binnenland naar de Rijn, ter voorbereiding van de Germaanse oorlogen, of nog als een militair bevoorradingskamp ten tijde van die oorlogen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 De noodopgravingen die sinds het midden van de jaren 1980 voor het eerste delen van de oudste bewoningshorizonten vlakdekkend blootlegden, wekken de indruk dat zij iets jonger zijn (ca. 10 v.Chr.), dat zij militair van aard zijn, maar niet noodzakelijkerwijs tot een fort behoorden. Het is ook mogelijk dat het Romeinse leger er aanwezig was om de civitashoofdplaats van de Tungri aan te leggen. 18 19 20 21 22 23 24 25 Recent stelt Rombaut 26 op grond van historisch-geografische overwegingen voor om Tongeren toch met het door Caesar vermelde Atuatuca van de Eburonen te identificeren. Overigens is sinds het opstarten van de noodopgravingen midden jaren 1980 duidelijk geworden dat de Tongerse bodem resten van diverse prehistorische nederzettingen herbergt, maar die hebben natuurlijk geen enkele band met de Romeinse stad. 27 28 Vooral in de noordelijke helft van de stad, waar zich pakketten verplaatst tertiair zand op de lössafzettingen bevinden, zijn deze resten veelvuldig aangetroffen.
Hieronder zal nog blijken dat van de vele noodopgravingen uit de voorbije decennia maar een fractie uitgewerkt en gepubliceerd is. Voor een grondige evaluatie van de oudste archeologische resten van Tongeren is de uitwerking van het al gedane veldwerk van het grootste belang. Voorts zal men bij het uitschrijven van opgravingsstrategieën voor nieuw veldwerk het onderzoek van de oudste niveau’s de hoogste prioriteit moeten geven. Het zijn immers deze niveaus die het meest door latere graafactiviteiten zijn aangetast en door hun diepte het moeilijkst toegankelijk zijn. Om dezelfde redenen zal men op toekomstige opgravingen gericht moeten blijven zoeken naar voor-Romeinse bewoningssporen, m.n. door in de noordelijke zandlagen prehistorische artefacten in 3D in te meten of deze laag bloksgewijs uit te zeven.
Het stratennet van Romeins Tongeren is waarschijnlijk één van de oudste publieke werken van de civitashoofdplaats van de Tungri geweest. De reconstructie van dit net in de vorm van een zgn. dambordplan, is omstreeks het midden van de vorige eeuw tot stand gekomen. 1 Sindsdien zijn al dan niet toevallig nog delen van het stratensysteem door opgravingen aangesneden. Deze eerder incidentele waarnemingen hebben aangetoond dat heel wat aspecten van de Tongerse verkeersinfrastructuur slecht gekend zijn. De opgravingen aan de Kielenstraat in de periode 1985-1995 maakten duidelijk dat de straten van in de militaire ontstaansfase van de stad bestonden. 2 Oversnijdingen met oudere greppels, hier en op het opgravingsterrein aan het Vrijthof, 3 4 5 6 moeten ons er echter waakzaam voor maken dat de exacte datering van de aanleg niet bekend is en van sector tot sector zou kunnen verschillen. Diverse waarnemingen in de zuidwestsector van de stad suggereren dat het dambordpatroon zich tot in deze zone heeft uitgestrekt. 7 8 9 10 Tot nu toe had men de indruk dat het zich tot de noordoostsector beperkte. Nieuw zijn ook de vaststellingen van houten structuren en greppels aan weerszijden van de straten die mogelijk met systemen van watervoorziening en –afvoer verband kunnen houden. 11 12 13 14 Opgravingen aan de Kielenstraat en aan het Vrijthof hebben ten slotte enkele malen sporen van de afwerking van de straatranden aan het licht gebracht. Het gaat om houten beschoeiingen van de oudste wegdekken en stenen, gemetselde randen van de jongere. 15 16 17 18 19
Onze kennis van het Romeinse stratennet van Tongeren vertoont dan ook indrukwekkende hiaten. Wanneer zich in de toekomst gelegenheid tot terreinwerk voordoet zal dan ook bijzondere aandacht uit moeten gaan naar sporen van de aanleg van het stratennet in de vorm van bv. meetpaaltjes, naar de karrensporen, naar de identificatie van de gebruikte grondstoffen voor zowel fundering als wegdek en naar resten van waterleidingen, afvoergreppels en eventuele portieken. Goed bewaarde delen zullen stratigrafisch moeten worden opgegraven, met vrijlegging van elk van de op elkaar liggende wegdekken. Bouwmaterialen moeten systematisch bemonsterd en geïdentificeerd kunnen worden. Om de lange bouw-, gebruiks- en afbraakgeschiedenis van de het Romeinse stratennet beter te leren kennen hebben we nood aan goed gedocumenteerde profielen in alle stedelijke sectoren, met daterend materiaal uit de afzonderlijke lagen. De inzet van een metaaldetector bij het stratigrafisch opgraven van de verschillende wegdekken kan op lange termijn misschien een bestand aan stratigrafisch gelokaliseerde munten opleveren. Dat kan tot inzicht in het ritme van de aanleg en herstellingen van de verschillende cardines en decumani leiden. Toekomstige terreinen op één van de hoofdassen zijn bijzonder geschikt om oude hypothesen over de verplaatsing van de decumanus maximus na de bouw van de 2de-eeuwse stadsmuur te testen. Tot slot is doelgericht onderzoek nodig naar het gebruik van de straten in de laat-Romeinse tijd.
Het onderzoek naar de twee Tongerse stadsmuren heeft in de vorige eeuw van de jaren 1930 en tot de jaren 1960 veel aandacht gekregen. 20 Nadien lijkt de interesse voor deze grootste Romeinse bouwwerken van Vlaanderen afgenomen. Toch kunnen we incidentele waarnemingen signaleren. Zo kon Vanvinckenroye 21 22 23 24 25 de datering van de 2de-eeuwse stadsmuur scherper stellen en recent werd het tot deze omwalling behorend systeem van spitsgrachten in de noordoostelijke sector van de stad aangesneden. 26 27 28 Besprekingen van de 2de-eeuwse stadsmuur en haar relatie tot de talrijke sporen van oudere en contemporaine spitsgrachten omheen de civitashoofdplaats zijn te vinden in Vanderhoeven en Vanvinckenroye. 29 30 31 32 33 34
Mertens 35 36 leverde een bijdrage tot een betere datering van de 4de-eeuwse stadsmuur. Resten van de 4de-eeuwse stadsmuur kwamen ook aan het licht tijdens werkzaamheden aan het Vrijthof 37 en in de O.L.V.-basiliek. 38 Specifiek aan de 4de-eeuwse stadsmuur gewijde besprekingen zijn te vinden in Brulet, 39 40 Raepsaet-Charlier & Vanderhoeven 41 en Vanderhoeven. 42
In 1975 startten de restauratiewerken aan de 2de-eeuwse stadsmuur. 43 44 45 Alle aandacht ging naar de dringende instandhoudings- en restauratiewerken van het monument, waarvan op vele plaatsen de funderingen bedreigd waren en waarvan de muren zelf erg aan erosie leden. Men heeft niet van de gelegenheid geprofiteerd om een archeologisch onderzoek naar de bouwwijze van de muur in te lassen. Enige aandacht ging naar mogelijk oudere sporen, maar die hebben weinig kunnen bijdragen tot de datering van de aanleg. 46 In 1995 werd de tot dan in een museumkelder onder het Vrijthof bewaarde toren van de 4de-eeuwse stadsmuur in een park voor bezoekers toegankelijk gemaakt. Een begeleidend archeologisch onderzoek kon nieuwe gegevens over de stadsmuur, maar ook over sporen van een oudere Romeinse stadswoning en van de monasteriummuren uit de 10de en de 12de eeuw aan het licht brengen. 47 Zowel de 2de- als de 4de-eeuwse stadsmuur komen verder regelmatig aanbod in overzichten van de Romeinse stad en algemene werken over de Romeinse tijd in onze streken. 48 49 50 51 52 53 54 55
Ondanks deze geïsoleerde waarnemingen moeten we vaststellen dat de huidige kennis van de stadsmuren van Romeins Tongeren niet veel verschilt van die van een halve eeuw geleden. Er is dringend behoefte aan meer kennis over deze grootse publieke monumenten, gebaseerd op zowel terreinwerk, materiaalstudie als vergelijkend onderzoek. Een nieuwe en nauwkeurige inmeting van de bouwwerken, zowel van de bovengronds zichtbare als van de eventueel middels proefsleuven op te sporen ondergrondse delen is nodig. Het inzetten van tijd en middelen om weg-, riolerings- en andere bouwwerkzaamheden die de muren aantasten te begeleiden zou al een hele vooruitgang betekenen. De voorbije jaren heeft men herhaalde kansen (moeten) laten liggen. We hebben onderzoek nodig naar de opbouw van zowel de diverse soorten funderingen als van het opgaand metselwerk. Te denken valt aan de bijzondere funderingswijze van de 2de-eeuwse muur in de Jekervallei en aan de wijze waarop de muur in droge en vaak fel hellende trajecten onderbouwd is en aan de paalfunderingen van de 4de-eeuwse muur. Voor de bovengrondse delen is een onderzoek naar de bouwwijze van de stadsmuren en haar poorten en torens nodig. Er is ook nog maar weinig geweten over de technische uitvoering en de gebruikte grondstoffen. Nog nooit heeft men een gedegen inschatting gemaakt van de hoeveelheden hout, steen en mortel die voor de realisatie van de enorme constructies nodig waren. Dat kan alleen door een uitgebreide bemonstering van de bouwmaterialen en specifiek voor de 4de-eeuwse muur van spolia. Tot slot zijn de Romeinse stadsmuren nog altijd niet nauwkeurig gedateerd. Dat zou kunnen verholpen worden door gericht naar oudere sporen te peilen en door de inzet van natuurwetenschappelijke dateringsmethoden (14C en dendrochronologie).
Voor de stad Tongeren van stenen omwallingen voorzien was, moeten aarden wal- en grachtsystemen de grenzen van de nederzetting bepaald hebben. De voorbije decennia zijn diverse spitsgrachten aangesneden, vaak in de buurt van de latere stadsmuren. 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 Het is op dit ogenblik niet duidelijk tot hoeveel omwallingen de diverse waargenomen gracht- en walsystemen behoord hebben. Ook staat hun exacte datering niet vast. Voor alle bedreigde terreinen nabij de stenen stadsmuren en nabij plaatsen waar in het verleden spitsgrachten zijn waargenomen dient in geval van noodopgravingen bijzondere aandacht naar deze sporen te gaan.
De tot nu toe enige met zekerheid geïdentificeerde Romeinse tempel van Tongeren werd in de jaren 1960 in moeilijke omstandigheden met de aanleg van parallelle sleuven in kaart gebracht. 66 67 68 Hoewel van deze opgraving nooit een eindverslag is verschenen, hebben velen er nadien aandacht aan besteed, vaak in het kader van een onderzoek naar cultusplaatsen of een overzichtswerk van tempelcomplexen. 69 70 71 72 73 74 Het is dan ook van groot belang de oude opgravingsgegevens volledig uit te werken en te publiceren. Een groot gedeelte van dit werk is in de jaren uitgevoerd in het kader van een Europees project CARE. 75 76 Tevens werd in die tijd een bijkomende sleuf aangelegd met als doel de bewaringstoestand van het niet in de jaren 1960 opgegraven bodemarchief na te gaan. Ook daarvan is op dit ogenblik nog geen rapport beschikbaar. Volledigheidshalve dient hier een tweede, nog hypothetische tempel aan de Hasseltsetraat vermeld te worden. Daar werd tijdens werken een monumentale podiumfundering verwijderd, waarvan de contouren zo goed als mogelijk door Mertens werden opgetekend. 77
Midden jaren 1970 vond een aanvullend onderzoek van de horrea in de Tongerse zuidwestsector plaats. Het vergrootte op ingrijpende wijze de bekende plattegrond van de magazijnen en voegde een aantal bijgebouwen aan de overzichtsplattegrond toe. 78 79 80 81 82 Jammer genoeg is het complex maar met een systeem van sleuven opgegraven. Grote delen ervan bevinden zich nog in de tuinen van de woningen die sindsdien op de site zijn gebouwd. Met name het noordelijk gedeelte van de zone van de horrea, waar zich de aansluiting op de weg van Tongeren naar Bavay zou moeten bevinden, biedt nog mogelijkheden tot aanvullend onderzoek. Daarbij is het van groot belang vlakdekkend te werken, opdat de houtlemen voorlopers van het magazijnencomplex beter begrepen zouden kunnen worden.
Ten noordoosten van de Romeinse stad strekken zich de nog bovengronds zichtbare resten van een aarden aquaduct uit. Dit bijzondere monument is nooit aan een grondig archeologisch onderzoek onderworpen. Sinds de identificatie als aquaduct en enkele incidentele waarnemingen van grondwerken in het aarden lichaam in de vorige eeuw werd het nog kort in een overzicht van de Tongerse monumentale bouwwerken beschreven. 83 Het komt ook ter sprake in de belangrijkste voor een breed publiek geschreven publicaties over Romeins Tongeren. 84 85 In 2003 vond in opdracht van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum een systematische opmeting van het aquaduct plaats. 86 87 88 Enkele jaren later volgde een nieuwe opmeting, met als belangrijkste doel na te gaan hoe sterk de erosie is die op het monument inwerkt. 89 De verontrustende uitkomsten van dit onderzoek gaf aanleiding tot het opstarten van een beschermingsprocedure. Aangezien over de datering en de constructiewijze van het aquaduct nog heel wat onzekerheid heerst, is het aan te bevelen om via de aanleg van een aantal proefsleuven en boringen gericht naar de datering en de bouwwijze onderzoek te doen. Begin- en eindpunt van het aquaduct zijn niet bekend. Het beginpunt, waar zich het brongebied moet bevinden, zal op de eerste plaats met gebruikmaking van digitale hoogtemodellen moeten opgezocht worden. Het eindpunt, waar de leiding de stad binnenkomt, kan in principe alleen door opgravingen in kaart gebracht worden. De desbetreffende percelen zijn dan ook van uitzonderlijk belang en moeten bij herbestemming aan een gronding oudheidkundig bodemonderzoek kunnen onderworpen worden.
De voorbije ca. 20 jaar is veel opgravingswerk verricht in de woonkwartieren van de Romeinse stad. Noodopgravingen van wisselende omvang vonden plaats aan de terreinen van de voormalige Rijksnormaalschool, 1 2 aan de Boudewijnlaan, 3 de Sint-Maternuswal, 4 de Clarissenstraat 1, 5 6 7 8 9 Kielenstraat 1, 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 de Veemarkt, 25 26 27 de Hondsstraat, 28 29 30 31 32 33 34 de Koninksemsteenweg 1, de Minderbroedersstraat, 35 de Sacramentstraat, 36 37 38 39 de 11de-Novemberwal, 40 41 42 43 de Hasseltsestraat, 44 45 het Vrijthof 1, 46 de Kielenstraat 2, 47 48 de Koninksemsteenweg 2, 49 het Provinciaal Gallo-Romeins Museum, 50 51 de Elisabethwal, 52 53 het Vrijthof 2, 54 55 56 57 de Sint-Truidersteenweg, 58 59 het Agnetenklooster, 60 61 62 63 64 65 de Sint-Janskerk, 66 de O.L.V.-basiliek, 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 de Clarissenstraat 2, 95 96 97 98 de Schaetzengaarde, 99 de Mombersstraat, 100 101 102 de Driekruizenstraat, 103 104 105 de Vermeulenstraat 1, 106 107 de Vermeulenstraat 2, 108 de Vermeulenstraat 3, 109 de Hoefnagelstraat, 110 en de Beukenbergweg, 111 Een enkele maal is op basis van de beschikbare informatie een beschouwing over de private architectuur van de stad gepubliceerd. 112 113
Van de meeste van deze opgravingen verscheen tot nu toe maar een vondstmelding, van een kleine minderheid zijn interim-, basis- en eindverslagen gepubliceerd. De systematische uitwerking en publicatie van deze opgravingen zou onze kennis van de bewoningsgeschiedenis van Romeins Tongeren op spectaculaire wijze vergroten. Daarnaast moeten we vaststellen dat de verschillende perioden uit de Romeinse bewoningsgeschiedenis ongelijkmatig vertegenwoordigd zijn. Nog steeds is het minste bekend over de oudste en jongste fasen. De oudste fasen zijn vaak moeilijk toegankelijk, de jongste dikwijls erg aangetast en opgenomen in de door vergraving en bioturbatie homogeen geworden zgn. zwarte lagen. Verder is de zuivere houtbouw uit de 1ste en 2de eeuw veel meer door latere activiteiten aangetast dan de steenbouw of gedeeltelijke steenbouw die vanaf het laatste kwart van de 1ste eeuw opkomt en de daarop volgende eeuwen alsmaar belangrijker wordt. De kans op volledige plattegronden van houtleembouw is over het algemeen groter in de zuidwestsector dan in de noordoostsector, waar de latere Romeinse bewoning intenser is geweest en waar zich ook de middeleeuwse en postmiddeleeuwse stad bevinden. De kans op volledige plattegronden uit zowel de houtbouw- als steenbouwfasen is groter buiten het middeleeuwse stadscentrum dan erbinnen. Omgekeerd is de complexiteit van de stratigrafie in het huidige centrum over het algemeen groter dan in de periferie. Vooral het areaal van het 10de-12de-eeuwse klooster en de onmiddellijke omgeving is in dit opzichte uniek. De zuidelijke sector van de stad in de vallei van de Jeker is vrijwel onbekend. Vermoedelijk bevinden de resten van de Romeinse stad zich daar op een diepte van 3 à 4 m.
Maar over het algemeen is de stedelijke bewoningsgeschiedenis van Romeins Tongeren in alle sectoren schrikbarend slecht gekend en zal alles op alles moeten worden gezet om grote en kleine terreinen met bedreigd bodemarchief op te graven. Deze opgravingen dienen bovendien stratigrafisch te zijn. De laatste jaren verloopt het veldwerk onder te grote tijdsdruk. Daardoor wordt meer en meer met een selectie van kunstmatig aangelegde vlakken gewerkt. Het is inmiddels wel duidelijk dat daardoor de meest kwetsbare niveau’s, de houtbouw uit de 1ste en 2de eeuw, maar ook de vroegste niveau’s uit het einde van de 1ste eeuw v.Chr. en het begin van de 1ste eeuw n.Chr. slecht gedocumenteerd worden of zelfs onopgemerkt blijven.
Eén van de minst bekende aspecten van Romeins Tongeren is het bewoningspatroon van de laat-antieke stad. Nochtans maken de indrukwekkende stadsmuur, de rijke graven en een aantal vermeldingen in historische bronnen duidelijk dat Tongeren in de 4de eeuw een belangrijke stad was. Ook het noodonderzoek van de voorbije decennia laat dat vermoeden. In de gehomogeniseerde zgn. zwarte lagen, die de vroeg-Romeinse nederzettingssporen overal afdekken wordt systematisch laat-Romeins materiaal aangetroffen. Dat blijkt des te meer wanneer men ertoe overgaat deze laag systematisch te bemonsteren en uit te zeven. Bovendien tonen nauwkeurige analyses van de profielen aan dat in de zwarte lagen oude loopvlakken schuil gaan. 1 Tot nu toe is men er echter niet in geslaagd bewoningssporen in vlakken die in de zwarte laag zijn aangelegd te herkennen.
De uitgestrektheid van de 4de-eeuwse bewoning is niet bekend. De enkele onmiskenbaar laat-Romeinse sporen die de afgelopen jaren werden opgetekend bevinden ze zich zowel binnen als buiten de 4de-eeuwse stadsmuur. 2 Recent zijn twee uitzonderlijke gebouwcomplexen uit de late keizertijd opgegraven. Het eerste is een laat-Romeinse basilica, naar alle waarschijnlijkheid een vroegchristelijke kerk, aangetroffen onder de huidige O.L.V.-basiliek. 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Het tweede zijn de resten van een stadswoning op het opgravingsterrein aan de Vermeulenstraat, waar de bemonstering van de zgn. zwarte laag al laat-Romeinse vondsten had opgeleverd. 14 15 16 17 Beide zijn uitzonderlijk goed bewaard en bevinden zich in de oostelijke sector van de 4de-eeuwse stad, relatief dicht bij de stadspoort naar Maastricht.
Aangezien Tongeren op grond van historische bronnen als een Romeinse bisschopszetel geïdentificeerd kan worden, is de zoektocht naar sporen van een Christelijke gemeenschap uit de 4de eeuw een traditioneel onderwerp van studie. De voorbije decennia zijn op dit gebied enkele bijdragen verschenen. 18 19 20 21 22 De recente ontdekking van een laat-Romeinse basilica onder de huidige O.L.V.-basiliek, die mogelijk als vroegchristelijke kerk was ingericht, voegt een belangrijk element aan de discussie toe. 23 24 25 26 27 28 29
Uiteraard is de laat-Romeinse stad Tongeren vaak opgenomen in synthesestudies over onze streken in de late oudheid. Zo gaat een hele reeks bijdragen van Brulet 30 31 32 33 34 in op de militaire betekenis van de stad. 35 36 37 38 39 40 41
Omdat de laat-Romeinse periode een belangrijk hiaat in onze kennis van de civitashoofdplaats is, is het van groot belang de opgravingen aan de Vermeulenstraat zo snel mogelijk uit te werken en te publiceren. Dat geldt zo mogelijk nog meer voor de opgraving onder de O.L.V.-basiliek. Dit bodemarchief omvat niet alleen de best bewaarde resten van stadswoningen uit de 2de- en 3de eeuw en een 4de-eeuwse kerk. Er zijn bovendien sporen van activiteiten uit de verder onbekende overgangsperioden van het einde van de 3de eeuw naar het begin van de 4de eeuw en van de laat-Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen vastgesteld.
Hoe schaars de vroeg-middeleeuwse sporen uit Tongeren ook zijn, voor een goed begrip van de betekenis die de resten van de Romeinse stad voor de toenmalige samenleving hebben gehad, verdienen zij een grondige studie. De overgangsperiode van de oudheid naar de middeleeuwen staat centraal in de werken van Baillien 42 en Geukens 43 en wordt ook behandeld door Vanvinckenroye 44 45 en Vanderhoeven. 46 47 48 49 Zie verder ook Heymans, 50 Lesenne 51 en Van Laere. 52 53 De voorbije jaren heeft men tweemaal ogenschijnlijk geïsoleerde Merovingische graven binnen de Romeinse stadsmuren aangetroffen. Ze konden aan de hand van grafgiften in de 6de-eeuw gedateerd worden. 54 55 56 De vraag dringt zich op of sommige van de vondstloze inhumaties, die regelmatig binnen de Romeinse nederzetting worden opgegraven, ook tot de vroege middeleeuwen kunnen opklimmen. 14C-dateringen van de al opgegraven skeletten en bijzondere aandacht voor post-Romeinse begravingen op toekomstige noodopgravingen zijn dan ook van het grootste belang. Op het terrein van de O.L.V.-basiliek zijn inmiddels sterke aanwijzingen gevonden dat de vroeg-middeleeuwse kerkenbouw, met haar verschillende Merovingische en Karolingische fasen, naadloos op de bouwhistorie van de Romeinse basilica aansluit. De bevindingen zijn van bovenregionale betekenis. Er zou dan ook alles in het werk moeten worden gesteld om deze complexe en rijke opgraving uit te werken en te publiceren. Logischerwijze zou dat het best kunnen in het kader van de plannen om de kelders onder de O.L.V.-basiliek als een museum in te richten.
De stedelijke necropolen ten noordoosten en ten zuidwesten van Tongeren vormen naar alle waarschijnlijkheid het grootste samenhangend Romeinse grafveldencomplex van Vlaanderen.
Maar doordat grote delen van dit complex al van in de 18de eeuw, in de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw door belangstellenden met de gebrekkige middelen en inzichten van die tijd opgegraven werden, is veel van de potentiële informatie verloren gegaan. Sinds het verschijnen van het repertorium van de oudheidkundige overblijfselen te Tongeren 1 zijn diverse opgravingscampagnes op zowel het noordoostelijk als het zuidwestelijk grafveld uitgevoerd, helaas maar zelden in werkomstandigheden die gunstig genoeg waren om aan de vereisten van modern onderzoek te voldoen.
Op het noordoostelijk grafveld kon in de jaren 1980 aan de Jaminéstraat een uitgestrekte laat-Romeinse necropool opgegraven worden. De vaststellingen hebben tot de hypothese geleid dat een groot deel van de inhumaties tot een vroegchristelijke stedelijke gemeenschap zou kunnen behoord hebben. 2 3 Vondstmeldingen vinden we terug bij Lesenne 4 en Vanvinckenroye. 5 6 7 Helaas werd in de haast waarmee het veldwerk werd uitgevoerd afgezien van het inzamelen van de skeletten. Aan de overkant van de Jaminéstraat was in 1995 gelegenheid om een vijftal inhumaties van dezelfde necropool te onderzoeken, ditmaal wel met belangstelling voor fysisch antropologisch onderzoek. 8 In 2002 ten slotte is in een andere sector van het noordoostelijk grafveld aan de Darenbergstraat een houten grafkamer met een rijk ensemble aan grafgiften opgegraven. 9 10
Op het zuidwestelijk grafveld zijn in dezelfde periode twee grote opgravingscampagnes uitgevoerd. De eerste situeert zich hoofdzakelijk in de jaren 1970 en verliep in moeilijke omstandigheden. Voor de aanleg van de nieuwbouwwijken ‘aan Paspoel’ konden er in een eerste fase maar langgerekte sleuven aangelegd worden, omdat de boomgaarden zo lang mogelijk gespaard moesten blijven. In een tweede fase mocht na het rooien van de bomen tijdens de aanleg van de nieuwbouwwijk dan weer alleen de aanleg van een gedeelte van de wegen en kelders archeologisch begeleid worden. Hoewel er dus geen sprake was van een vlakdekkend onderzoek van het bedreigde areaal en de overzichtsplattegrond bijgevolg lacunes moet vertonen, is dit onderzoek tot nu toe het meest omvangrijke van zijn aard en bovendien het enige waarvan we over een eindverslag beschikken. 11 12 In dezelfde periode is nabij het horreum een klein aantal graven dat tot dezelfde necropool behoort aangesneden. 13 Midden jaren 1990 vond dan op hetzelfde zuidwestelijk grafveld aan de Romeinse Kassei een ca. 0,5 ha groot vlakdekkend onderzoek uit, dat evenwel tot nu toe niet gepubliceerd kon worden. 14 15 Kort daarop werd aan de overkant van de Romeinse Kassei een klein perceel onderzocht. 16
Samenvattende beschouwingen over (deelaspecten van) de grafvelden in het algemeen vindt men bij Nouwen 17 18 en Vanderhoeven. 19 Over de laat-Romeinse grafvelden is geschreven door Brulet, 20 Nouwen 21 en Vanderhoeven. 22 Enkele bijzondere ingezamelde vondsten uit het zuidwestelijk grafveld werden door Vanvinckenroye 23 gepubliceerd. Tot slot werd recent in een tentoonstellingscatalogus van Romeinse juwelen een belangrijke selectie van oude vondsten uit de Tongerse necropolen besproken. 24 Gelet op de vele gemiste kansen uit het verleden om bedreigde delen van de Romeinse grafvelden volgens de vereisten van eigentijds onderzoek op te graven is het van absoluut belang om in de toekomst geen enkele kans meer verloren te laten gaan om bedreigde zones op te graven, anders lopen we het risico voor goed essentiële informatie over en inzicht in de stedelijke samenleving van Romeins Tongeren te verliezen. Heel wat aspecten van de Romeinse geschiedenis van Tongeren kunnen immers alleen maar met goed gedocumenteerde grafensembles worden bestudeerd.
Van Tongeren en de civitas Tungrorum in het algemeen zijn weinig opschriften bekend. De voorbije decennia zijn in de stad enkele teksten of fragmenten van teksten aan het licht gekomen. Het betreft een in 1976 ontdekt fragmentair bewaard votiefopschrift, 1 2 3 4 5 een in 1990 gevonden intact votiefaltaar met opschrift, 6 7 8 een in 2000 opgegraven, bijna volledig bewaard votiefopschrift 9 en een in 2008 opgegraven volledig bewaarde loden grondstofbaar met opschrift. 10 De oude opschriften zijn in dezelfde periode tweemaal grondig besproken in de eerste en tweede editie van de ILB 11 12 en in het proefschrift van Nouwen. 13
Het in 1990 ontdekte votiefaltaar meldt voor het eerst het municipale statuut van Tongeren en gaf daardoor aanleiding tot talrijke beschouwingen over de institutionele draagwijdte van dit statuut. 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 Het in 2000 opgegraven votiefaltaar draagt de eerste vermelding van de cultus van Jupiter Dolichenus in de provincie Gallia Belgica. 26
Na publicatie van het bibliografisch overzicht van Lesenne 27 zijn numismatische bijdragen verschenen over de 1ste-eeuwse munten 28 en over de Augusteïsche munten van Tongeren. 29 De vele munten van de Tongerse opgravingen uit de jaren 1985-2000 zijn door Aerts opgenomen en besproken in zijn proefschrift over het muntgebruik in Gallia Belgica en Germania Inferior. 30 Een klein gedeelte van dit en nog recenter opgegraven vondstmateriaal is door Johan van Heesch al in de catalogi van opgravingsverslagen opgenomen. 31 32 33 Een Tongerse muntvondst komt ter sprake bij Mercken. 34 Tot slot moet hier één uitzonderlijke vondst van de jongste jaren vermeld worden. Het betreft een imitatie van een solidus van Valentinianus III, geplooid aangetroffen in een waterbekken op het grafveld ten westen van de Merovingische kerk onder de huidige O.L.V.-basiliek. 35
Voor de toekomst bestaat de grootste behoefte op numismatisch gebied wellicht uit een diachronische studie van de muntcirculatie en het muntgebruik in de Romeinse stad aan de hand van de vele gedurende de voorbije jaren stratigrafisch geregistreerde munten. Hoewel op de meeste terreinen sinds de start van de noodopgravingen omstreeks het midden van de jaren 1980 metaaldetectoren werden ingezet, kan het gebruik ervan op toekomstig onderzoek nog geïntensiveerd worden. De ervaring leert immers dat heel wat muntvondsten over het hoofd worden gezien, ondanks het gebruik van detectoren. Het is dan ook aanbevelenswaard grote hoeveelheden bodemarchief systematisch uit te zeven. Het volledig uitzeven van de zwarte laag in de O.L.V.-basiliek bracht bijv. honderden bijkomende laat-Romeinse munten aan het licht, ondanks het manueel opgraven en gebruik van een metaaldetector. 36 37 38 39
Bouwtechnische aspecten van de Romeinse architectuur en monumentale architectuurfragmenten hebben de voorbije jaren weinig aandacht gekregen. Enkele algemene beschouwingen kan men vinden bij Vanvinckenroye, 40 Nouwen 41 42 en Vanderhoeven. 43 44 De oude vondsten werden door Mertens 45 op een kaart gezet en de verspreiding ervan besproken. Het was zijn bedoeling op die manier het nog onbekende monumentale stadscentrum op het spoor te komen. Maar de spreiding kan ook o.i.v. het gebruik van vele fragmenten als spolia in de 4de-eeuwse stadsmuur verklaard worden. Inmiddels hebben de noodopgravingen sinds de jaren 1980 voor bijkomende vondsten gezorgd, waardoor de door Mertens vastgestelde concentratie vervaagd is. De nieuwe vondsten zijn meestal echter niet gepubliceerd. Een aan de monumentale architectuurfragmenten gewijd overzicht ontbreekt. Een gedegen onderzoek van deze fragmenten zou nochtans een belangrijke bijdrage tot studie van het romanisatie- en urbanisatieproces van de civitashoofdplaats van de Tungri leveren. Zo blijkt bijv. het oudste tot nu toe gekende zuilfragment, aangetroffen in een voor-Flavische paalkuil aan de Elisabethwal, nog van voor het midden van de 1ste eeuw te dateren. 46
Romeins beeldhouwwerk is in Tongeren vrij zeldzaam. Dat heeft mogelijk te maken met de geringe schaal waarop in het verleden in de stad opgravingswerk plaatsvond en met het feit dat beeldhouwwerk al in de laat-Romeinse tijd op grote schaal als bouwmateriaal hergebruikt werd. De zeldzame keren dat het aan het licht komt gaat het meestal om reeksen fragmenten uit puinlagen, funderingen en beer- of waterputten.
Bij graafwerken op het terrein van de monumentale tempel aan de noordelijke rand van de stad werden, nadat de noodopgraving van dit terrein al was afgerond, een klein aantal fragmenten beeldhouwwerk gered. Eén fragment, een ruiterbeeld dat van een zgn. Jupitergigantenzuil deel had uitgemaakt, heeft in de loop der jaren veel aandacht in binnen- en buitenlandse literatuur gekend. 47 48 49 50 51 52 53 54 Een studentenscriptie werd gewijd aan de verbrande mergelstenen fragmenten van een zesgodensteen van het opgravingsterrein aan de Kielenstraat. 55 Deze zeldzame vondst maakte deel uit van een kleine cultusplaats in de voortuin van de 3de-eeuwse stadswoning. De opgravingen in de O.L.V.-basliek van Tongeren bracht een hele reeks als secundair bouwmateriaal gebruikt beeldhouwwerk aan het licht, aangetroffen in een vroeg-middeleeuws waterbekken. 56 57 Maar ook elders op dit terrein kwamen regelmatig sculptuurfragmenten tevoorschijn. 58 59 60 61 Tot slot zijn de terracottabeeldjes van Tongeren de voorbije jaren grondig bestudeerd door De Beenhouwer. 62 63
De tijd is rijp om aan de Tongerse steensculptuur een diepgaande studie te wijden. Dat geldt voor zowel de oude vondsten als voor het alsmaar groeiend bestand aan nieuwe ontdekkingen. De gebruikte materialen, de stijl waarin ze zijn uitgevoerd en hun iconografisch repertorium bieden een unieke invalshoek om sociale, economische, culturele en religieuze aspecten van de Romeinse stedelijke samenleving te bestuderen. Bovendien biedt de recente publicatie van het grote materiaalbestand uit de nabijgelegen vicus van Maastricht een uitstekend referentiekader om de studie van het Tongerse materiaal aan te pakken. 64
In het oudheidkundig repertorium van Tongeren kunnen we nog lezen dat muurschilderingen in de Romeinse stad vrij zeldzaam zijn. 65 De noodopgravingen op diverse plekken in het stadscentrum hebben inmiddels aangetoond dat dit een vergissing is en dat zij één van de meest voorkomende vondstcategorieën vormen. Helaas is het er in de voorbije jaren niet van gekomen dit rijke bronnenmateriaal van Romeinse interieurdecoraties, zij het ook maar voor een deel, te publiceren. Tot nu toe is enkel van de aan de Veemarkt opgegraven ensembles een korte beschrijving gepubliceerd, 66 heeft niet gepubliceerd onderzoek naar de muurschilderingen van het Vrijthof plaatsgevonden, 67 terwijl van een deel van de vele in de O.L.V.-basiliek opgegraven wanddecoraties technische rapporten over hun berging zijn opgemaakt. 68 69 70 71 72 73 74 Er is dan ook dringend nood aan een gespecialiseerd onderzoek naar de vele complexen van muurschilderingen die inmiddels uit Tongeren bekend zijn, technisch, iconologisch en in verhouding tot de architectuur waarmee ze geassocieerd zijn.
In 1989 kon aan de Hondsstraat de enige tot nu toe in situ aangetroffen mozaïek van Tongeren opgegraven worden. 75 76 77 78 79 80 Omstreeks dezelfde tijd moet tijdens bouwwerken in de Kogelstraat een andere mozaïek ongedocumenteerd vernield zijn. Voordien waren van Tongeren alleen maar losse ingezamelde fragmenten bekend. 81 Recent is ook in de O.L.V.-basiliek en los fragment opgegraven. 82 83 84 85
Hoewel de mozaïek van de Hondsstraat in een interimverslag van de opgraving gedetailleerd beschreven is, is het toch aangewezen deze vloer grondiger te bestuderen, met name de technische uitvoering, de gebruikte materialen en de herkomst van de makers. Hij is immers vroeg gedateerd (einde 1ste eeuw/begin 2de eeuw) en lijkt niet te passen in de Keulse en Trierse traditie.
Tot slot is er nog een derde, alsmaar in aantal fragmenten toenemende categorie van interieurdecoraties: onderdelen van opus signinum. In 1975 waren marmeren of andere natuurstenen plaatjes nauwelijks bekend. 86 De opgravingen van de voorbije decennia toonden aan dat opus signinum op vele plaatsen binnen de Romeinse stadsmuren gebruikt werd. Meestal is hun aantal beperkt, maar twee vindplaatsen hebben grotere aantallen opgeleverd. In de Kielenstraat gaat het om een concentratie van halffabricaten en productieafval. In de O.L.V.-basiliek kwamen vooral in de koorzones van de Romeinse basilica en de Merovingische kerk opvallend veel fragmenten tevoorschijn. De Merovingische vondsten zijn zeker hergebruikt Romeins materiaal.
Een systematische inventaris, studie van de vormen en gebruikte grondstoffen is dringend gewenst. Dat is des te meer zo omdat vele fragmenten in goed gedocumenteerde contexten zijn gevonden, waardoor het mogelijk wordt een relatie met gebouwen te leggen en zo de sociale achtergrond van het gebruik van opus signinum te reconstrueren. De vondsten van de Kielenstraat bieden bovendien de mogelijkheid onderzoek naar de vervaardigingstechnieken te doen.
In het kader van het eind jaren 1950 gestarte publicatieprogramma van de collecties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum verschenen studies van de stempels op terra sigillata 87 88 89 en van de laat-Romeinse radstempelsigillata. 90 91 Vanvinckenroye 92 93 publiceerde een belangrijk ensemble versierde sigillata van een opgraving aan de Bilzersteenweg en Wesemael bestudeerde een tot nu toe onuitgewerkte privéverzameling versierde sigillata. 94 95 96 Er verscheen ook een herwerkte heruitgave van de eerste editie van de publicatie van het gewone aardewerk van Tongeren. 97 De Belgische waar stond centraal in een artikel van Vanderhoeven & Vynckier 98 en van drie aardewerkcategorieën, mortaria, gladwandig en ruwwandig aardewerk, verscheen een op bakselsoort ingedeeld overzicht van de hand van Willems. 99 100 Aan het te Tongeren zelf geproduceerde ruwwandige aardewerk werd aandacht besteed in een bijdrage van Martens & Willems. 101 Enkele bijzondere vondsten kregen een aparte bijdrage. Het betreft een nieuwe studie van de terracottastatuetten die aan het begin van de vorige eeuw aan de Hasseltsestraat waren ontdekt: 102 103 een rammelaar, 104 een ensemble van wierookkelken 105 en een Italische wrijfschaal. 106 Alle terracottastatuetten van Tongeren werden bestudeerd in het proefschrift van De Beenhouwer. 107 Naast de al vernoemde licentiaatsverhandeling over versierde terra sigillata 108 werden nog twee eindwerken over Tongers aardewerk geschreven. 109 110 Gesloten vondstensembles van Romeins aardewerk uit het stadscentrum kan men vinden in bijdragen van Vanderhoeven over de Kielenstraat, 111 112 de Veemarkt, 113 de Minderbroedersstraat, 114 de Koninksemsteenweg, 115 de Mombersstraat, 116 de Driekruisenstraat 117 en de Schaetzengaarde. 118 Vanvinckenroye schreef over het Gallo-Romeins Museum. 119 Voor de gesloten ensembles uit de grafvelden kan men terecht bij Vanvinckenroye. 120
De lengte van de bovenstaande opsomming neemt echter niet weg dat dit alles betrekking heeft op maar enkele procenten van het geheel van het Romeinse aardewerk dat de voorbije decennia in Tongeren is opgegraven. Het depot van het VIOE en in mindere mate dat van het Gallo-Romeins Museum en van de stad Tongeren bevat een ware schatkamer aan onbestudeerd vondstmateriaal van de opgravingen die de voorbije tientallen jaren in de civitashoofdplaats zijn uitgevoerd. Van elke aardewerkcategorie (terra sigillata, dunwandig aardewerk, Belgische waar, geverfd, gebronsd en metaalglansaardewerk, Pompeiaans rood aardewerk, ruwwandige en gladwandige ceramiek, mortaria, dolia en amforen, diverse soorten handgevormd aardewerk, lampen, beeldjes, enz.) beschikken we over enorme aantallen ruimtelijk en chronologisch goed vastgelegde vondsten. De voorbije jaren is van enkele opgravingen ook de bouwceramiek systematisch bijgehouden. Dit materiaal zou niet alleen in de nog te maken opgravingsverslagen tot hun recht moeten komen, het is ook geschikt om aan elk van de hierboven vermelde aardewerkcategorieën een aparte studie te wijden.
Het Gallo-Romeins Museum bezit een aanzienlijke collectie metalen gebruiks- en siervoorwerpen uit de Romeinse stad Tongeren. De voorbije jaren is een deel daarvan bestudeerd, meestal in het kader van licentiaatsverhandelingen of proefschriften. In 1999 verscheen een verhandeling over de fibulae 121 122 123 124 en in 2004 een verhandeling over spelden, gordelelementen en riemverdelers. 125 De Tongerse juwelen werden in het proefschrift van Sas 126 127 opgenomen. Ook de studie van de Romeinse bronzen van België van Faider-Feytmans 128 bevat veel Tongers materiaal. Metalen voorwerpen van Tongeren zijn verder gepubliceerd in de tentoonstellingscatalogus over Romeinse juwelen uit 2002. 129 Nouwen nam de Tongerse dodecaëder in zijn studie over deze voorwerpen op. 130 In 1997 publiceerde Vanvinckenroye een kleine collectie laat-Romeinse bronzen die tijdens grondwerken op het zuidwestgrafveld waren ingezameld. 131 Twee bijzondere metaalvondsten zijn een phalera, waarvan de vondstomstandigheden niet exact bekend zijn en alleen een tekening en foto bestaan, 132 en een gouden zegelring. 133
Op dit ogenblik ontbreekt evenwel een overzicht van de talloze metalen voorwerpen die de voorbije decennia tijdens diverse noodopgravingen zijn aangetroffen. Kleine aantallen zijn in catalogi van opgravingsverslagen opgenomen. Het gaat om materiaal van de opgravingen aan de Veemarkt, 134 de Minderboerdersstraat, 135 het Gallo-Romeins Museum, 136 de Koninksemsteenweg, 137 De Jaminéstraat, 138 de Driekruizenstraat, 139 de Mombersstraat 140 en de de Schaetzengaarde. 141 In de publicatie van het onderzoek van het zuidwestgrafveld worden diverse hoofdstukken besteed aan de metaalvondsten. 142 De overgrote meerderheid van dit materiaal ligt op dit ogenblik echter onbestudeerd in de opgravingsdepots. Dat is des te jammer omdat van veel vondsten een nauwkeurige en goed dateerbare context bekend is, waardoor studie kan gedaan worden van de chronologische ontwikkeling, maar ook van de sociale context waarin metalen voorwerpen gebruikt werden.
Een overzicht van het Romeinse glas uit Tongeren, in 1962 gepubliceerd, vormt nog steeds de basis van onze kennis over dit onderwerp. 143 Aan dit overzicht kunnen nu ook de hoofdzakelijk laat-Romeinse vondsten van de opgravingen in het zuidwestgrafveld toegevoegd worden. 144 Het betreft in beide gevallen evenwel vooral grafgiften. Over het glas dat uit nederzettingscontexten komt is nog maar weinig geweten. Kleine hoeveelheden vindt men terug in de catalogi van de gepubliceerde opgravingen van de Veemarkt, 145 de Minderbroedersstraat 146 en het Gallo-Romeins Museum, 147 de Driekruizenstraat 148 en de Mombersstraat. 149 Aan twee fragmenten van vormgeblazen glas met Griekse tekst uit de opgraving aan de Kielenstraat werd een apart artikel gewijd. 150 151 152 Tongers glas is ook prominent aanwezig in algemenere glasstudie. 153 154 Tot slot vormt de vondst op een opgraving aan de Sint-Truidersteenweg van twee fragmenten ruwwandig aardewerk met glaspasta de eerste aanwijzing van Romeinse glasproductie in Tongeren, waarschijnlijk in de laat-Romeinse tijd. 155
Voor Romeins Tongeren ontbreekt een studie van de glasconsumptie, gebaseerd op zowel het materiaal uit nederzettingscontexten, dat meestal maar fragmentair bewaard is, als de grafvondsten, die meestal beter bewaard zijn. Een vergelijking tussen beide soorten contexten dringt zich op. Voorts kan een gerichte doorlichting van de vondstdepots waarschijnlijk nog meer aanwijzingen voor glasproductie aan het licht brengen.
De belangrijkste Romeinse nederzetting van ons land en haar archeologie werd de voorbije decennia in diverse publicaties aan het publiek getoond. 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168 169 170 171 172 173 174 175 176 177 De archeologische kennis van de stad is ook opgenomen in repertoria en andere bibliografische werkinstrumenten van de vakwereld. 178 179 180 Regelmatig is archeologisch onderzoek te Tongeren in tentoonstellingen aan bod gekomen. 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196
Aerts J.C. 2000: Coins or money? Exploring the monetization and functions of Roman coinage in Belgic Gaul and Lower Germany 50 BC – AD 450, Academisch proefschrift VU, Amsterdam.
Amand M. 1976: Terra sigillata, Archeologie 1976, 1, 42.
Amand, M. 1977: Urban sites of Roman origin in Belgium. In: Barley, M.W. (ed.), European towns. Their archaeology and early history, London - New York - San Francisco, 159-167.
Arts A., Van den Hove P., Vander Ginst V., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2007: Het archeologisch onderzoek in de O.L.V.-basiliek te Tongeren. In: Bosman A., Corbiau M.-H., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag 21 04 2007, Namen, 5-9.
Arts A., Vander Ginst V., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006a: Het archeologisch onderzoek in de O.L.V.-basiliek te Tongeren. In: Bosman A., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine 06 05 2006, Gent, 17-18.
Arts A., Vander Ginst V., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006b: Archeologisch onderzoek in de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Tongeren. In: Callebaut D. (red.), Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 28-32.
Arts A., Vander Ginst V., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2008: Fase 3 van het archeologisch onderzoek in de O.L.V.-basiliek te Tongeren. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van Bellingen S. (red.), Journée d'Archéologie Romaine 19 04 2008, Brussel, 5-9.
Baillien H. 1979: Tongeren. Van Romeinse civitas tot middeleeuwse stad, Maaslandse Monografieën 29, Assen.
Bauchens G. 1974: Zur Entstehung der Jupitergigantensäulen, Archäologisches Korrespondenzblatt 4, 359-364.
Bechert T. & Willems W.J.H. 1995: De limes van Germania Inferior – geschiedenis en vorm van een grens. In: Bechert T. & Willems W.J.H. (red.), De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust, Stuttgart, 8-28.
Bellens T. & Vanderhoeven A. 1999: Noodonderzoek aan het Vrijthof in Romeins Tongeren. In: Thoen H., Vermeulen F., De Boe G., Lodewijckx M. & Rogge M. (eds), Romeinendag 24 maart 1999, Gent, 19-22.
Bellens T., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2000: De noodopgraving aan het Vrijthof te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag Leuven 19 april 2000, Leuven, 39-40.
Bellens T., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2002a: Tongeren: Vrijthof. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1998, Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 3, 250-255.
Bellens T., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2002b: Tongeren: Vrijthof. In: Vanderhoeven A. & Creemers G. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1999, Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 4, 306-308.
Bérard Fr. 1999: Organisation municipale et hiérarchies sociales dans les provinces gauloises et alpines d’après la documentation épigraphique. In: In: XI Congresso Internationale di Epigrafia Greca e Latina, Roma, 18-24 settembre 1997, Preatti, 39-54.
Bogaers J.E. 1994, Commentaar uit Nijmegen-Noviomagus, Municipium Batavorum, tweelingstad van municipium Tungrorum, Limburg 73, 4, 235.
Borgers K. 2004: Metalen spelden, gordelbeslag en riemverdelers uit de Romeinse periode in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren, Licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
Borgers K., Steenhoudt M. & Van de Velde E. 2008: Een derde noodopgraving aan de Vermeulenstraat te Tongeren. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van bellingen S. (red.), Journée d'Archéologie Romaine 19 04 2008, Brussel, 21-24.
Brennecke H.C. 1986: Servatius von Tongern. Ein gallischer Bischof in arianischer Streit. In: Sint-Servatius, bisschop van Tongeren-Maastricht. Het vroege Christendom in het Maasland. Handelingen van het colloquium te Alden Biezen, Tongeren en Maastricht, Kunst en Oudheden in Limburg 28, Borgloon-Rijkel, 17-36.
Brulet R. 1977: La défence du territoire au bas-empire, Dossiers de l'Archéologie 21, 98-107.
Brulet R. 1988: La défense du territoire au Bas-Empire dans le nord-ouest de la Gaule. In: Jones R.F.J., Bloemers J.H.F., Dyson S.L. & Bibble M., First millenium papers. Western Europe in the first millenium D, Britsh Archaeological Reports. International Series 401, Oxford, 287-293.
Brulet R. 1990a: La chronologie des fortifications du Bas-Empire dans l’Hinterland de la Gaule septentrionale. In: Vetters H. & Kandler M (eds), Akten des 14. internationalen Limeskongresses 1986 in Carnuntum, Der Römische Limes in Österreich 36, Wien, 301-309.
Brulet R. 1990b: La Gaule septentrionale au Bas-Empire. Nordgallien in der Spätantike, Trierer Zeitschrift Beiheft 11, Trier.
Brulet R. 1995: Het laat-Romeins verdedigingssysteem tussen Moezel en Noordzeekust. In: Bechert T. & Willems W.J.H. (red.), De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust, Stuttgart, 102-119.
Burnet A. 2005: Tongres antique. Des vestiges romains sous la basilique gothique, Archéologia 423, 14-18.
Cabuy Y. 1991: Les temples gallo-romains des cités des Tongres et des trévires, Publications Amphora 12, Brussel.
Cahen-Delhaye A. 1979: Le cavalier aux géants anguipèdes et trois autres statues gallo-romaines de Tongres, Archaeologia Belgica 219, Brussel.
Cahen-Delhaye & Smeesters J. 1981: Tongeren Romeins beeldhouwwerk, Archaeologicum Belgii Speculum XIII, Brussel.
Coquelet C. 2001: Organisation et articulation de l’habitat précoce dans les villes du Nord de la Gaule, Revue du Nord – Archéologie de la Picardie et du Nord de la France 83, 343, 9-14.
Cosyns P., Janssens K., Van der Linden V. & Schalm O. 2006: Black glass in the Roman Empire: a work in progress. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (red.), Roman glass in Germania Inferior. Interregional comparisons and recent results. Proceedings of the international conference held in the Gallo-Roman Museum in Tongeren (may 13th 2005), Atvatvca 1, Tongeren, 30-41.
Cosyns P., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2004: Twee fragmenten van glazen bekers met Griekse inscripties uit de Kielenstraat te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag. Namur 24 04 2004, Namur, 13-19.
Cosyns P., Vanderhoeven A., Vynckier G., Janssens K. & Schlam O. 2005: Two fragments of mold-blown glass beakers with Greek inscriptions from Tongeren (Belgium), Journal of Glass Studies 47, 179-183.
Creemers G. 1991: Catalogus. In: Gallo-Romeinse vondsten in privé-bezit, tentoonstellingscatalogus, Tongeren, 22-34.
Creemers G. 1999: Het verleden bevraagd: nieuwe afdelingen in het Gallo-Romeins Museum, Archeologie in Limburg 81, 33-35.
Creemers G. & Vanderhoeven A. 2007: Vom Land zur Stadt. Die Entstehung des römischen Tongeren. In: Krieg und Frieden. Kelten, Römer, Germanen. Begleitbuch zur Ausstellung, Bonn, 263-269.
Creemers G., Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1989: Opgraving aan de Veemarkt te Tongeren, Museumfax 1989, 1, 6.
Daem M. 1981: Volkskundige enquêtes in Vlaanderen. De rammelaar, Oostvlaamse Zanten 56, 1, 128-130.
De Beenhouwer J. 1991a: Terrakotten aus Kölner Werkstätten. Der depotfund von Tongeren, Kölner Jahrbuch zu Vor- und Frühgeschichte 24, 395-412.
De Beenhouwer J. 1991b: Roman terracotta statuettes from a close find at Tongeren and their relation to the Köln, Trier and central-Rhine production centres, Acta Archaeologica Lovaniensia 30, 61-93.
De Beenhouwer J. 2005: De Gallo-Romeinse terracottastatuetten van Belgische vindplaatsen in het ruimer kader van de Noordwest-Europese terracotta-industrie, Doctoraal proefschift KUL, Leuven.
De Boe G. 1975a: Sites et agglomérations en Belgique, Archeologie 1975, 1, 32-34.
De Boe G. 1975b: Steden en agglomeraties, Archeologie 1975, 2, 106-107.
De Boe G. 1976: Villes et agglomérations – steden en nederzettingen, Archeologie 1976, 1, 36.
De Boe G. 1979: Tongeren: gebouwencomplex extra muros, Archeologie 1979, 2, 62.
De Boe G. 1980a: Tongeren: tempel, Archeologie 1980, 2, 109.
De Boe G. 1980b: Tongeren, Archeologie 1980, 2, 109-110.
De Boe G. 1980c: Een laat-middeleeuwse pottenbakersoven te Tongeren, Archeologie 1980, 2, 115.
De Boe G. 1981a: Hout- en steenbouw in het oosten van het Romeinse Tongeren, Conspectus MCMLXXX, Archaeologia Belgica 238, 32-36.
De Boe G. 1981b: Een laat-middeleeuwse pottenbakkersoven te Tongeren, Conspectus MCMLXXX, Archaeologia Belgica 238, 76-80.
De Boe G. 1985: Villes et vici – steden en vici, Archeologie 1985, 1, 49-51.
De Boe G. 1986: De archeologische getuigenissen van het eerste Christendom in de civitas Tungrorum. In: Sint-Servatius, bisschop van Tongeren-Maastricht. Het vroege Christendom in het Maasland. Handelingen van het colloquium te Alden Biezen, Tongeren en Maastricht, Kunst en Oudheden in Limburg 28, Borgloon-Rijkel, 37-62.
De Boe G. 1988: Tongeren (Limb.), Archeologie 1988, 1, 63.
De Boe G. 1990: Terra sigillata uit Tongeren, Archeologie 1990, 123.
De Boe G., Van de Konijnenburg R. & Vanderhoeven A. 1986: Tongeren (Limb.), Archeologie 1986, 2, 129-130.
De Boe, G. & Thoen, H. s.d.: In een uithoek van het Romeinse imperium. In: Vlaamse archeologie. Opgravingen in binnen- en buitenland, s.l., 25-32.
De Laet S.J. 1976: Atuatuca Tungrorum (Tongeren or Tongres). In: Stillwell R., MacDonald W. & McAllister M.H. (eds), The Princeton encyclopedia of classical sites, Princeton, 111-113.
Deman A. & Raepsaet-Charlier M.-Th. 1985: Les inscriptions latines de Belgique, Sources et Instruments VII, Bruxelles.
Deman A. & Raepsaet-Charlier M.-Th. 2002: Nouveau recueil des inscriptions latines de Belgique (ILB2), Collection Latomus 264, Bruxelles.
Derks T. 1998: Gods, temples and ritual practices. The transformation of religious ideas and values in Roman Gaul, Amsterdam Archaeological Studies 2, Amsterdam.
Dijkman W. 1994: Gallo-Romeins Museum Tongeren, Archeologie in Limburg 62, 64-65.
Dondin-Payre M. 1999: Magistratures et administration municipale dans les trois Gaules. In: Dondin-Payre M. & Raepsaet-Charlier M.-Th. (eds), Cités, municipes, colonies. Les peocessus de municipalisation en Gaule et en germanie sous le Haut-Empire romain, Histoire Ancienne et Médiévale 53, Paris, 127-230.
Engelen F. 1978: Limburgensia, Archeologie in Limburg 4, 18.
Engelen F. 1985: Atuatuca Tungrorum - 2000 jaar Tongeren, Archeologie in Limburg 25, 88-91.
Engelen F. 1987: Woningbouw Romeins Tongeren blootgelegd, Archeologie in Limburg 31, 14-15.
Engelen F. 1989: Tongeren, Archeologie in Limburg 41, 239.
Engelen F. 1990a: Opgravingen Hondsstraat Tongeren, Limburgensia, Archeologie in Limburg 44, 304.
Engelen F. 1990b: Romeins Tongeren, Archeologie in Limburg 45, 315.
Engelen F. 1990c: Limburgensia. Romeins grafveld Tongeren, Limburg 46, 333.
Engelen F. 1991: Tongeren, Archeologie in Limburg 50, 71.
Ervynck A. & Vanderhoeven A. 1997: Tongeren (Belgium): changing patterns of meat consumption in a Roman civitas capital. In: Kokabi M. & Wahl J. (eds), Proceedings of the 7th ICAZ conference, Anthropozoologica 25) 26, 457-464.
Ervynck A. & Vanderhoeven A. 1998: Het artisanaal gebruik van dierlijke grondstoffen in Romeins Tongeren en Tienen. In: Thoen H., Vermeulen F., De Boe G. & Lodewijckx M. (eds), Romeinendag 1 april 1998, Brussel, 9-10.
Faider-Feytmans G. 1979: Les bronzes romaines de Belgiques, Mainz, 78-79.
Fauduet I. 1993: Atlas des sanctuaires romano-celtiques de Gaule, Les fanums, Paris.
Geukens B. 1990: Tongeren. Zestien eeuwen kerkbouw, licenciaatsverhandeling KUL 1962, Tongeren.
Groetembril S., Allonsius C. & Guilbaud C. 2005: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport de fouille, Soissons.
Groetembril S. & Amadei B. 2005: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’intervention, Soissons.
Groetembril S., Laken L., Amadei-Kwifati B., Lemoigne L. & Vibert-Guigue C. 2006: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’étude et de traitement des enduits peint. Ensembles I et II, Soissons.
Groetembril S. & Allonsius C. 2007: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport de fouille. Werkput 27, vlak 11, spoor 143 en vlak 14, spoor 318, Soissons.
Groetembril S. & Laken L. 2007a: Tongres, basilique Notre-dame. Limbourg, Belgique. Inventaire des enduits peints entrposés à Soissons et à Tongres, Soissons.
Groetembril S. & Laken L. 2007b: De Romeinse muurschilderingen uit de O.L.V.-basiliek te Tongeren: opgraving en reconstructie. In: Bosman A., Corbiau M.-H., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag 21 04 2007, Namen, 99-103.
Groetembril S., Pedroso R. N. & Laken L. 2007: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’intervention. Déposes des enduits Werkput 27, vlak 9, Soissons.
Hanut F. 2006a: La verrerie dans la cité des Tongres au Haut-Empire: un aperçu général. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (red.), Roman glass in Germania Inferior. Interregional comparisons and recent results. Proceedings of the international conference held in the Gallo-Roman Museum in Tongeren (may 13th 2005), Atvatvca 1, Tongeren, 10-29.
Hanut F. 2006b: La vaiselle à décor vermiculaire en Belgique: chronologie et utilisation. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (red.), Roman glass in Germania Inferior. Interregional comparisons and recent results. Proceedings of the international conference held in the Gallo-Roman Museum in Tongeren (may 13th 2005), Atvatvca 1, Tongeren, 114-124.
Hensen G. 1999: De bronzen, Romeinse fibulae uit het Gallo-Romeins Museum te Tongeren, Licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
Hensen G. 2000: De militaire fibulae uit het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag Leuven 19 april 2000, Leuven, 49-52.
Hensen G. 2001: De militaire fibulae uit het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren, Archeologie in Limburg 88, 8-10.
Hensen G. 2002: Tongeren: Romeinse fibulae van het Gallo-Romeins Museum. In: Vanderhoeven A. & Creemers G. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1999, Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 4, 308-311.
Hensen G., Schurmans M. & Vanderhoeven A. 2003: Een noodopgraving van 5000 m2 Romeinse stad aan de Clarissenstraat te Tongeren. In: Lodewijckx M. & Corbiau M.-H. (eds), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 08 02 2003, Leuven, 31-32.
Hensen G., Schurmans M., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2004: Het noodonderzoek aan de Clarissenstraat te Tongeren – De opgravingscampagne van 2003. In: Lodewijckx M. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag. Namur 24 04 2004, Namur, 53-55.
Hensen, G., Schurmans M., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006a: Tongeren: Clarissenstraat. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2001, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 1, 47-50.
Hensen G., Schurmans M., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006b: Tongeren: Clarissenstraat. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2003, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 4, 314-318.
Heymans H. 1978: De topografie van de Merovingische grafvelden in Belgisch Limburg en Maastricht, Acta Archaeologica Lovaniensia 17, 66-134.
Janssen P. 1977: Recapitulerende beschouwingen over “archeologische lepra”. Twee gevallen van “pseudo-lepra” uit de Romeinse periode in België, Hades 16, 30, 54-68.
Klok R.H.J. & Brenders F. 1981: Reisboek voor Romeins Nederland en belgië, Bussum.
Alain Vanderhoeven
Koegler K. 1998: Een zeskantige sokkel in Tongeren, Scriptie RUL, Leiden.
Laken L. s.d.: Onderzoek naar de fragmenten van beschilderd pleisterwerk uit de opgravingen op het Vrijthof te Tongeren in 1994-1995. Verslag van de werkzaamheden (2004-2005), s.l.
Lenaerts E. 2008: Een aardewerkstudie van twee Romeinse contexten, opgegraven aan de Sint-Truidersteenweg te Tongeren in 2001, Licentiaatsverhandeling UG, Gent.
Lesenne M. 1983: Tongeren (Oost-nekropool): Christelijke begraafplaats?, Archeologie 1983, 1, 60.
Lesenne M. 1987: Tongeren, Archeologie 1987, 1, 92. (Karolingische munt).
Mailleux B. 1994: Tongres – “Atuatuca Tungrorum”. In: La pax Romana de Tongres à Arlon. Catalogue d’exposition, Liège, 33-38.
Mariën M.E. 1980: Belgica antiqua. De stempel van Rome, Antwerpen.
Martens M. & Willems S. 2002: La production et la diffusion de céramiques locales. Les exemples de Tirlemont et de Tongres, SFECAG Actes du Congrèse de Bayeux, Marseille, 331-343.
Massart C. 2004: Céramiques des rites et du repas funéraires. In: Brulet R. & Vilvorder F. (eds), La céramique cultuele et le rituel de la céramique en Gaule du Nord, Collection D’Archéologie Joseph Mertens XV, Louvain-la-Neuve, 31-37.
Mercken, J. 1975: Muntvondst te Tongeren, Hona 10, 4, 32.
Mertens J. 1975: Tongeren: archeologisch repertorium, Archeologie 1975, 107.
Mertens J. 1976a: Tongeren: laatromeinse stadsmuur, Archeologie 1976, 2, 94.
Mertens J. 1976b: Tongeren, Romeinse stad, Archeologie 1976, 2, 110.
Mertens J. 1977a: Korte bijdrage tot het Romeins stadsplan van Tongeren. In: Brabantse Oudheden opgedragen aan Gerrit Beex, Bijdragen tot de Studie van het Brabantse Heem XVI, Eindhoven, 143-148.
Mertens J. 1977b: De laat-Romeinse stadsmuur van Tongeren, Conspectus MCMLXXVI, Archaeologia Belgica 196, 49-54.
Mertens J. 1979: Epigraphie romaine, Archeologie 1979, 1, 43-44.
Mertens J. 1980a: Romeins beeldhouwwerk uit Tongeren, Archeologie 1980, 1, 37.
Mertens J. 1980b: Laat-Romeinse sigillata uit Tongeren, Archeologie 1980, 1, 42.
Mertens, J. 1980c: Recherches récentes sur le limes en Gaule belgique. In: Hanson, WS. & Keppie, L.J.F. (eds), Roman Frontier Studies 1979. Papers presented to the 12th International Congress of Roman Frontier Studies II, BAR International Series 71 (ii), Oxford, 423-469.
Mertens, J. 1981a: Hart van het land van de Tungri. In: Manning A.F. & De Vroede M. (eds), Atlas van de historische plaatsen in de Lage Landen, Utrecht-Antwerpen, 22-27.
Mertens J. 1981b: Villes et habitats romains, Archeologie 1981, 1, 49.
Mertens J. 1982: Réflexions à propos du “Cavalier aux géants anguipèdes” de Tongres, Revue Archéologique de l’Est et du Centre-Est 33, 47-53.
Mertens J. 1983a: The military origins of some Roman settlements in Belgium. In: Rome and her Northern Provinces. Papers presented to S.S. Frère, Oxford, 155-168.
Mertens J. 1983b: Urban wall-circuits in Gallia Belgica in the Roman period. In: Roman Urban Defenses in the West, C.B.A. Research Report 51, London, 42-58.
Mertens J. 1983c: Agglomérations romaines en Belgique, Archeologie 1983, 1, 48.
Mertens J. 1984: Naissance d’une ville: Atuatuca Tungrorum - Tongres. In: Les villes de la Gaule Belgique au Haut-Empire, Revue Archéologique de Picardie 3-4, 41-48.
Mertens J. 1985: Les débuts de l’urbanisation dans le Nord de la Gaule, Caesarodunum 20, 261-280.
Mertens J. 1996: Quelques aspects de l’urbanisation dans les régions septentrionales de la Gaule Belgique à l’époque romaine. In: Bedon R. (ed.), Les villes de la Gaule Lyonnaise, Caesarodunum 30, 361-394.
Mertens J. 2000: Interférences culturelles aux confins des provinces de la Germania Inferior et de la Belgica: Tongres et la sculpture provinciale au Iié siècle. In: Walter H. (ed.), La sculpture d’époque romaine dans le nord, dans l’est des Gaules et dans les régions avoisinantes: acquis et problématiques actuelles. Actes du colloque international qui s’est déroulé à Besançon les 12, 13 et 14 mars 1998, à l’initiative des Universités de Franche-Comté et de Bourgogne, Collection Annales Littéraires 694, Art et Archéologie 45, Paris, 35-48.
Mertens J. & De Boe G. 1982: Le cavalier aux géants et autres colonnes de Jupiter, Archeologie 1982, 1, 48-49.
Mertens J. & Vanvinckenroye W. 1975: Een Romeins gebouwencomplex extra-muros te Tongeren, Archaeologia Belgica 180, Brussel = Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 22, Tongeren.
Meylemans E. & Van Laecke J. 2006: Onderzoek naar de erosie van het Romeinse aquaduct van Tongeren, Brussel.
Noelke P. 1981: Die Jupitersäulen und –pfeiler in der römischen Provinz Germania Inferior, Beiheft der Bonner Jahrbücher 41, Köln-Bonn.
Nouwen R. 1987: De wapengraven te Tongeren, Limburg 66, 2, 62-69.
Nouwen R. 1988: De verloren grens. De Germaanse invallen en de Frankische kolonisatie in onze gewesten, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 39, Hasselt.
Nouwen R. 1990: De grafvelden van Tongeren, Museumfax 1990, 2, 1-2.
Nouwen R. 1991a: Atuatuca, hart van de “civitas Tungrorum”, Het Oude Land van Loon 46, 177-220.
Nouwen, R. 1991b: Atuatuca Tungrorum, hart van de civitas Tungrorum. In: Gallo-Romeinse vondsten in privébezit, tentoonstellingscatalogus, Tongeren, 13-18.
Nouwen R. 1992: De Gallo-Romeinse pentagon-dodecaeder van Tongeren, Limburg 71, 1, 27-47.
Nouwen R. 1993a: De Tungri in het Imperium Romanum tijdens het principaat, proefschrift KUL, Leuven.
Nouwen R. 1993b: De Romeinse muren te Tongeren. In: Archi-Arche tentoonstellingen, Hasselt, 18-25.
Nouwen R. 1996: Aan Iupiter Optimus Maximus en de Genius van het Municipium Tungrorum: Atuatuca. Het eerste gekende municipium van Gallia Belgica? In: Thoen H. & Vermeulen F. (eds), Romeinendag 13 maart 1996, Gent, 8-10.
Nouwen R. 1997a: Tongeren en het land van de Tungri (31 v.Chr. – 284 n.Chr.), Maaslandse Monografieën 59, Leeuwarden.
Nouwen R. 1997b: Het municipium Tungrorum en de cohors II Tungrorum milliaria equitata c.L., Limburg – het Oude Land van Loon 76, 299-348.
Nouwen R. 1997c: Atuatuca Tungrorum. The first known municipium of Gallia Belgica?, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 115, 278-280.
Nouwen R. 1997d: To I(uppiter) O(ptimus) M(aximus) and the Genius of the Mun(icipium) Tung(rorum). Atuatuca, the first known municipium of Gallia Belgica? In: XI Congresso Internationale di Epigrafia Greca e Latina, Roma, 18-24 settembre 1997, Preatti, 417-426.
Nouwen R. 1997e: Atuatuca Tungrorum. In: Zahariade M. (ed.), Lexicon of the Greek and Roman cities and placenames in Antiquity. Ca. 1500 B.C. – ca. A.D. 500, Amsterdam, 1073-1082.
Nouwen R. 2002: Onder de vleugels van de adelaar. Keizer Augustus en de Lage Landen (31 v.Chr. – 14 n.Chr.), Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 2, 129-165.
Nouwen R. 2005: Keizer Commodus en het municipium Tungrorum. In: Maenen J., Driessen R. & Indekeu B. (eds), Tesi samanunga vvas unde scona. Liber amicorum Theo Coun, Limburg – Het Oude Land van Loon. Extranummer 4, Hasselt, 47-59.
Nouwen R. 2007a: De ravitaillering van de Romeinse troepen in Gallië en Germanië tijdens de militaire campagnes van Caesar en Augustus. In: Bosman A. e.a. (eds), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag 2007, Namen, 49-52.
Nouwen R. 2007b: Tongeren als het bestuurlijk en economisch centrum van een agrarische regio in relatie tot de ravitaillering van de Rijntroepen: een beknopte status quaestionis, Limburg – Het Oude Land van Loon 86, 1, 3-12.
Panhuysen T.A.S.M. 1996: Romeins Maastricht en zijn beelden. Een wetenschappelijke proeve op het gebied van de letteren, Corpus Signorum Imperii Romani. Corpus van de Romeinse Beeldhouwkunst. Nederland – Germania Inferior – Maastricht, Maastricht – Assen.
Pauwels D., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2005: Vijf noodopgravingen in Romeins Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag 16 04 2005, Brussel, 75-78.
Ponzetta L., Dewinter N. & Wesemael E. 2003a: Opmeting van het Romeins aquaduct te Tongeren, ARON-Rapport 2, Tongeren.
Ponzetta L., De Winter N. & Wesemael E. 2003b: Opmeting van het Romeinse aquaduct te Tongeren, Archeologie in Limburg 93, 3-7.
Ponzetta L., Dewinter N. & Wesemael E. 2003c: Het Romeinse aquaduct van Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 03 2003, Leuven, 61-64.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 1995: Municipium Tungrorum, Latomus 54, 361-369.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 1996: Cité et municipe chez les Tongres, les Bataves et les Canninefates. In: Mélanges E. Frezouls, Ktema 21, 251-269.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 1997: Epigraphie et municipalisation dans les cités de la Belgique romaine. In: Corbiau M.-H. (red.), Le patrimoine archéologique de Wallonie, Namur, 268-269.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 1999: Les institutions municipales dans les germanies sous le Haut-Empire: bilan et questions. In: Dondin-Payre M. & Raepsaet-Charlier M.-Th. (eds), Cités, municipes, colonies. Les processus de municipalisation en Gaule et en Germanie sous le Haut-Empire romain, Histoire Ancienne et Médiévale 53, Paris, 271-352.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 2006a: Epigraphie et municipalisation en Belgique romaine. In: Brulet R. (ed.), La Belgique romaine, Dossiers Archéologie et Sciences des Origines 315, 10-15.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 2006b: Le monde du sacré. In: Brulet R. (ed.), La Belgique romaine, Dossiers Archéologie et Sciences des Origines 315, 86-89.
Raepsaet-Charlier M.-Th. 2007: Dieux, dévots et temples en cité des Tongres. In: Dalaison J. (ed.), Espaces et pouvoirs dans l’Antiquité. De l’Anatolie à la Gaule, Grenoble7-25.
Raepsaet-Charlier M.-Th. & Vanderhoeven A. 2004: Tongres au Bas-Empire romain. In: Ferdière A. (red.), Capitales éphémères. Des capitales de cités perdent leur statut dans l’antiquité tardive. Actes du colloque organisé par le Laboratoire Archéologie et Territoires (UMR CITERNES). Tours, 6-8 mars 2003, 25e Supplément à la Revue Archéologique du Centre de la France, Tours, 51-73.
Rombaut H. 1990: Romeinse stad op een kruispunt van wegen. Tongeren. In: Van Rooijen M. (ed.), Steden des tijds. Historische stadstypen in de Nederlanden, Utrecht, 10-29.
Rombaut H. 2006: Julius Caesar in België. De vroegste geschiedenis van Gallia Belgica historisch-geografisch benaderd van uit De Bello Gallico, Wetteren.
Roosens H. 1975: Noodopgravingen in het noordoostelijk deel van het Romeinse Tongeren. In: Conspectus MCMLXXIV, Archaeologia Belgica 177, Brussel, 40-43.
Sas K. 1999: Juwelen en juweelsierkunst in Romeins België: bijdrage tot de studie van de Romeinse sierkunst, Doctoraatsverhandeling UG, Gent.
Sas K. 2000: Isis’ ring, Claudia’s oorring en Marcus’ armband: juwelen in Romeins België. In: Lodewijckx M., De Boe G. & Thoen H. (eds), Romeinendag Leuven – 19 april 2000, Leuven, 11-16.
Sas K. & Creemers G. 2002: Tongeren: Romeinse gouden zegelring met intaglio. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1998, Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 3, 255-259.
Sas K. & Thoen H. (red.) 2002: Schone schijn. Romeinse juweelkunst in West-Europa, Leuven.
Schlusmans F. 1990: Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Provincie Limburg. Arrondissement Tongeren. Kantons Riemst en Tongeren, Turnhout, 102-110.
Schönberger H. 1985: Die römischen Truppenlager der frühen und mittleren Kaiserzeit zwischen Nordsee und Inn, Berichte der Römisch-Germanischen Kommission 66, 321-497.
Schurmans M. 2000: Het keramisch materiaal uit de pre-Flavische vondstniveaus van de site aan de Elisabethwal te Tongeren, Licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
Severijns P. 1988: Tongeren, Romeinse civitas in het Imperium Romanum. In: Helsen J., Moermans W., Severijns P. & Vandeplas E. (red.), 2000 jaar Tongeren. 15 vóór Chr. tot 1985, Hasselt, 21-28.
Smeesters J. 1971: Fragment van een nieuwe inscriptie te Tongeren, Limburg LI, 145-152.
Alain Vanderhoeven
Smeesters J. 1974: Tongeren – Atuatuca (Tungrorum). In: Bogaers J.E. & Rüger C.B. (eds), Der niedergermanische Limes, Kunst und Altertum am Rhein 50, Köln, 214-216.
Smeesters J. 1975: De Romeinse monumenten van Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 20, Tongeren.
Smeesters J. 1976a: Tongeren: restauratiewerkzaamheden aan de 2de-eeuwse stadsmuur, Archeologie 1976, 1, 7-8.
Smeesters J. 1976b: Bibliografie over het Romeinse Tongeren, Limburg 55, 5, 250-253.
Limburg, Tongeren.
Smeesters, J. 1977: Tongres, chef-lieu de cité belge. D'Ambiorix à Servais, Les Dossiers de l'archéologie 21, 72-79.
Smeesters J. 1978a: Tongeren: Romeinse stadsmuur, Archeologie 1978, 1, 16.
Smeesters J. 1978b: Epigrafisch nieuws uit Tongeren, Limburg 57, 5, 193-200.
Smeesters J., Baillien H. & Vanderhoeven M. 1974: Atuatuca Tungrorum – Tongeren, Jablonci Nad Nisou.
Smeets M. 2008: Het archeologisch vooronderzoek aan de Beukenbergweg te Tongeren, Tessenderlo.
Thoen H. 1976: Terra sigillata, Archeologie 1976, 1, 42.
Thoen H. 1991: Römische Militäranlagen im westbelgischen Raum. Ein Status Quaestionis. In: Trier B. (ed.), Die römische Okkupation nördlich der Alpen zur Zeit des Augustus. Kolloquium Bergkammen 1989. Vorträge, Bodenaltertümer Westfalens 26, Münster, 49-59.
Trunk M. 1991: Römische Tempel in den Rhein- und westlichen Donauprovinzen. Ein Beitrag zur architekturgeschichtlichen Einordnung römischer Sakralbauten in Augst, Forschungen in Augst 14, Augst, 217-218.
Van Berkum A. 1986: Op zoek naar de meest geschikte residentie. Geruisloze verhuizingen van de Episcopi Tungrorum. Een poging tot reconstructie. In: Sint-Servatius, bisschop van Tongeren-Maastricht. Het vroege Christendom in het Maasland. Handelingen van het colloquium te Alden Biezen, Tongeren en Maastricht, Kunst en Oudheden in Limburg 28, Borgloon-Rijkel, 147-162.
Vandegehuchte C. 1999: Tongeren: Agnetenklooster. In: Creemers G. & Vanderhoeven A., (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1997, Limburg – Het Oude Land van Loon 78, 3, 209-213.
Vandegehuchte C. 2002: Tongeren: Agnetenklooster. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1998, Limburg – Het Oude Land van loon 81, 3, 243-245.
Van de Konijnenburg R. 1987: Een baksteenoven te Tongeren, Archaeologia Belgica n.r. III, 277-280.
Van de Konijnenburg R., Vanderhoeven A. & De Boe G. 1987: Tongeren, site gerechtshof: een steenbakkersoven (Limb.), Archaeologia Mediaevalis 10, 63-64.
Van den Hove P. 2006a: Tongeren: O.L.V.-basiliek. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2001, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 1, 50-57.
Van den Hove P. 2006b: Tongeren: Sint-Jan-De-Doperkerk. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2002, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 2, 173-178.
Van den Hove P., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2002: Het archeologisch onderzoek in de O.L.V.-basiliek van Tongeren. Fase 1: 1999-2001, Monumenten en Landschappen 21, 4, 12-37.
Van den Hove P., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2003: De Romeinse bewoningssporen onder de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 03 2003, Leuven, 73-74.
Vanderhoeven A. 1988: Archéologie urbaine à Tongres. In: Actes du XLIXe congrès de la Fédération des Cercles d’Archéologie et d’Histoire de Belgique et 3e Congrès de l’Association des Cercles Francophones d’Histoire et d’Archéologie de Belgique, Namen, 44-45.
Vanderhoeven A. 1996: The earliest urbanisation in Northern Gaul: some implications of recent research in Tongres. In: Roymans N. (ed.), From the sword tot the plough. Three studies on the earliest romanisation of Northern Gaul, Amsterdam Archaeological Studies 1, Amsterdam, 189-260.
Vanderhoeven A. 1997: Tongres, notre capitale durant cinq siècles. In: Richesses archéologiques de la Basse-Meuse liégeoise. Catalogue d’exposition, Visé, 174-179.
Vanderhoeven A. 2001: Das vorflavische Tongeren: die früheste Entwicklung der Stadt anhand von Funden und Befunden. In: Precht G. (ed.), Genese, Struktur und Entwickluung römischer Städte im 1. Jahrhundert n.Chr. in Nieder- und Obergermanien, Xantener Berichte 9, Mainz, 157-176.
Vanderhoeven A. 2002a: Tongres. In: Gauthier N., De la Hay R., Hellenkemper H., Panhuysen T., Raepsaet-Charlier M.-Th. & Vanderhoeven A. (eds), Topographie Crétienne des cités de la Gaule XII. Province ecclésiastique de Cologne (Germania Secunda), 75-89.
Vanderhoeven A. 2002b: Aspekte der frühesten Romanisierung Tongerens und des zentralen Teiles der Civitas Tungrorum. In: Grünewald Th. & Seibel S. (eds), Kontinuität und Diskontinuität . Germania Inferior am Beginn und am Ende der römischen Herrschaft; Ergänzungsbände zum Reallexikon der Germanischen Altertumskunde 35, Berlin – New York, 119-144.
Vanderhoeven A. 2003: Tongres/Atuatuca. In: Ferdière A. (red.), Capitales éphémères en Gaule romaine, L’Archéologue 66, 19-20.
Vanderhoeven A. 2004a: Tongres – Atuatuca Tungrorum. In: Bayard D. & Mahéo N. (red.), La marque de Rome. Samarobriva et les villes du nord de la Gaule. Catalogue d’exposition, Amiens, 59-62.
Vanderhoeven A. 2004b: Tongres/Atuatuca (Belgique). In: Ferdière A. (red.), Capitales éphémères. Des capitales de cités perdent leur statut dans l’antiquité tardive. Actes du colloque organisé par le Laboratoire Archéologie et Territoires (UMR CITERNES). Tours, 6-8 mars 2003, 25e Supplément à la Revue Archéologique du Centre de la France, Tours, 481-485.
Vanderhoeven A. 2007: Tongres au Haut-Empire romains. In: Hanoune R. (ed.), Les villes romaines du Nord de la Gaule. Vingt ans de recherches nouvelles. Actes du XXVe colloque international de HALMA-IPEL UMR CNRS 8164, Revue du Nord. Hors Série. Collection Art et Archéologie 10, 309-336.
Vanderhoeven A. & Ervynck A. 2007: Not in my back yard? The industry of secondary animal products within the Roman civitas capital of Tongeren, Belgium. In: Hingley R. & Willis S (eds), Roman finds. Context and theory, Oxford, 156-175.
Vanderhoeven A., Martens M. & Vynckier G. 2001: Romanization in the central part of the civitas Tungrorum. In: Altekamp S. & Schäfer A. (eds), The impact of Rome on settlement in the Northwestern and Danube provinces, BAR International Series 921, 57-90.
Vanderhoeven A., Nouwen R. & Vynckier G. 1992: Tongeren. In: In: Willems W.J.H. (red.), Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn, Kunst und Altertum am Rhein 136, Mainz, 387-402.
Vanderhoeven A., Raepsaet-Charlier M.-Th., Van den Hove P. & Vynckier G. 2002: Tongres. In: Gauthier N., De la Hay R., Hellenkemper H., Panhuysen T., Raepsaet-Charlier M.-Th. & Vanderhoeven A. (red.), Topographie chrétienne des cités de la Gaule XII. Province ecclésiastique de Cologne (Germania Secunda), Paris, 75-89.
Vanderhoeven A., Van de Konijnenburg R. & De Boe G. 1987: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren, Archaeologia Belgica n.r. III, 127-138.
Vanderhoeven A. & Vanderhoeven M. 2004: Confrontation in archaeology: aspects of Roman military presence in Tongeren. In: Vermeulen F., Sas K. & Dhaeze W. (eds), Archaeology in confrontation. Aspects of Roman military presence in the Northwest. Studies in honour of prof. dr. em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, Gent, 143-154.
Vanderhoeven A., Van Rechem H. & Vynckier G. 2003: Een noodopgraving aan de Sint-Truidersteenweg te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 03 2003, Leuven, 75-76.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1991a: Het project “Stadsonderzoek” te Tongeren. De oudste (?) bewoning, Archeologie in Limburg 47, 1-7.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1991b: Het project “Archeologisch stadsonderzoek Tongeren”. Doelstellingen en eerste resultaten. In: Gallo-Romeinse vondsten in privé-bezit, tentoonstellingscatalogus, Tongeren, 13-19.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1992a: Stratigraphie du 1er siècle à Tongres et céramique belge. In: SFECAG. Actes du congrès de Tournai, Marseille, 59-69.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1992b: Romeins Tongeren, hoofdstad in de Lage Landen, Natuur en Techniek 60, 126-139.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1992c: Opgraving aan de Kielenstraat te Tongeren, Museumfax 1992, 2, 1-2.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1994: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Hasseltsestraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 1994, Archeologie in Vlaanderen IV, 75-83.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1995: Archeologische kroniek van Tongeren: de opgravingen aan het Vrijthof, Tongerse Annalen 9, 4, 59-61.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1996a: De archeologie van de Romeinse stad Tongeren. In: De Boe G. (red.), Archeologie in Vlaanderen, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen 1996, 3, 17-20.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1996b: De vroegste urbanisatie in Noord Gallië: mogelijke implicaties van recent onderzoek te Tongeren. In: Thoen H. & Vermeulen F. (eds), Romeinendag 13 maart 1996, Gent, 7.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1998a: Het archeologisch noodonderzoek van Romeins Tongeren in 1997. In: Lodewijckx M. (eds), Romeinendag 1 april 1998, Brussel, 6-7.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1998b: Tongeren: 11de-Novemberwal. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologisch kroniek van Limburg 1996, Limburg - het Oude Land van Loon 77, 1, 44-45.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1998c: Tongeren: O.L.V.-basiliek. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1996, Limburg - Het Oude Land van loon 77, 1, 45-48.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1998d: Tongeren: Kielenstraat. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1996, Limburg – Het Oude Land van Loon 77, 1, 48-51.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1999a: Tongeren: Elisabethwal. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1997, Limburg – Het Oude Land van Loon 78, 3, 213-216.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1999b: Tongeren: Kielenstraat. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1997, Limburg – Het Oude Land van Loon 78, 3, 216-219.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1999c: Tongeren: O.L.V.-basiliek. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1997, Limburg – Het Oude Land van Loon 78, 3, 219-221.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2002d: Tongeren: Romeinse Kassei. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1998, Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 3, 245-250.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2003e: Een rijk laat-Romeins graf aan de Darenbergstraat te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 03 2003, Leuven, 77.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2003f: De Romeinse bewoningssporen van de noodopgraving aan het Agnetenklooster te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 03 2003, Leuven, 79-80.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006a: Een noodopgraving aan de Mombersstraat te Tongeren. In: Bosman A., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine 06 05 2006, Gent, 7-9.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006b: Een noodopgraving aan de Driekruisenstraat te Tongeren. In: Bosman A., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine 06 05 2006, Gent, 11-13.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006c: De Romeinse sporen van een bijkomend noodonderzoek aan het Agnetenklooster te Tongeren. In: Bosman A., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine 06 05 2006, Gent, 15-16.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006d: Noodopgraving aan de Mombersstraat in Tongeren. In: Callebaut (red.), Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 33.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006e: Noodopgraving aan het Agnetenklooster in Tongeren: een sleuf met veel inhoud. In: Callebaut (red.), Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 34.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006f: De Driekruisenstraat in Tongeren: resten van de eerste stenen omwalling. In: Callebaut (red.), Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 35.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006g: De Vermeulenstraat in Tongeren: een internationale opgraving. In: Callebaut (red.), Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 36.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006h: Limburg: de Hondsstraat in Tongeren. De uitwerking van een noodopgraving. In: Callebaut (red.), Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. Een nieuw perspectief voor erfgoedonderzoek, Brussel, 106-107.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006i: Tongres. Chef lieu de municipe. In: Brulet (red.), La Belgique romaine, Dossiers Archéologie et Sciences des Origines 315, 16-21.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006j: Tongeren: Agnetenklooster. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2002, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 2, 166-170.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2006k: Tongeren, Darenbergstraat: een laat-Romeins graf. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2002, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 2, 170-173.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2008a: Een noodopgraving aan de Vermeulenstraat te Tongeren - 1. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van Bellingen S. (red.), Journée d'Archéologie Romaine 19 04 2008, Brussel, 121-124.
Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2008b: Een noodopgraving aan de vermeulenstraat te Tongeren - 2. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van bellingen S. (red.), Journée d'Archéologie Romaine 19 04 2008, Brussel, 125-128.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Cooremans B., Ervynck A., Lentacker A. & Van Heesch J. 2007: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Driekruisenstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2005, Relicta 3, 69-92.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Cooremans B., Ervynck A., Lentacker A. & Van Neer W. 2007: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de de Schaetzengaarde te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2004, Relicta 3, 159-182.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Cooremans B., Ervynck A., Lentacker A., Van Neer W. & De Groote K. 2007: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Mombersstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2005, Relicta 3, 93-158.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Ervynck A. & Cooremans B. 1992: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1990-1993. Deel 1. De vóór-Flavische periode, Archeologie in Vlaanderen II, 89-146.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Ervynck A., Cooremans B. & Wouters W. 1995/1996: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Koninksemsteenweg te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 1995, Archeologie in Vlaanderern V, 69-84.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Ervynck A., Van Neer W. & Cooremans B. 1994: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Minderbroedersstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 1991, Archeologie in Vlaanderen IV, 49-74.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Vandenbruaene M. & Ervynck A. 1995/1996: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Jaminéstraat te Tongeren. Eindverslag 1995, Archeologie in Vlaanderen V, 85-96.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1987: Tongeren (Limb.), Archeologie 1987, 2, 171-172.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1989a: Opgravingen aan de Hondsstraat te Tongeren, Museumfax 1989, 3, 3-4.
Vanderhoeven A. Vynckier G. & Vynckier P. 1989b: Recente opgravingen te Tongeren, Archeologie in Limburg 42, 257.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1990a: Opgravingen aan de Hondsstraat te Tongeren (vervolg), Museumfax 1990, 2, 3.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1990b: Tongeren (Limb.): noodopgraving aan de Hondsstraat, Archeologie 1990, 56-57.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1991: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren. Interimverslag 1987, Archeologie in Vlaanderen I, 107-124.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1992: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Hondsstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1989, Archeologie in Vlaanderen II, 65-88.
Vanderhoeven A, Vynckier G & Vynckier P. 1993: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Veemarkt te Tongeren. Eindverslag 1988, Archeologie in Vlaanderen III, 127-205.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Vynckier P. & Creemers G. 1988: Tongeren (Limb.): Veemarkt, Archeologie 1988, 2, 190-200.
Vanderhoeven M. 1975: De terra sigillata te Tongeren IV. Analytische inventaris van de stempels in openbaar en privaat bezit, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 21, Tongeren.
Vanderhoeven M. 1979: De terra sigillata te Tongeren V. De radjessigillata, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 27, Tongeren.
Vanderhoeven M. 1998: Un dépot pré-Flavien à Tongres. In: Bird J. (ed.), Form and fabrics. Studies in Rome’s material past in honour of B.R. Hartley, Oxbow Monograph 80, Oxford, 183-190.
Van Doorselaer A. 1973: Temples et sites sacrés en Belgique et aux Pays-Bas. In: Chevallier R. (ed.), Actes du colloque pour une géographie sacrée de l’Occident Romain. Problèmes topographiques posées par l’implantation des sanctuaires, Caesarodunum 8, 16-23.
Van Doorselaer, A. & Brulet, R. 1994: Romains et Germains dans une région frontalière, In: Lodewijckx, M. (red.), Bijdragen tot de studie van bewoningscontinuïteit. Contributions à l’étude de la continuité de l’habitat, Acta Archaeologica Lovaniensia 33, 7-24.
Van Heesch J. 1987: De muntcirculatie in Romeins Tongeren tijdens de 1ste eeuw n.C.: een voorlopig verslag, Archeologie 1987, 1, 37-38.
Van Heesch J. 1996: Les monnaies augustéennes sur quelques site belges. Contribution à l’étude de la chronologie de l’occupation romaine du nord de la Gaule. In: Lodewijckx M. (ed.), Archaeological and historical aspects of West-Eurpean societies. Album amicorum André Van Doorselaar, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, 95-107.
Van Laere R. 1985: Karolingische munt te Tongeren gevonden, Revue Belge de Numismatique 131, 220-221.
Van Laere R. 1991: Twee Limburgse muntschatten, Het Oude Land van Loon 46, 151-176.
Van Laere R. 1999-2000: Een muntdepot uit het begin van de 20ste eeuw aan het Vrijthof te Tongeren (prov. Limburg), Archeologie in Vlaanderen VII, 319-328.
Van Laere R. 2001: Van Romeins tot middeleeuws Tongeren. Twee losse vondsten, Limburg – Het Oude Land van Loon 80, 4, 379-382.
Van Rechem H. (red.) s.d.: Nieuwsbrief Archeologische Opgravingen O.L.V.-Basiliek 1.
Van Rechem H. (red.) 1999-2000: Nieuwsbrief Archeologische Opgravingen O.L.V.-Basiliek 2.
Van Rechem H. (red.) 2000a: Nieuwsbrief Archeologische Opgravingen O.L.V.-Basiliek 3.
Van Rechem H. (red.) 2000b: Nieuwsbrief Archeologische Opgravingen O.L.V.-Basiliek 4.
Van Rechem H. 2003: Restauratie O.L.V.-geboorte basiliek Tongeren. Archeologische opgravingen fase 1, Tongeren.
Van Rechem H. (red.) 2005a: Archeologische opgravingen Fase 2, Nieuwsbrief O.L.V.-Geboorte Basiliek Tongeren 1.
Van Rechem H. (red.) 2005b: Archeologische opgravingen fase 2, Nieuwsbrief O.L.V.-Geboorte Basiliek Tongeren 2.
Van Rechem H. (red.) 2005c: Archeologische opgravingen fase 2, Nieuwsbrief O.L.V.- Geboorte Basiliek Tongeren 3.
Van Rechem H. (red.) 2006a: Archeologische opgravingen fase 2, Nieuwsbrief O.L.V.-Geboorte Basiliek Tongeren 4.
Van Rechem H. (red.) 2006b: Archeologische opgravingen fase 2-3, Nieuwsbrief O.L.V.-Geboorte Basiliek Tongeren 5.
Van Rechem H. (red.) 2008: Archeologische opgravingen fase 2-3, Nieuwsbrief O.L.V.-Geboorte Basiliek Tongeren 6.
Van Rechem H. & Vynckier G. 2006: Tongeren: Sint-Truidersteenweg. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2001, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 1, 57-60.
Vanvinckenroye W. 1975: Tongeren Romeinse stad, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum van Tongeren 23, Tongeren.
Vanvinckenroye W. 1976: Tongeren: opgravingen en prospecties, Archeologie 1976, 1, 18-20.
Vanvinckenroye W. 1977: Tongeren (Z.W.-sector): aanvullend onderzoek van het magazijnencomplex extra-muros, Archeologie 1977, 2, 89-90.
Vanvinckenroye W. 1979: Een Romeins gebouwencomplex extra muros te Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 26, Tongeren.
Vanvinckenroye W. 1982: Tongeren: Oost-nekropool. Christelijke begraafplaats, Archeologie 1982, 2, 88-89.
Vanvinckenroye W. 1983: Tongeren (oost-nekropool): Christelijke begraafplaats?, Limburg 62, 3, 137-138.
Vanvinckenroye W. 1984: De Romeinse zuidwest-begraafplaats van Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 29, Tongeren.
Vanvinckenroye W. 1985: Tongeren Romeinse stad, Tielt.
Vanvinckenroye W. 1987: Middeleeuwse kerk onder de St.-Evermaruskapel te Rutten, Archeologie in Limburg 31, 12-14.
Vanvinckenroye W. 1989: Terra sigillata uit een Romeinse stortplaats te Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 41, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1990: De opgraving aan de Jaminéstraat te Tongeren, Museumfax 1990, 3, 4-5.
Vanvinckenroye W. 1991: Het archeologisch onderzoek in de binnenplaats van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum, Museumfax 1991, 2, 3-4.
Vanvinckenroye W. 1992a: Het Gallo-Romeins aardewerk van Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 44, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1992b: Enkele beschouwingen over Tongeren in de Augusteïsche tijd, Tongerse Annalen 1992, 1, 1-10.
Vanvinckenroye W. 1992c: De datering van de grote stadsmuur van Tongeren, Museumfax 1992, 2, 6-7.
Vanvinckenroye W. 1994a: Een Romeins votiefaltaar te Tongeren, Limburg 73, 4, 225-237.
Vanvinckenroye W. 1994b: Een bijdrage tot het stadskernonderzoek van Romeins Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 46, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1995a: Some reflections on Tongeren (prov. Limburg) in the Augustan era. In: Lodewijckx M. (ed.), Archaeological and historical aspects of West-European societies. Liber amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 109-121.
Vanvinckenroye W. 1995b: Laat-Romeins uit Tongeren, Limburg 74, 2, 117-120.
Alain Vanderhoeven
Vanvinckenroye W. 1995c: De Romeinse oostbegraafplaats van Tongeren, Limburg 74, 3, 151-184.
Vanvinckenroye W. 1997: Een Romeinse phalera uit Tongeren, Limburg – Het Oude Land van Loon 76, 1, 95-96.
Vanvinckenroye W. 2001: über Atuatuca, Cäsar und Ambiorix. In: Lodewijckx M. (ed.), Belgian archaeology in a European setting I and II. Album amicorum Joseph Remi Mertens, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 12 en 13, Leuven, 63-67.
Vilvorder F. 2004: Les brûle-parfums. In: Brulet R. & Vilvorder F. (eds), La céramique cultuele et le rituel de la céramique en Gaule du Nord, Collection D’Archéologie Joseph Mertens XV, Louvain-la-Neuve, 17-22.
Vynckier G., De Bie M. & Vanderhoeven A. 1994: Een neolithisch site te Tongeren, Notae Praehistoricae 14, 201-211.
Vynckier G., De Bie M. & Vanderhoeven A. 1995: Tweede opgravingscampagne bij de Elfde Novemberwal te Tongeren, Notae Praehistoricae 15, 137-139.
Vynckier G. & Vanderhoeven A. 1999: Noodonderzoek op het zuidwestelijk grafveld van Romeins Tongeren. In: Thoen H., Vermeulen F., De Boe G., Lodewijckx M. & Rogge M. (eds), Romeinendag 25 maart 1999, Gent, 23-26.
Wankenne A. 1983: Les débuts de l’évangélisation en Belgique. Apports récents de l’archéologie, Miscellanea Archaeologica in honorem H. Roosens, Archaeologia Belgica 255, Brussel, 179-188.
Wesemael E. 1998: De terra sigillata uit de collectie Box – Jadoulle in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren, Licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
Wesemael E. 2000: De terra sigillata uit de collectie Box-Jadoulle in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren. In: Lodewijckx M. (red.), Romeinendag Leuven 19 april 2000, Leuven, 53-57.
Wesemael E. 2002: Tongeren: de terra sigillata uit de collectie Box-Jadoulle in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1998, Limburg – Het Oude Land van Loon 81, 3, 259-260.
Willems S. 2003: De referentiecollectie van Romeins aardewerk te Tongeren: een stand van zaken. In: Lodewijckx M. & Corbiau M.-H. (eds), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 08 02 2003, Leuven, 89-90.
Willems S. 2004: Opsporing verzocht: Italische wrijfschalen (40 – 160 AD). De vondst van een zware Italische wrijfschaal te Tongeren, site Hondsstraat. In: Lodewijckx M. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag. Namur 24 04 2004, Namur, 81-83.
Willems S. 2005: Roman pottery in the Tongeren reference collection: mortaria and coarse wares, VIOE-Rapporten 01, Brussel.
Wouters W., Ervynck A., Cooremans B., Van Neer W. & Van Bulck G. 1994: Een postmiddeleeuwse beerput aan de Hasseltse Poort te Tongeren (prov. Limburg), Archeologie in Vlaanderen IV, 323-363.
Wyns S. 2008: Tongeren, de Colruyt-site, Vlaams Archeologisch Rapport 1, ADC-Rapport 1135, Amersfoort.
X. 1997: Conservation and accessibility of Roman Europe. Three Roman temples. Colchester Maastricht Tongeren. A case study on reconstrcution of ancient monuments based on archaeological research. Proceedings from the first year 1997, Colchester, Maastricht, Tongeren.
X. 1999: Conservation and accessibility of Roman Europe. Final report 1999, Colchester, Maastricht, Tongeren.
Het proces van integratie in het Romeinse Rijk, dat na de verovering van onze gebieden plaatsvond, is momenteel nog moeilijk in kaart te brengen. Wel is het duidelijk dat dit proces een intensievere exploitatie van het landschap met zich meebracht. Er werden meer gronden in gebruik genomen voor landbouw en veeteelt door villa’s en boerderijen. Er werden meer natuurlijke grondstoffen zoals hout, gesteente, klei en leem geëxploiteerd voor de bouw van huizen, de productie van gebruiksvoorwerpen, enz. Ook op cultureel en religieus gebied vond er een verandering plaats. Vanaf de Augusteïsche periode zien we dan ook een aantal landelijke centra of vici ontstaan.
Met een vicus bedoelen we een landelijke nederzetting met centrumfuncties voor de omgeving op religieus, economisch en/of administratief vlak. De huidige stand van het onderzoek laat een meer concrete definitie van dit type nederzetting niet toe. 1 De term ‘vicus’ heeft vooral door het langdurige gebruik zijn intrede gemaakt in het vakjargon van archeologen. We gaan hier echter niet dieper in op het probleem van de terminologie van het woord vicus. (Picard 1986: 48-49; Wightman 1986: 59-64; Hiddink 1991: 204-219; Petit & Mangin 1994: 7-15)
Momenteel worden de volgende vindplaatsen door het merendeel van archeologen als een vicus beschouwd:
Er zijn ook een aantal vindplaatsen waarrond nog twijfel bestaat of het om een landelijk centrum gaat:
Van Antwerpen en Kerkhove neemt men momenteel aan dat het geen vici waren.
Geen enkele van de hierboven vermelde ‘vici’ is voldoende onderzocht om een volledig inzicht te krijgen in dit type nederzetting. Van bepaalde vici werden vooral ambachtelijke zones opgegraven, van andere vooral de tempels en van nog andere enkele woningen. Ook de relatie tussen een vicus en de regio op economisch, administratief en cultureel gebied is nauwelijks bestudeerd. Het gevolg is een zeer versnipperd beeld van deze belangrijke nederzettingsvorm in de Romeinse tijd. Het is wel mogelijk een overzicht te geven van de huidige kennis over enkele al dan niet gemeenschappelijke kenmerken van vici in Vlaanderen. Achtereenvolgens bespreken we het ontstaan, de rol, de landschappelijke context, de morfologie, de publieke, de private en de religieuze gebouwen.
Het gebrek aan onderzoek laat momenteel niet toe diep in te gaan op de ontstaansgeschiedenis van vici. Voor geen enkele van de vici kon een continuïteit van bewoning vastgesteld worden tussen de Laat La Tène en de vroeg-Romeinse periode. (Magerman 2006: 148) De meeste vici ontstonden of werden gesticht op nieuwe plaatsen: langs een belangrijke weg of een kruispunt van wegen, bij een oversteekplaats van een rivier, bij een heiligdom, bij een militair kamp, in de buurt van belangrijke grondstoffen of een combinatie van deze elementen.
In de vici van Velzeke en Tienen werd al bewoning vastgesteld in de Augusteïsche periode.
In Velzeke kwamen een aantal V-grachten aan het licht die mogelijk behoorden tot een militaire structuur. Het gaat hier wellicht om een vicus die ontstond bij een militair kamp. (Rogge 1980: 71-75) Het onderzoek van munten geeft aan dat ook Asse, Kruishoutem en Grobbendonk waarschijnlijk in de Augusteïsche periode gesticht werden. (Magerman 2006: 148-149) Aan de zuidwestelijke rand van de vicus van Tienen kan een vierkant omgracht enclos (zijde 40 m) en een boerderij in verband gebracht worden met de stichting van de vicus in de Augusteïsche periode. (Martens et al. 2002: 388-401) De huidige stand van het onderzoek toont aan dat andere vici later in de 1ste eeuw ontstonden (Magerman 2006: 148-149). Een centrale vraag bij het ontstaan van de vici is in hoeverre de Romeinse overheid een rol speelde bij de stichting van de vici.
Vici speelden een belangrijke rol in de Gallo-Romeinse samenleving. Onderzoek wijst vooral uit dat de meeste vici gericht waren op handel en productie voor de regio. De grootte en het belang van een vicus in een bepaalde periode lijkt afhankelijk van de ligging, het succes van de ambachtelijke productie en de nabijheid van andere vici of steden. In de leem -en zandleemstreek spelen vici vaak een centrale rol voor de omliggende villae en andere vici. De vici in de zandstreek spelen wellicht een centrale rol voor de omliggende boerderijen of nederzettingen bestaande uit meerdere boerderijen. (Magerman 2006) (Magerman 2008) In hoeverre sommige vici een rol speelden op administratief gebied is momenteel moeilijk te bestuderen, vooral omwille van het gebrek aan epigrafische bronnen en de geringe kennis van de vici zelf. Recent onderzoek wijst wel uit dat de meeste vici belangrijke ambachtelijke productiecentra waren.
In een aantal vici werden meerdere pottenbakkersovens opgegraven: Tienen, Asse, Elewijt en Rumst, Kontich, Grobbendonk en Wervik. Wel valt op dat geen enkele vicus, met uitzondering van Tienen, een continue keramiekproductie had. Waarschijnlijk speelde de aanwezigheid van geschikte klei aan de rand van de vicus van Tienen en zijn centrale ligging hierin een belangrijke rol. Een studie van de types en baksels van het aardewerk van de pottenbakkersateliers van de andere vici zou het mogelijk maken een inzicht te krijgen in het afzetgebied van deze vici en hun relatie met de regio. In bijna alle vici konden activiteiten van bronsgieters en/of ijzersmeden aangetoond worden. Metaalnijverheid vond blijkbaar plaats in een artisanale zone die vaak aan de rand van de nederzetting gelegen was. (Magerman 2006: 146) In de vicus van Tienen kon een grote wijk met pyroclastische ateliers, waar ook glasproductie plaatsvond, vastgesteld worden. Op één plaats in deze wijk werd een groot stenen gebouw opgegraven, met oventjes die in de verschillende fasen in verschillende lagen van de lemen vloer waren ingewerkt. (Martens et al. 2006) Opvallend is ook de aanwezigheid van mogelijke valsmunterateliers in Rumst. (van Heesch 1991: 78-81) In vici werden ongetwijfeld nog talrijke andere producten vervaardigd, waarvan het productieproces minder duidelijke sporen nalaat, zoals houten voorwerpen, textiel, voorwerpen in bot of hoorn. (Magerman 2006: 146-147)
Naargelang de kwaliteit werden de voorwerpen geproduceerd voor de inwoners van de landbouwuitbatingen in de regio, van andere vici en van de stad Tongeren. Aangezien een zeer groot deel van de materiële cultuur in de vici werd geproduceerd, spelen deze een grote rol in het ontstaan en de creatie van de Gallo-Romeinse cultuur in dit gebied. Het is immers duidelijk dat bijvoorbeeld voor aardewerk alle producerende vici zowel imitaties als eigen creaties op de markt brachten van voorwerpen die onderhevig waren aan mode. Typisch Romeinse gebruiksvoorwerpen, zoals mortaria en wierookkelken, werden lokaal geproduceerd en wijd verspreid, zodat vaak ook de bijhorende Romeinse gebruiken in onze streken verspreid werden.
In hoeverre de bewoners van de vici zelf actief waren in landbouw en veeteelt is onduidelijk. Verschillende auteurs zijn van mening dat de inwoners van de vici als seizoensarbeiders betrokken waren in de landbouw en/of de veeteelt op naburige villadomeinen waarbij ze in de vicus niet of enkel op kleinere schaal in de landbouw en veeteelt betrokken waren. (Von Petrokovits 1977 : 127-131 ; Drinkwater 1983 : 179-182; Oelmann 1923 : 87) Het ziet er ook naar uit dat de landbouwfunctie van een vicus in de loop van de tijd kon verdwijnen. (Hiddink 1991 : 216) Het is mogelijk dat het verdwijnen van de inheemse types van houten woningen 68 een indicatie is van het einde van de agrarische activiteiten binnen in een nederzetting.
In hoeverre vici in onze gebieden een rol speelden in de organisatie van de voorziening van de Romeinse troepen aan de Rijngrens is nog niet onderzocht. Verdere inzichten in deze processen kunnen verkregen worden door onderzoek van de al opgegraven gegevens en bijkomend onderzoek.
Agglomeraties met stedelijke kenmerken of vici komen zowel in de leemstreek voor als in de zandleemstreek en de zandstreek. Een aantal vici liggen in een overgangsgebied van verschillende bodemtypes. Kontich ligt in de zandstreek en Kester in de leemstreek. Asse en Velzeke bevinden zich op de overgang van zandleem naar leem. Kruishoutem, Grobbendonk en Elewijt liggen op de overgang van zand naar zandleem.
De vici van Asse, Kester, Elewijt, Velzeke, Kontich, Grobbendonk zijn ingeplant op een plateau. Wervik, Kortrijk, Destelbergen en Waasmunster-Pontrave liggen in de alluviale vlakte van een rivier, wellicht bij een brug of een doorwaadbare plaats. De meeste vici zijn gelegen in de onmiddellijke nabijheid van beken en/of rivieren. Mogelijk werden deze waterwegen gebruikt voor transport van goederen. Hun aanwezigheid kan eveneens een rol gespeeld hebben in de ontwikkeling van bepaalde ambachtelijke activiteiten zoals leerbewerking. (Magerman 2006: 140) Van essentieel belang voor de groei van een vicus is de ligging langs een belangrijke Romeinse weg of de verbinding hiermee. In het kader van zijn Germanië-politiek en met het oog op de veroveringen van Brittannië liet Augustus enkele wegen aanleggen die de Kanaalkusten verbonden met de Rijn. Eén van de belangrijkste wegen verbond Boulogne met Keulen, over de vicus van Velzeke, mogelijke Asse, Tienen en Tongeren. In Asse werd een Y-splitsing aangetroffen waarvan de ene tak naar Elewijt liep en de andere naar Rumst. Een andere belangrijke weg vertrok vanuit Bavay dat een belangrijk wegenknooppunt was. Deze weg, die archeologisch gezien vrij goed gekend is, liep naar het oosten over Liberchies, Baudecet, Taviers en Braives naar Tongeren om uiteindelijk in Keulen terecht te komen.
Ondanks het geringe onderzoek van grote oppervlakken van Vlaamse vici kunnen we stellen dat ze op verschillende manieren ontstaan en gegroeid zijn en dat er meerdere soorten grondplannen mogelijk waren. Het lijkt er op dat sommige vici, zoals waarschijnlijk Grobbendonk (De Boe 1986 : 108, 112) en Waasmunster-Pontrave, (Van Hove 1996 : 71) gekenmerkt worden door lintbebouwing langs één weg. Indien een vicus ontstond rond een kruispunt van wegen werd een centrum gevormd met lintbebouwing langs deze wegen. Dit lijkt het geval voor Asse (Michiels 2001 : 166), Tienen (Vanderhoeven et al. 2002 : 134) en Velzeke. (De Mulder 1999 : 10 ; Rogge 2004 : 47-48) Aan de rand van de vicus werden 1 of meerdere grafvelden aangelegd. De meeste vici zijn te weinig onderzocht om hun grootte juist te kunnen inschatten. Toch kunnen we werken met een aantal hypothetische grootteordes. De grootte van kleinere vici varieerde vermoedelijk van 2 à 3 tot 10 à 12 ha. Elewijt, Waasmunster-Pontrave, Velzeke en Asse liggen in de categorie van 15 tot 35 ha (Magerman 2006: 149). Recente opgravingen in Tienen doen zelfs vermoeden dat deze vicus een oppervlakte van 60 ha had. (Martens 2004; 2007)
De aanwezigheid van publieke bouwwerken karakteriseert een agglomeratie met een zekere centrale organisatie. Met publieke werken bedoelen we activiteiten die door en voor de gemeenschap werden uitgevoerd. De financiering ervan gebeurde doorgaans door leden van de lokale aristocratie (ordo decurionum), voor wie dit vaak een uiting van sociaal-politieke competitie was. Bij opgravingen in vici in Vlaanderen werden echter nog maar weinig structuren aangetroffen die met zekerheid als publiek gebouw te identificeren zijn. Publieke ontspanningsgebouwen, zoals theaters of amfitheaters teruggevonden in Blicquy-Ville d’Anderlecht, waren waarschijnlijk aanwezig, maar werden nog niet ontdekt. (Magerman 2006: 143) In Grobbendonk (De Boe 1977: 36-40) (Van Dyck 1982) (De Boe 1986: 113), Tienen (Vanderhoeven & Vynckier 1996) (Vanderhoeven, Vynckier & Wouters 1997-1998) en mogelijk ook in Velzeke (De Mulder en Deschieter 2005: 30) en in Oudenburg (Mertens & Van Impe 1971) (Creus 1975) (Mertens 1987) werd een badgebouw aangetroffen ; In Grobbendonk en Tienen werden ook mogelijke horrea aangetroffen (De Boe 1977: 17-18; Vanderhoeven, Vynckier & Wouters 1997 ) In Velzeke werd een gebouw geïdentificeerd als een mogelijke baanpost. (Deschieter & Demulder 2005)
Aquaducten werden in vici niet met zekerheid herkend. Aan- en afvoerbuizen in hout of terracotta komen beperkt voor. Op het Grijpenveld in Tienen werd een waterleiding met houten buizen ontdekt die voorzag in de aanvoer van water naar het badgebouw, opgegraven in de Zijdelingsestraat. (Martens 1999) De vondst van een bronzen reptielenkop met opengesperde muil kan duiden op de aanwezigheid van een fontein in Asse. (Michiels 2001: 135) In geen enkele van de vici werd het eigenlijke centrum onderzocht. Het blijft vooralsnog een vraagteken hoe deze centra georganiseerd waren en of er fora, basilica en andere typische Romeinse elementen aanwezig waren.
Een laatste structuur die tot het publieke domein lijkt te hebben behoord, is de ceremoniële ruimte uit de Augusteïsche periode op het Grijpenveld in Tienen. Het gaat om een vierkant plein, omgeven door een gracht, met binnen dit areaal een vooralsnog moeilijk te interpreteren houtbouw. We vermoeden dat zich in deze zone op bepaalde tijdstippen grote mensenmenigten verzamelden, o.a. voor het houden van feestmaaltijden. Daarmee vertoont deze structuur, waarvan in Vlaanderen tot op heden parallellen lijken te ontbreken, grote verwantschap met de zgn. Viereckschanzen uit de ijzertijd en gelijkaardige complexen uit Frankrijk.
Typisch voor vici zijn de zgn. Streifenhäuser, lange, smalle gebouwen die met hun korte zijde naar de straat georiënteerd zijn. Deze huizen hebben vaak een stenen sokkel en zijn verder opgetrokken in vakwerk. Deze gebouwen waren mogelijk woningen, ateliers of winkels of een combinatie van meerdere functies. Ze werden in Vlaanderen enkel aangetroffen in de vici van Grobbendonk en Tienen. Over de herkomst van dit huistype is niets bekend. Waarschijnlijk gaat het om een creatie uit de Gallo-Romeinse periode zelf, ontwikkeld op maat van de door de samenleving van die tijd en nederzettingsvorm gevoelde behoeften.
Naast deze zgn. vicushuizen werden in vici ook gebouwen in hout aangetroffen. In Grobbendonk en Kontich gaat het om huizen van het Alphen-Ekeren type: een tweeschepige plattegrond met een centrale rij nokbalkdragers, diep in de bodem ingeplant. Huizen van het type Oss-Ussen (langswanden bestaande uit een dubbele rij van paarsgewijs geschikte palen) werden enkel in de vicus van Kontich aangetroffen. Voorbeelden van woningen gebouwd op ligbalken werden tot nu toe enkel in Grobbendonk herkend. Enkel in de vicus van Velzeke werd met zekerheid een drieschepig type blootgelegd. (De Mulder & Deschieter 2004) (De Mulder & Deschieter 2005) In de vicus Tienen werd in de Augusteïsche fase een houten gebouw van het Oss-Ussentype aangetroffen aan de rand van de nederzetting. Binnen het enclos bevond zich eveneens een inheems gebouw met centrale nokbalkdragers. (Martens et al. 2002)
Het zeer beperkte onderzoek totnogtoe uitgevoerd in vici laat niet toe een analyse te maken van de aanwezigheid van tempels en hun respectievelijke goden in vici. In Grobbendonk, Kontich en Velzeke werden typische Gallo-Romeinse omgangstempels aangetroffen. Dit zijn tempels met een centrale cella, omgeven met een zuilengaanderij of porticus. Opvallend is de aanwezigheid van een Mithras-heiligdom in de vicus van Tienen. (Martens 2004; Martens 2007; Martens 2008)
De meeste vici kenden een bloei vanaf de Flavische periode tot in de loop van de 2de eeuw n.Chr. In het laatste kwart van die eeuw veranderde de situatie wellicht onder de toenemende druk van de invallende volkeren en de politieke instabiliteit van het Romeinse Rijk. De vicus van Oudenburg bleef echter nog belangrijk tot in het derde kwart van de 3de eeuw dankzij de militaire aanwezigheid vanaf ca. 200 n.Chr. Vooral vanaf 275 n.C. verdwenen een aantal vici. 69 Enkel in Asse en Tienen leek de bewoning langer stand te houden.
De huidige stand van het onderzoek van de agglomeraties met stedelijke kenmerken of vici laat niet toe een duidelijk beeld te geven van dit soort nederzettingen in Vlaanderen. Enerzijds werd geen enkele vicus voldoende onderzocht om een volledig beeld te kunnen geven van de ruimtelijke structuren en de verschillende functies van de vicus. Anderzijds werd het opgegraven materiaal ook te weinig bestudeerd en ontsloten. Bovendien ontbreekt een syntheseonderzoek en een onderzoekskader met vraagstellingen voor deze belangrijke categorie van nederzettingen in Vlaanderen. We kunnen binnen het bestek van de onderzoeksbalans archeologie maar een beperkt aantal onderzoeksvragen poneren.
Hoe ontstonden vici? Werden ze gesticht onder impuls van de locale gezagdragers van de Romeinse overheid of groeiden deze nederzettingen eerder spontaan, vanuit een economische behoefte? Voor de vici van Tienen en Velzeke is een stichting in de Augustëische periode verzekerd, maar ook voor Asse, Kruishouten en Grobbendonk wijst het muntenonderzoek in deze richting. Het lijkt op zijn minst aannemelijk dat de Romeinse gezagsdragers, misschien met behulp van het leger, de organisatie van deze centra ondersteunden en faciliteerden.
Bijkomend onderzoek kan ook in andere vici vroegere structuren aan het licht brengen.
Over de rol van vici op administratief en cultureel gebied is weinig bekend. Bij opgravingen werden totnogtoe, buiten badgebouwen, weinig of geen publieke gebouwen aangetroffen. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het geringe onderzoek in de Vlaamse vici.
Bijkomend onderzoek kan eveneens meer inzicht bieden in de ruimtelijke planning van de vici en de mate waarin er sprake is van een planning van de interne structuur van het
wegennet en de perceelsindeling. Momenteel zijn ook onvoldoende gegevens voorhanden om een inzicht te verkrijgen in de evolutie van de ruimtelijke ontwikkeling van de vici en van de evolutie van de private architectuur op zich.
Bijkomend onderzoek is zeker ook nodig om de economische rol van de verschillende vici en de stempel die deze drukten op de ontwikkeling van verschillende regio’s en vice-versa te begrijpen. Verder onderzoek van het al opgegraven vondstenmateriaal kan ook al meer inzichten bieden in deze rol van vici. Zo is er nood aan een typologische studie van het aardewerk van de verschillende productieplaatsen en een karakterisering van hun baksel. Verder onderzoek kan dan een licht werpen op de grootte van het netwerk van handelsrelaties van de vici met hun regio, met elkaar en met de hoofdstad Tongeren in de verschillende periodes. Door de mogelijkheid om aardewerk van de verschillende productieplaatsen te herkennen, kunnen netwerken van handelsrelaties van de vici met hun regio, met elkaar en met de hoofdstad Tongeren in de verschillende periodes blootgelegd worden. De al opgegraven resten van ateliers en activiteiten van bronsgieters en ijzersmeden verdienen eveneens een grondig onderzoek. Het is belangrijk te weten te komen waar de grondstoffen voor deze producties vandaan komen.
Totnogtoe werden in vijf vici gebouwen met een religieuze functie opgegraven. In Grobbendonk, Kontich en Velzeke werden typische Gallo-Romeinse omgangstempels aangetroffen. In Tienen werd een mithraeum opgegraven. Verder onderzoek van religieuze praktijken in vici dringt zich dan ook op.
Nauw verbonden met de vraag naar de rol en functie van de vici is ook een verdere studie noodzakelijk van de landschappelijke context van vici en hun inplanting t.o.v. het wegennet, de waterwegen en de aanwezigheid van natuurlijke grondstoffen en de verschillen in landgebruik.
De Romeinse landelijke bewoning is zeer verscheiden en kan, zij het min of meer kunstmatig, opgedeeld worden in landelijke centra of vici, en vormen van meer verspreide bewoning. Deze laatste categorie laat zich, andermaal met enige moeite, verdelen in villae en inheems-Romeinse landelijke nederzettingen. Dit hoofdstuk legt zich toe op de stand van onze kennis van de villae. De inheems-Romeinse landelijke bewoning komt verder aan bod. De indeling sluit aan op een al lang bestaande traditie die beide vormen van verspreide landelijke bewoning als gescheiden werelden beschouwde. Inmiddels is men tot het inzicht gekomen dat nederzettingsvormen meer verwant en geïntegreerd zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Zowel de zgn. Romeinse villae als de zgn. inheemse landelijke nederzettingen zijn de uitkomst van romaniseringstrajecten, waarbij men Romeinse en inheemse waarden met elkaar probeerde te verzoenen en keuzes maakte die tot verschillende uitkomsten leidden. (Roymans 1996) Alleen om pragmatische redenen houden we in deze onderzoeksbalans de traditionele indeling aan, al is het soms moeilijk een vindplaats in één of andere categorie onder te brengen, hetzij omdat nog te weinig van de site bekend is, hetzij omdat de waargenomen bewoningsstructuren zich niet als typisch voor de één of de andere nederzettingsvorm manifesteren. In principe hebben villae met vici als archeologisch herkenbare nederzettingsvorm gemeenschappelijk dat belangrijke delen van het gebouwenbestand in steen werden opgericht. De architectuur van inheems-Romeinse landelijke nederzettingen is vrijwel volledig in hout en leem gebouwd. Men paste er veel minder de uit de Romeins-mediterrane wereld geïmporteerde bouwconcepten en –technieken toe. De in dit hoofdstuk als villa geïnterpreteerde nederzettingen hebben een lay-out die van deze van de vicus verschilt. Wanneer het om opgegraven delen van nederzettingen gaat laat zich dat van de plattegrond aflezen. Wanneer de sites maar van prospectievondsten bekend zijn nemen de oppervlaktevondsten onvoldoende areaal in beslag om aan een vicus te kunnen worden toegeschreven, maar leveren ze wel aanwijzingen voor steenbouw op.
Van oost naar west strekt zich in Vlaanderen in de vruchtbare leemstreek en met uitlopers in de Maasvallei en op de zandleemgronden in de Romeinse tijd een villalandschap uit. Het systeem van de Romeinse villa’s is met niets uit vroegere of latere perioden vergelijkbaar. Het is een organisatie van landbouwexploitaties, ingericht om voor markten te produceren. Lange tijd is men ervan overtuigd geweest dat villa’s door Romeins-mediterrane kolonisten waren bewoond. Er werd daarbij vooral aan afgezwaaide militairen uit de limeszone gedacht. De lay-out en wijze van bedrijfsvoering leken immers een fundamentele breuk met de voor-Romeinse tijd te zijn. In een recent verleden heeft men het villasysteem aan inheemse ontwikkelingen willen koppelen. De eigenaars (en bewoners van de pars urbana) kwamen uit de inheemse elites voort, de arbeidskrachten uit hun cliënteel. Het villasysteem werd vergeleken met de zgn. peasant societies, een maatschappijvorm met afhankelijke boeren, die voor concrete markten (d.w.z. marktplaatsen) werkten en zo het niet in de landbouw werkend deel van de bevolking van levensmiddelen voorzagen. (Slofstra e.a. 1982 en 1985) Dit onderscheidt hen van de quasi louter zelfvoorzienende keuterboer uit de voor-Romeinse ijzertijd, maar ook van de industriële ‘agrariër’ van de huidige samenleving, die zijn middelen voor de moderne, meer virtuele markten inzet. (d.w.z. uiteindelijk de wereldmarkt)
Eind jaren 1960 en begin jaren 1970, het begin van de periode waarover deze onderzoeksbalans zich uitstrekt, werd in een reeks publicaties de stand van zaken van de toenmalige kennis over Romeinse villae in ons land opgemaakt. (De Boe 1971a, 1971b en 1973; cf. Mertens 1975; Laurent e;a. 1972; cf. De Boe 1972A; Raepsaet & Raepsaet-Charlier 1975, 102-125) Er werd toen een ernstige achterstand op het gebied van villa-onderzoek ten opzichte van de ons omringende landen vastgesteld. De opsomming door De Boe (1971b en 1973) van de diverse hiaten in onze kennis kan vandaag, mits enige uitbreiding, als leidraad dienen bij het maken van de onderzoeksbalans van de Romeinse villa's in Vlaanderen: (1) de kennis van de architectuur en inrichting van de villaterreinen, (2) de chronologische ontwikkeling met de datering en fasering van de stenen villa's vanaf hun verschijnen omstreeks het midden van de 1ste eeuw tot hun verdwijnen in de tweede helft van de 3de eeuw en de bewoningsgeschiedenis van de sites die eraan voorafgaat en/of erop volgt, (3) de verspreiding van de villa's in het landschap en de daaraan verbonden vraag naar de omvang van de domeinen, (4) de economische en (5) de sociale aspecten, waaraan we inmiddels ook (6) de culturele kunnen toevoegen. Om de toenmalige kennishiaten op te vullen drong men aan op (a) doorgedreven systematische veldkarteringen, (b) nauwkeurigere stratigrafische opgravingen dan tot dan gebruikelijk was, met bijzondere aandacht voor houtbouw en (c) opgravingen van volledige villa's, met zowel het woongedeelte (pars urbana) als het bedrijfsgedeelte (pars rustica). Aan deze lijst zou men tegenwoordig nog twee onderdelen kunnen toevoegen: (d) een systematisch opsporen van zgn. off site-verschijnselen (m.n. sporen van villa-gebonden landindeling en verkeersinfrastructuur, begravingen en cultusplaatsen) en (e) een systematische inmeting en inzameling van mobiele vondsten (zowel gebruiksvoorwerpen als architectuurresten) en bemonstering van ecologisch-archeologisch materiaal (dierlijke en plantaardige resten).
Globaal situeren zich in Vlaanderen twee regio's die in de Romeinse tijd door een villalandschap gekenmerkt werden: de centrale leemzone in de civitas Tungrorum, met een uitloper in de Maasvallei, en de zandleemzone in de civitas Nerviorum en civitas Menapiorum. Wat is de voorbije jaren met de suggesties van De Boe (1971a, 1971b en 1973) gedaan?
De belangrijkste prospecties van villaterreinen in het zuiden van de provincie Limburg situeren zich aan het einde van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970 en zijn in belangrijke mate het werk van één amateur-archeoloog geweest (Lux 1970a, 1970b en 1971). Eind jaren 1980 en begin jaren 1990 voerde het Provinciaal Gallo-Romeins Museum een, helaas niet voltooid, onderzoeksproject naar de landelijke bewoning in de regio rond Tongeren uit. 1 Nog later werd in opdracht van de provincie Limburg een testgebied in de regio van Borgloon door RAAP onderzocht (Demey 2002), in de hoop dat lokale besturen dit intiatief zouden navolgen. Tot nu toe is het evenwel bij deze ene testcase gebleven. Een doctoraalscriptie aan de Universiteit van Amsterdam en een licentiaatsverhandeling van de Universiteit van Leuven maakten de inventarissen van de Romeinse villae, respectievelijk ten oosten (Duurland 2000) en ten westen (Knaepen 2001) van Tongeren. In de provincie Vlaams-Brabant werden de voorbije jaren eveneens lokale initiatieven tot systematische prospectie van villaterreinen genomen, hetzij in het kader van een licentiaatsverhandeling (Sevenants 1987), hetzij als werkzaamheid van een archeologische vereniging. (Caes 2002a, 2002b, 2002c, 2003a, 2003b, 2003c, 2004a, 2004b en 2005) of van vrijwilligers. (Meurrens 1981; Van Daele 2004) Het gaat steeds om beperkte gebieden of om zelfs maar één site (Van Daele 2004) Verder heeft ook een onderzoeksproject van de Katholieke Universiteit van Leuven en de Vrije Universiteit van Amsterdam naar de Frankische migratie bijgedragen aan het villa-onderzoek in deze provincie. (Opsteyn & Taaike 1998) Tot slot kan hier nog het initiatief van de Universiteit van Gent uit 1978 vermeld worden om licentiaatsverhandelingen in de vorm van gemeentelijke archeologische inventarissen te laten uitvoeren. (Nenquin 1982 en 1983; De Boe 1983d) Dit resulteerde in een publicatiereeks ‘Archeologische Inventarissen Vlaanderen’, waarvan de verschenen delen, samen met de licentiaatsverhandelingen die er ten grondslag aan liggen, tot 1990 in de kroniek van het tijdschrift ‘Archeologie’ opgesomd staan (De Boe 1983d, 1985c en 1987b; Nenquin 1982-1988 en 1990). De publicatiereeks van gemeentelijke inventarissen, die zich in West- en Oost-Vlaanderen situeren, is in 1992 gestopt.
Uit het voorgaande blijkt hoe de aangroei van gekende villasites de voorbije decennia in belangrijke mate het werk is van amateurarcheologen en -verenigingen, van vrijwilligerswerk en van studenten die in het kader van hun licentiaatsverhandeling aan dit onderwerp aandacht besteden. Initiatieven van universiteiten en lokale besturen bleven tot enkele kleine regio’s beperkt en werden in de regel voor hun afwerking stopgezet. Opvallend in dit overzicht is ten slotte de afwezigheid van de overheid. De CAI beperkt zich immers tot het inventariseren van de bestaande literatuur en voert geen veldkarteringen uit. Het probleem van de spreiding van de Romeinse villa’s in Vlaanderen, waarvan de kennis nochtans voor elke onderzoek naar het Romeinse platteland onontbeerlijk is, blijft bijgevolg bestaan.
Over het algemeen is de nauwkeurigheid waarmee het veldwerk op villasites sinds de jaren 1960 wordt uitgevoerd ten opzichte van de voorgaande periode toegenomen. Uit de verslagen kan afgeleid worden dat houtbouwsporen vaker herkend worden, dat - voor zover dat op de meestal zwaar geërodeerde sites mogelijk is - het bodemarchief stratigrafisch wordt opgegraven en dat vondstensembles als samenhangende gehelen worden geborgen. Dat alles zou in principe moeten resulteren in een beter inzicht in de chronologie en in de houtbouwstructuren, zowel in de bedrijfsgedeelten uit de tijd van de stenen woongedeelten als uit de oudere en de jongere fasen van de bewoningsgeschiedenis. In werkelijkheid komt de nauwkeurigheid van het veldwerk niet tot zijn recht, omdat het onderzoek doorgaans te kleinschalig is om hedendaagse onderzoeksvragen te kunnen aanpakken. Dat geldt in het bijzonder voor de bewoningsgeschiedenis van de villaterreinen die in de eerste helft van de 1ste eeuw (en mogelijk zelfs eerder) de stenen villa's vooraf is gegaan. Het geldt ook voor de bewoning van de villasites in de 4de eeuw, nadat de nederzettingen uit de middenkeizertijd in verval waren geraakt.
Sporen van pre-villabewoning zijn vermeld of beschreven voor de vindplaatsen van Lafelt (Ervynck e.a. 2000; Pauwels e.a. 2002), Rekem-Neerharen (De Boe 1981a, 1981b, 1983a, 1984 en 1985a), Rosmeer (De Boe 1969; De Boe & Van Impe 1979), Val-Meer De Boe 1997), Vechmaal-Middelpadveld Vanvinckenroye 1997) en Vechmaal-Walenveld Vanvinckenroye 1990) in Limburg, van Erps-kwerps (Verbeeck 1994 en Verbeeck e.a. 1991), Kerkom (In 't Ven e.a. 2005b en Wouters e.a. 1999) en Wange (Lodewijckx 1990; Opsteyn & Lodewijckx 1998 en 2000) in Vlaams-Brabant, van Belsele (Van Doorselaer & Thoen 1968), Kruishoutem (Rogge 1982a) , Nevele (De Clercq & Thoen 1997 en De Clercq e.a. 1998), Sint-Maria-Hoorbeke (Rogge & De Mulder 1995), Steenbeke (Rogge 1987 en 1988; Rogge & De Mulder 1995) en Zegelsem (Rogge 1984; Rogge & De Mulder 1995; Rogge & Velghe 1984) in Oost-Vlaanderen en van Heestert (Janssens 1981), Kerkhove (De Cock 1995; De Cock & Rogge 1988), Kooigem (Rogge 1982b) en Tiegem (De Cock 1983 en 1988) in West-Vlaanderen. Deze sporen stellen het probleem van de oorsprong of het ontstaan van villa-nederzettingen. (vgl. Lenz 1998)
Sporen van postvillabewoning zijn bekend van de terreinen van Lafelt (Ervynck e.a. 2000) en Rekem-Neerharen (De Boe 1981a, 1981b, 1982a, 1982b, 1982c, 1983b, 1984 en 1985a) in de provincie Limburg en van Erps-Kwerps (Verbeeck 1994 en Verbeeck e.a. 1991) en Wange (Lodewijckx 1990, 1991, 1996; Opsteyn & Lodewijckx 1998, 2000 en 2004; Opsteyn & Taaike 1998) in de provincie Vlaams-Brabant.
In de meeste gevallen is onvoldoende oppervlakte op de site vrijgelegd om te kunnen begrijpen wat aan de villa uit de middenkeizertijd is voorafgegaan en wat erop is gevolgd. Het staat in elk geval wel vast dat in veel gevallen de stenen villa uit de midden keizertijd niet de enige bewoningsfase van het nederzettingsterrein is, maar deel uitmaakt van een veel langere occupatiegeschiedenis.
Een literatuuroverzicht per provincie van villaopgravingen sinds het verschijnen van de Oudheidkundige Repertoria leert ons dat op 39 sites van dit type onderzoek is gedaan. In Antwerpen gaat het om Hombeek (De Cock 1986), Leest (De Boe 1983e; De Cock 1985) en Muizen (De Cock 1987; Vandenberghe 1981; Willems & Mathu 1984). In Limburg betreft het Broekom (Lux 1969 en 1970v; Vanvinckenroye 1988), Lafelt (Ervynck e.a. 2000; Groenendijk & Meijs 2002; Pauwels e.a. 2002; Vanderhoeven 2002), Piringen (Vanvinckenroye 1990a en 1990c), Rekem-Neerharen (Breukers 1984; De Boe 1980, 1981a, 1981b, 1981c, 1982a, 1982c, 1983a, 1983b, 1983c, 1984, 1985a, 1985b, 1986 en 1987a; De Boe e.a. 1992; Engelen 1982 en 1985; Janssen & Vanderhoeven 1982; Mertens 1977, 1978, 1981b en 1982a; Slofstra & Van der Sanden 1987; Vanderhoeven 2005; Vanderhoeven & Janssen 1974, 1976 en 1977; Van Impe 1975), Rosmeer (De Boe 1969; De Boe & Van Impe 1979; Mertens 1979b; Pauwels 2006), Val-Meer (De Boe 1971c en 1972b), Vechmaal - Middelpadveld (Lux 1977; Vanvinckenroye 1989b en 1997), en Vechmaal - Walenveld (Vanvinckenroye 1990a en 1990b). In Vlaams-Brabant werd opgravingswerk verricht te Bierbeek (De Clerck 1987; Deweerdt 1980; Deweerdt & Provoost 1981; Mertens 1979a en 1980b; Provoost 1981b), Erps-Kwerps (Lentacker e.a. 1992; Verbeeck 1987, 1988, 1990a, 1990b, 1994, Verbeeck e.a. 1991), Hoegaarden - Kluisveld (De Boe 1979; Meurrens 1981; Meurrens & Claes 1981), Hoegaarden - Goudberg (Borgers 2008; Maes e.a. 1999; Meurrens 1981; Meurrens & Claes 1981; Schryvers e.a. 2001), Kerkom (In ’t Ven e.a. 2005a en 2005b; Wouters e.a. 1999), Kumtich (Cramers 1984; De Boe 1985d; Mertens 1981a), Merchtem (Van den Vonder 2008; Van den Vonder & Van de Velde 2007), Waasmont (Mertens 1964b) en Wange (Hombroux & Lodewijckx 1984; Lentacker e.a. 1995; Lodewijckx 1990, 1991, 1993, 1995 en 1996; Lodewijckx & Wouters 1994; Lodewijckx e.a. 1993 en 1994; Opsteyn & Lodewijckx 1998, 2000 en 2004; Van Neer & Lodewijckx 1992). In Oost-Vlaanderen gaat het om Belsele (Bourgeois & Thoen 1986; Mertens 1968; Thoen 1965 en 1967; Van Doorselaer 1966 en 1971; Van Doorselaer & Thoen 1967 & 1968), Brakel (Van De Mergel 1973), Denderwindeke (Deschieter & De Mulder 2000; Deschieter e.a. 2000), Etikhove (Deconinck 1966; Lenoir 1967; Mertens 1966), Heldergem (De Troyer 1989), Kruishoutem (Rogge 1982a), Michelbeke (De Cock e.a. 1985b), Mater (Bauters e.a. 1996), Nevele (De Clercq e.a. 1998; De Clercq & Thoen 1997), Scheldewindeke (Deschieter & De Mulder 2000), Sint-Lievens-Esse (Callebaut 1977; De Swaef 1983), Sint-Maria-Hoorebeke (Rogge & De Mulder 1995), Steenbeke (Lesenne 1990; Mertens 1969; Rogge 1987, 1988 en 1989; Rogge & De Mulder 1995) en Zegelsem (Rogge 1984; Rogge & de Mulder 1995; Rogge & Velghe 1984). In West-Vlaanderen betreft het Heestert (Despriet 1984b; Janssens 1980, 1981, 1984a en 1984b), Kerkhove (De Cock 1995; De Cock & Rogge 1988; De Cock e.a. 1985a), Kooigem (De Cock & Rogge 1984; Despriet 1984a; D’Hondt 1981; Rogge 1982b), Tiegem (De Cock 1983 en 1988; Despriet 1984c) en Wevelgem (Despriet 1978; Ooghe 1984; X 1967-1974, 1975-1976 en 1977-1980). Deze opgravingsresultaten kunnen in 7 categorieën verdeeld worden:
| A | Volledig opgegraven pars urbana en volledig opgegraven pars rustica | 0 |
| B | Volledig opgegraven pars urbana en onvolledig opgegraven pars rustica | 2 |
| D | Volledig opgegraven pars urbana en niet opgegraven pars rustica | 1 |
| C | Onvolledig opgegraven pars urbana en onvolledig opgegraven pars rustica | 4 |
| E | Onvolledig opgegraven pars urbana en niet opgegraven pars rustica | 23 |
| F | Niet opgegraven pars urbana en volledig opgegraven pars rustica | 0 |
| G | Niet opgegraven pars urbana en onvolledig opgegraven pars rustica | 4 |
De uitkomst van deze indeling kan enigszins dramatisch genoemd worden. Tot nu toe is men er in Vlaanderen niet in geslaagd een volledige Romeinse villa op te graven. Nochtans zijn volledig opgegraven nederzettingen de basiselementen voor onderzoek naar Romeinse villa’s geworden, zoals voorbeelden uit de ons omringende regio’s als Kerkrade (Tichelman 2005), Champion (Defgnée & Van Ossel 2001) en de villa’s van de Hambacher Forst (zie Heimberg 2003) ons leren. Van 3 villae kennen we de volledige plattegrond van het hoofdgebouw. Van 2 daarvan is ook een gedeelte van de bijgebouwen bekend. 27 vindplaatsen kennen we als onvolledig opgegraven hoofdgebouwen. Van 4 daarvan is een gedeelte van de bijgebouwen bekend. Van nog eens 4 villae kennen we alleen maar een gedeelte van de bijgebouwen. Globaal bekeken zijn in de leemstreek van de civitas Tungrorum minder villa’s opgegraven, maar is de gemiddelde vrijgelegde oppervlakte er groter. In de zandleemstreek van de civitas Menapiorum en civitas Nerviorum zijn meer villaterreinen aangesneden, maar is de gemiddelde vrijgelegde oppervlakte geringer.
Aan het begin van de jaren 1970 was de conclusie bereikt dat om het Romeinse villasysteem te kunnen begrijpen we naast integraal geprospecteerde landschappen ook over compleet opgegraven nederzettingen moeten beschikken en dat men dat in de daaraan voorafgaande decennia niet tot stand heeft kunnen brengen. Nu blijkt dat men er in de daaropvolgende decennia ook toe gekomen is om dergelijke gedocumenteerde landschappen en nederzettingen te realiseren. Inmiddels is het Vlaamse landschap meer dan ooit versnipperd ingericht en blijft archeologisch noodonderzoek strikt beperkt tot bedreigde zones, die doorgaans klein zijn en niet met de grenzen van antieke villacomplexen overeenkomen. De kans om in Vlaanderen volledige villaterreinen te leren kennen is wel heel klein geworden.
Veldwerkprojecten die op schaal van een microregio worden uitgevoerd zijn in Vlaanderen nog maar nauwelijks aan de orde geweest. In geen enkel villalandschap is grootschalig terreinwerk verricht naar de relatie van villanederzettingen tot het wegennet (zie 6.4.1), de landindeling en de grafvelden. Het wegennet en de grafvelden komen respectievelijk in 6.4.1 en 6.4.3.5 aan bod. Hier besteden we enige aandacht aan de landindeling. 30 à 40 jaar geleden stond de vraag of villalandschappen in onze streken aan een Romeins kadaster gelieerd waren en of dat kadaster nog herkenbare sporen in het landschap had nagelaten in het centrum van de belangstelling (Mertens 1958 en 1964a; De Boe 1971a en b en 1973; Raepsaet 1977; Raepsaet-Charlier 1975, 105-107). Daarmee was de vraag naar de identiteit van de villa-eigenaars verbonden: Romeinse veteranen of inheemse aristocratie? In de daarop volgende decennia heeft de topografie als verklaring voor de ligging van villae ingeboet ten voordele van de bodemkunde. Daarnaast werd in de ons omringende landen alsmaar vaker een continue bewoning van villaterreinen sinds de ijzertijd vastgesteld. Daardoor is de door voorbeelden uit de mediterrane wereld geïnspireerde theorie van systematische landindelingen, al dan niet verbonden met de vestiging van veteranen, op de achtergrond geraakt en is men ook in Vlaanderen meer interesse voor bewoningscontinuïteit vanuit de ijzertijd gaan opbrengen. Pas zeer recent wordt weer aandacht aan de mogelijke sporen van Romeinse landindeling geschonken. (Peterson 1996; Bonnie 2008)
Een minderheid van de opgravingsverslagen biedt een catalogus van de mobiele vondsten. Deze catalogi beperken zich bovendien tot de goed identificeerbare en dateerbare voorwerpen en kunnen als niet meer dan een willekeurige steekproef van de materiële cultuur van de villabewoners beschouwd worden. Door de beperkte omvang van de meeste opgravingen gaat het immers om secundair verplaatst materiaal uit de puinlagen (vaak keldervullingen) van de woongedeelten van de villae. Goede catalogi van dergelijke vondstensembles kennen we van de Limburgse vindplaatsen Broekom (Vanvinckenroye 1988), Piringen (Vanvinckenroye 1990c), Rekem-Neerharen (oude vondsten) (Janssen & Vanderhoeven 1982; Vanderhoeven & Janssen 1974, 1976 en 1977), Rosmeer (De Boe & Van Impe 1979), Val-Meer (De Boe 1971c) en Vechmaal - Walenveld (Vanvinckenroye 1990b) en van de Vlaams-Brabantse sites van Bierbeek (De Clerck 1987; Provoost 1981b), Hoegaarden - Kluisveld (Meurrens & Claes 1981), Kumtich (Cramers 1984) en Wange (metaalvondsten). (Lodewijckx 1995; Lodewijckx & Wouters 1994; Lodewijckx e.a. 1993 en 1994) Twee licentiaatsverhandelingen maakten sociaaleconomische en culturele interpretaties van vondstensembles van villae: één over Vechmaal - Middelpadveld (Bollen 2001) en één over Hoegaarden - Goudberg (Borgers 2008). Een derde verhandeling bestudeerde de oude vondsten van Walsbetz, Wezeren en Montenaken. (De Vocht 2004) Omdat het om materiaal van onvolledig opgegraven vindplaatsen gaat, is de basis van deze studies noodgedwongen een eerder beperkte en willekeurig tot stand gekomen steekproef.
Onderzoek van ecologisch-archeologisch materiaal van villa-sites bleef beperkt tot meestal kleine aantallen dierlijk materiaal. In Limburg gaat het om de sites van Broekom (Van Neer 1988), Piringen (Van Neer 1990) en Vechmaal-Walenveld (Van Neer 1990) en in Vlaams-Brabant om de sites van Erps-Kwerps (Verbeeck e.a. 1991 en Lentacker e.a. 1992 en 1995), Hoegaarden-Goudberg (Schryvers e.a. 2002), Kumtich (Van Neer 1984) en Wange (Van Neer & Lodewijckx 1993). In Oost-Vlaanderen betreft het de terreinen van Belsele (Gautier 1967 en 1986), Kruishoutem (Van der Plaetsen 1993) en Nevele (Ervynck e.a. 1997). Van één vindplaats is ook het plantaardige materiaal bestudeerd. Het betreft sporen op het terrein van een bijgebouw te Kerkom in Vlaams-Brabant (In ’t Ven e.a. 2005b). Dit onderwerp komt uitvoeriger aan bod in het onderdeel van de onderzoeksbalans dat de dierlijke en plantaardige resten behandelt. Deze dierlijke en plantaardige resten behoren doorgaans tot het zgn. nederzettingsruis, huishoudelijk afval van diverse aard (slachtafval, etensresten, afval van ambachtelijke productie), dat al dan niet toevallig in openliggende kuilen en greppels verzeild is geraakt. Het komt zelden voor dat op villa-sites aan agrarische werkzaamheden gelieerd dierlijk of plantaardig afval wordt aangetroffen. Doorgaans kan met dit maar achterhalen middels grootschalige bemonstering op grootschalige opgravingen.
Naast de al vernoemde status quaestionis van De Boe (1971a, 1971b en 1973) en de overzichtskaart van Laurent e.a. (1972) wordt naar aanleiding van regionale overzichten het verschijnsel van de Romeinse villa af en toe ter sprake gebracht. Zo kan men voor de provincie West-Vlaanderen terecht bij De Meulemeester e.a. (1984), Despriet (1981) en Van Doorselaer en De Cock (2003-2004). Voor diverse regio's in de provincie Oost-Vlaanderen kan verwezen worden naar Rogge e.a. (1990), De Clercq (1998, 2000 en 2003), De Clercq en van Dierendonck (2008) en De Clercq e.a. (1998), voor de Scheldvallei naar Van Doorselaer (1995 en 2000), voor de ontdekkingen in het kader van de aanleg van een gasleiding in de jaren 1997 en 1998 naar De Clercq e.a. (2005). De wereld van de Romeinse villa’s in het Zuid-Limburgse Haspengouw wordt behandeld door Vanvinckenroye (1985 en 1989a) en in Vlaams-Brabants Haspengouw door Caes (2002a-c, 2003a-c, 2004a-b en 2005), Hombroux & Lodewijckx (1984), Lodewijckx (1991, 1993, 1996) en Provoost (1981a). De villawereld inVlaanderen in het algemeen komt ter sprake bij Mariën (1980), Van Doorselaer (1981) en Nouwen (2006). Villa's komen ook ter sprake in een aantal tentoonstellingscatalogi. (De Boe 1989; De Clerck 1987; Brulet 1992; Stuart & De Grooth 1987)
De laat-Romeinse landelijke bewoning, waarvan de villaterreinen deel van uitmaken, werd de voorbije decennia voor het Gallische en Germaanse gebied herhaaldelijk in zijn geheel bestudeerd. In deze studies werden de gegevens uit onze streken in mindere of meerdere mate opgenomen (Wightman 1978, cf. De Boe 1982b; Van Ossel 1979, cf. Mertens 1980a; Van Ossel 1987, cf. Mertens 1988; Van Ossel 1992). Strikt genomen blijkt uit de best gedocumenteerde gevallen dat de 4de-eeuwse bewoning van de voormalige villasites grondig verschilt van de bewoning uit de midden keizertijd en dat zich tussen beide in veel gevallen wellicht een onderbreking situeert.
Gespecialiseerde synthesestudies van de Romeinse villa’s in Vlaanderen zijn eigenlijk onbestaand. Wel verscheen een addendum op het thans verouderde basiswerk van de Mayer (De Mayer 1979). Gezien de geringe omvang van de dataset waarover we beschikken kan dit ook niet anders. Wil men de villawereld in het noorden van Gallië bestuderen, dan zal men de gegevens uit een groter gebied dan alleen maar Vlaanderen moeten overschouwen. Voorbeelden van dergelijke studies, waarin onze streken in principe ook betrokken zijn, zijn Wightman (1985) en Heimberg (2003).
Bauters L., Braeckman K., De Mulder G., Jamée W., Rogge M. & Velghe M. 1996: Oudenaarde-Mater. Een Gallo-Romeinse agrarische nederzetting en sporen van Karolingische bewoning te Duisbeke, Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag 1995 van de Provincie Oost-Vlaanderen, Gent, 150-153.
Bollen K. 2001: Het keramisch materiaal van de Romeinse villa aan het Middelpadveld te Vechmaal, Licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
Bonnie R. 2008: Cadastres, misconceptions & Northern Gaul. A case study from the Belgian Hesbaye region, Thesis UL, Leiden.
Borgers B. 2008: De studie van de productie en de consumptie van Gallo-Romeins aardewerk van de villa op de Goudberg, Hoegaarden. In: De Clercq, W., Demeter, S., Guillaume, A., Massart, C., Paridaens, N. & Van Bellingen, S. (red.), Journée d'Archéologie Romaine - Romeinendag 19 04 2008, Brussel, 19-20.
Bourgeois J. & Thoen H. 1986: Opgravingen op het "Steenwerk" te Belsele-Waas (1967-1971): nederzettingssporen uit de late Bronstijd, de IJzertijd en de Romeinse tijd, Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas. Buitengewone Uitgave (Bijdragen Archeologische Dienst Waasland I), 19.
Breukers A. 1984: Archeologisch onderzoek te Rekem (B) 1984, Archeologie in Limburg 22, 32-34.
Brulet R. 1992: De Romeinse periode. Urbanisatie en ontsluiting van het land. In: W.J.H. Willems (ed.), Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn, Kunst und Altertum am Rhein 136, Mainz, 99-114.
Caes W. 2002a: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen, Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 17, 1, 6-30.
Caes W. 2002b: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (vervolg), Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 17, 2, 114-131.
Caes W. 2002c: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (vervolg), Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 17, 3, 240-257.
Caes, W. 2003a: Haachts archeologisch prospectieteam (HAP): archeologische veldprospectie in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (november 2002 – februari 2003). In: Lodewijckx, M. & Corbiau, M.-H. (eds), Romeinendag – Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 03 2003, Leuven, 7-8.
Caes, W. 2003b: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (vervolg), Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 18, 1, 11-23.
Caes, W. 2003c: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (vervolg), Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 18, 3, 192-206.
Caes, W. 2004a: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (vervolg), Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 19, 1, 6-17.
Caes, W. 2004b: De Romeinen in de regio Aarschot-Leuven-Mechelen (vervolg), Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift 19, 2, 122-130.
Caes W. 2005: Landbouw op de Gallo-Romeinse villa’s in Midden-België (75 n.C. – ca. 275 n.C.): gecultiveerde gewassen, teeltwijze en landbouwmachines, Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrfit 20, 3, 202-218.
Callebaut D. 1977: Sint-Lievens-Esse (O.-Vl.): Gallo-Romeinse vindplaats, Archeologie 1977, 2, 95.
Cramers D. 1984: Het badgebouw van de villa te Kumtich (Tienen). In: S. Thomas (ed.), Liber amicorum Paul De Walhens. Bijdragen tot de geschiedenis van Tienen, Tienen, 111-138.
De Boe G. 1969: Rosmeer, Archeologie 1969, 1, 20-21.
De Boe G. 1971a: De Romeinse villa's in Gallië en Germanië. Een bijdrage tot de studie van de landelijke bewoning in de Romeinse tijd, Onuitgegeven proefschrift KUL, Leuven.
De Boe G. 1971b: De stand van het onderzoek der Romeinse villa's in België, Archaeologia Belgica 132, Brussel, 5-14.
De Boe G. 1971c: De Romeinse villa op de Meerberg te Val-Meer, Acta Archaeologica Lovaniensia 4, Leuven.
De Boe G. 1972a: De landelijke bewoning in Romeins België, Archeologie 1972, 2, 95.
De Boe G. 1972b: Villas romaines, Archeologie 1972, 2, 96-97.
De Boe G. 1973: de landelijke bewoning in de Romeinse tijd, Het Oude Land van Loon 28, 85-114.
De Boe G. 1979: Hoegaarden (Bt.): Romeinse villa (?), Archeologie 1979, 2, 21-22.
De Boe G. 1980: Neerharen-Rekem: Romeinse villa, Archeologie 1980, 2, 110-111.
De Boe G. 1981a: Prehistorische en Romeins te Neerharen-Rekem, Conspectus MCMLXXX, Archaeologia Belgica 238, Brussel, 37-41.
De Boe G. 1981b: Neerharen, Archeologie 1981, 2, 115-117.
De Boe 1981c: Noodopgravingen te Neerharen (belgisch Limburg), Archeologie in limburg 12, 5-7.
De Boe G. 1982a: Meer dan 1.500 jaar bewoning rond de Romeinse villa te Neerharen-Rekem, Conspectus MCMLXXXI, Archaeologia Belgica 247, Brussel, 70-74.
De Boe G. 1982b: Laat-Romeinse bewoning, Archeologie 1982, 1, 53.
De Boe G. 1982c: Neerharen-Rekem (Limb.), Archeologie 1982, 2, 99-100.
De Boe G. 1983a: De Romeinse villa te Neerharen-Rekem, Conspectus MCMLXXXII, Archaeologia Belgica 253, Brussel, 56-60.
De Boe G. 1983b: De laat-Romeinse “Germaanse” nederzetting te Neerharen-rekem, Conspectus MCMLXXXII, Archaeologia Belgica 253, Brussel, 69-73.
De Boe G. 1983c: Habitat rural – landelijke bewoning, Archeologie 1983, 1, 52-53.
De Boe G. 1983d: Archeologische Inventaris Vlaanderen, Archeologie 1983, 2, 79-80.
De Boe G. 1983e: Leest: Romeinse villa, Archeologie 1983, 2, 102.
De Boe G. 1984: Neerharen-Rekem (Limb.), Archeologie 1984, 2, 132-133.
De Boe G. 1985a: De opgravingscampagne 1984 te Neerharen-Rekem, Conspectus MCMLXXXIV, Archaeologia Belgica n.r. I, 2, 53-62.
De Boe G. 1985b: Neerharen-Rekem (Limb.), Archeologie 1985, 2, 127.
De Boe G. 1985c: Archeologische Inventaris Vlaanderen, Archeologie 1985, 1, 3.
De Boe G. 1985d: Villas et habitat rural – villas en landelijke bewoning, Archeologie 1985, 1, 51-52.
De Boe G. 1985e: Archeologische Inventaris Vlaanderen, Archeologie 1985, 2, 79.
De Boe G. 1986: De opgravingscampagne 1985 te Neerharen-Rekem (gem. Lanaken), Conspectus MCMLXXXV, Archaeologia belgica n.r. II, 1, 23-26.
De Boe G. 1987a: Bewoning rond de villa te Neerharen-Rekem (B). In: P. Stuart & M.E.Th. De Grooth (eds), Langs de weg, Heerlen-Maastricht, 51-54.
De Boe G. 1987b: Archeologische Inventaris Vlaanderen, Archeologie 1987, 1, 44.
De Boe G. 1989: Onder Romeinse heerschappij. In: Gorissen M. & Roosens B. (eds.), Bodemschatten. Archeologisch onderzoek in Groot-Bilzen van de bandceramiek tot de Merovingers, Bilzen-Brussel, 39-49.
De Boe G. 1990: Plattelandsbewoning in Zuid-Limburg, Archeologie 1990, 117.
De Boe G., De Bie M. & Van Impe L. 1992: Neerharen-Rekem. Een complexe bewoningsgeschiedenis gered van de grindbaggers. In: W.J.H. Willems (red.), Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn, Mainz, Kunst und Altertum am Rhein 136, 477-496.
De Boe G. & Van Impe L. 1979: Nederzetting uit de ijzertijd en Romeinse villa te Rosmeer, Archaeologia Belgica 216, Brussel.
De Clerck M. 1987: Bierbeek 30 cm dieper. Archeologische inventaris van 15 jaar prospectie en opgravingen, Bierbeek.
De Clercq W. 1998: De Romeinse aanwezigheid in de vallei van de Kale. Een overzicht, Een kijk op het archeologisch verleden van het Land van Nevele. Themanummer VOBOV-info 47, 59-60.
De Clercq W. 2000: Een blik op een decennium archeologisch onderzoek op Gallo-Romeinse vindplaatsen in Oost-Vlaanderen, Opnieuw een decennium Oost-Vlaamse archeologie: terug- en vooruitblik. Themanummer VOBOV-Info 52, 35-47.
De Clercq W. 2003: L'habitat gallo-romain en Flandre orientale (Belgique). Recherches 1990-2001 dans les civitates Menapiorum et Nerviorum (1990-2001), Revue du Nord - Archéologie de la Picardie et du Nord de la France 85, 353, 161-179.
De Clercq W., Deschieter J., Hageman B., Thoen H. & Vermeulen F. 1998: Recent Romeins archeologisch onderzoek in de vallei van de Kale, grondgebied Land van Nevele: sites en structuren, In: Een kijk op het archeologisch verleden van het Land van Nevele. Themanummer, VOBOV-info 47, 28-33.
De Clercq W., In ’t Ven I. & Hollevoet Y. 2005: Dwars door Romeins Vlaanderen: een synthese. In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (eds.), Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn-project 1997-1998, Archeologie in Vlaanderen Monografie 5, Brussel, 243-257.
De Clercq W. & Thoen H. 1997: Archeologie in een serre. Proefopgravingen op een Romeinse steenbouw te Nevele, VOBOV-Info 46, 15-23.
De Clercq W. & van Dierendonck R.M. 2008: Extrema Galliarum. Zeeland en Noordwest-Vlaanderen in het Imperium Romanum, Zeeuws Tijdschrift 58, 3-4, 6-34.
De Cock S. 1983: Tiegem (W.-Vl.): Gallo-Romeinse bewoning, Archeologie 2, 111.
De Cock S. 1985: Leest (Antw.), Archeologie 1985, 2, 111.
De Cock S. 1986: Hombeek (Mechelen, Antw.), Archeologie 1986, 2, 108-109.
De Cock S. 1987: Muizen (Antw.), Archeologie 1987, 1, 35.
De Cock S. 1988: Onderzoek van een Gallo-Romeinse villa te Tiegem (gem. Anzegem). Westvlaamse Archaeologica 4, 3, 76-83.
De Cock S. 1995: Kerkhove, Westvlaamse Archaeologica 11, 83.
De Cock S. & Rogge M. 1984: Kooigem (W.-Vl): Gallo-Romeinse villa, Archeologie 2, 107.
De Cock S. & Rogge M. 1988: De V.O. B.O.W.-activiteiten te Kerkhove (Gem. Avelgem) in 1986-87: Romeinse bewoning, Westvlaamse Archaeologica 4, 1, 13-19.
De Cock S., Rogge M. & Van Doorselaer A. 1985a: Kerkhove (W.-Vl.), Archeologie 2, 89.
Rogge M. & Van Doorselaer A. 1981: Kerkhove (W.Vl.), Archeologie 1981, 2, 94.
De Cock S., Rogge M. & Velghe M. 1985b: Michelbeke-Brakel (O.-Vl.): Romeinse villa, Archeologie 2, 111.
De Meulemeester e.a. 1984: Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk.
Deconinck J. 1966: Romeinse villa te Etikhove, Annalen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Ronse 15, 69-70.
Defgnée A. & Van Ossel P. 2001: Champion, Hamois. Une villa romaine chez les Condruses, Etudes et Documents Archéologie 7, Namur.
De Maeyer R. 1979: De overblijfselen der Romeinse villa's in België, Acta Archaeologica Lovaniensia 18, 34-143.
Demey D. 2002: Beleidsmatige archeologische inventarisatie. Gemeenten Borgloon en Heers, RAAP-Rapport 812, Weert.
Deschieter J. & De Mulder G. 2000: Archeologisch noodonderzoek van een Gallo-Romeinse villa te Denderwindeke/Kerkveld, VOBOV-Info 51, 14-17.
Deschieter J., De Mulder G. & De Clercq W. 2000: Archeologisch onderzoek van enkele Gallo-Romeinse sites in Zuid-Oost-Vlaanderen (1999), Romeinendag, 19 april 2000. Leuven, 45-47.
Despriet P. 1978: Het oudheidkundig bodemonderzoek in het arrondissement Kortijk in 1976, De Leiegouw XX, 1, 99-116.
Despriet P. 1981: De Romeinse tijd, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 3, Kortrijk.
Despriet P. 1984a: De Romeinse nederzetting van Kooigem. In: Despriet P. (Ed.). Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk, 38.
Despriet P. 1984b: Luchtfotografie: de eerste resultaten. In: P. Despriet (ed.), Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk, 5-6.
Despriet P. 1984c: Een Romeinse villa in Tieghem. In: Despriet P. (Ed.). Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk, 38.
D’Hondt M. 1981: Les récentes fouilles du site gallo-Romain de Kooigem, Mémoires de Histoire de Mouscron et de la Région III, 2, 9-13 (Westvlaamse Bijdragen II, 1983, 22-25).
De Zegher C. & Rogge M. 1983: Kooigem - Kortrijk (W.-Vl.): Gallo-Romeinse nederzetting, Archeologie 1983, 2, 110.
De Swaef W. 1983: Sint-Lievens-Esse (O.-Vl.), Archeologie 1983, 2, 111.
De Troyer R. 1989: Ogravingen van de onderbouw van een Belgo-Romeinse villa in Heldergem, Mededelingen Heemkring Haaltert 9, 2, 1-3.
De Vocht G. 2004: De Gallo-Romeinse villa's van Walsbets, Wezeren en Montenaken. In: A. Bosman (ed.), journée d'Archéologie Romaine - Romeinendag, 24-4-2004, Namur, 41-43.
Deweerdt T. 1980: Gallo-Romeinse villa te Bierbeek, Hona 15, 39-41.
Deweerdt T. & Provoost A. 1981: Bierbeek: een Gallo-Romeinse villa. In: Provoost A. (red.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 19-21.
Duurland M. 2000: Romeinse vindplaatsen in het landelijke gebied tussen Tongeren en Maastricht. Een inventarisatie en periodisering, doctoraalscriptie UVA, Amsterdam.
Engelen F. 1982: De vondsten te Neerharen - België, Archeologie in Limburg 13, 25.
Engelen F. 1985: Opgravingen Rekem-Neerharen, Archeologie in Limburg 25, 96.
Ervynck A., Gautier A. & Van Neer W. 1997: Import van schelpdieren en vis in een Romeinse nederzetting te Nevele, VOBOV-info 46, 24-28.
Ervynck A., Pauwels D., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2000: Romeinse nederzettingen op het Distrigastraject tussen Oupeye en Lanaken (Limburg). In: M. Lodewijckx , G. De Boe & H. Thoen (eds.), Romeinendag Leuven - 19 maart 2000, Leuven: 41-42.
Gautier A. 1967: Onderzoek van dierenbeenderen afkomstig van de opgravingen te Belsele, Oudheidkundige opgravingen en vondsten in Oost-Vlaanderen (Vierde Reeks), Kultureel Jaarboek Provincie Oost-Vlaanderen, Tweede band 1965, Gent, 52-53.
Gautier A. 1986: Onderzoek van enkele zoogdierresten afkomstig van de opgravingen te Belsele, 1968, Vlak A. In: Bourgeois J. & Thoen H. (eds), Opgravingen op het “Steenwerk” te Belsele-Waas (1967-1971). Nederzettingssporen uit de Late Bronstijd, de Ijzertijd en de Romeinse tijd, Bijdragen van de Archeologische Dienst Waasland I, Buitengewone uitgaven van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas 19, 99-101.
Groenendijk A.J. & Meijs E.P.M. 2002: Riemst: erosie in Vlaams Haspengouw. In: A. Vanderhoeven & G. Creemers (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1999, Limburg - Het Oude Land van Loon, 81, 4: 303-305.
Heimberg U. 2003: Römische Villen an Rhein und Maas, Bonner Jahrbücher 2003, 57-148.
Hombroux Cl. & Lodewijckx M. 1984: Enkele Romeinse vondsten te Landen – Wange en hun lokale koontekst, Acta Archaeologica Lovaniensia 23, 1-16.
In ’t Ven I., Wouters W., Roovers I., Debruyne T. & Cooremans B. 2005a: D19: Boutersem/Kerkom – Boskouterstraat. In: I. In ’t Ven & W. De Clercq (red.), Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn-project 1997-1998. Deel I, Archeologie in Vlaanderen Monografie 5, 148-149.
In ’t Ven I., Wouters W., Roovers I., Debruyne T. & Cooremans B. 2005b: Romeinse gebouwsporen aan de Boskouterstraat in Kerkom (Boutersem, prov. Vlaams-Brabant). In: I. In ’t Ven & W. De Clercq (red.), Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn-project 1997-1998. Deel II, Archeologie in Vlaanderen Monografie 5, 283-300.
Janssens D. 1980: Heestert (W.-Vl.): Romeins balneum, Archeologie 1980, 2, 97.
Janssens D. 1981: Heestert (W.-Vl.) : Romeinse villa, Archeologie 1981, 2, 93-94.
Janssens D. 1984a: Een Romeinse villa te Heestert, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 8, Kortrijk.
Janssens D.M. 1984a: Romeinse tijd: een villa in Heestert. In: P. Despriet (ed.), Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk, 37-38.
Janssen L. & Vanderhoeven M. 1982: De archeologische verzameling Smeets uit rekem, Limburg 61, 3, 123-143.
Knaepen E. 2001: De landelijke bewoning in de Gallo-Romeinse periode in Zuid-Limburgs Haspengouw, Onuitgegeven licentiaatsverhaneling KUL, Leuven.
Laurent R., Callebaut D. & Roosens H. 1972: De landelijke bewoning in de Romeinse tijd, Archeologische Kaarten van België 3, Brussel.
Lenoir P. 1967: Etikhove (Audenarde, Flandre Orientale) - Villa romaine, Romana Contact 7, 1, 30.
Lentacker A., Bakels C., Verbeeck M. & Desender K. 1992: The archeology, fauna and flora of a Roman well at Erps-Kwerps (Brabant, Belgium), Helinium 32, 1-2, 110-131.
Lentacker A., Van Neer W. & De Cupere B. 1995: Enkele resultaten van archeozoölogisch onderzoek op Romeinse sites in België. In: Thoen H. & Vermeulen F. (eds), Romeinendag 15 maart 1995, Gent, 25-27.
Lenz K.H. 1998: Villae rusticae: zur Entstehung dieser Siedlungsform in den nordwestprovinzen des römischen Reiches, Kölner Jahrbuch 31, 49-70.
Lesenne M. 1990: Archeologie in de ruilverkaveling Balegem, Archeologie 1990, 90.
Lodewijckx M. 1990: Wange (Brab.): Romeinse bewoning, Archeologie 1990, 62-63.
Lodewijckx M. 1991: Preliminary report on the Roman and early medieval period in the region of the Kleine Gete at Landen and Linter (Central Belgium), Acta Archaeologica Lovaniensia 30, 41-47.
Lodewijckx M. 1993: De eerste 500 jaar. Een archeologische kijk op de Romeinse periode in Oost-Brabant, Meer Schoonheid 40, 4, 122-132.
Lodewijckx M. 1995: De villa en het bronsdepot van Wange (Brabant). In: H. Thoen & F. Vermeulen (eds), Romeinendag 15 maart 1995, Gent, 21-24.
Lodewijckx M. 1996: Essay on the issue of continuity and discontinuity applied to the northern Hesbay region (Central Belgium). In: M. Lodewijckx (ed.), Archaeological and historical aspects of West-European societies, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 202-220.
Lodewijckx M. & Wouters L. 1994: Le Jouguet de Wange (Landen, Belgique). In: Actes du Colloque international 'le transport attelé entre Seine et Rhin, de l'Antiquité au Moyen Age', Bruxelles, 1-2 octobre 1993, Bruxelles, 61-70.
Lodewijckx M., Wouters L., Viaene W., Salemink J., Kucha H., Wevers M. & Wouters R. 1993: A third-century collection of decorative objects from a Roman villa at Wange, Journal of Roman Military Equipment Studies 4, 67-99.
Lodewijckx M., Wouters L., Viaene W., Salemink J., Kucha H., Wevers M., Wouters R., Scheers S. & Steenhout F. 1994: A 3rd century collection of decorative objects from a Roman villa at Wange (Central Belgium). First interdisciplinary report. In: M. Lodewijckx (red.), Bijdragen tot de studie van bewoningscontinuïteit. Contributions à l’étude de la continuité de l’habitat, Acta Archaeologica Lovaniensia 33, 107-141.
Lux G.V. 1969: Broekom (Limb.): Romeinse villa, Archeologie 1969, 1, 11-12.
Lux G.V. 1970a: De Romeinse overblijfselen tussen Tongeren en Maastricht, Archaeologia Belgica 121, Brussel, 21-27.
Lux G.V. 1970b: Gallo-Romeinse overblijfselen in Limburgs Haspengouw. Archeologie, 1970, 1: 21.
Lux G.V. 1970c: Broekom (Limburg), Limburg 49, 1, 36.
Lux G.V. 1971: De Romeinse overblijfselen in de streek rondom Gors-op-Leeuw, Archaeologia Belgica 142, Brussel, 45-52.
Lux G.V. 1977: Vechmaal (Limb.): Romeinse villa, Archeologie 1977, 2, 90.
Maes M., Oost T., Schryvers A. & Vanbrabant K. 1999: Romeinen op het (HST)spoor. De villa van Hoegaarden-Goudberg. In: Thoen H., Vermeulen F., De Boe G., Lodewijckx M. & Rogge M. (eds), Romeinendag 24 maart 1999, Gent, 37-40.
Mariën M.E. 1980: Belgica antiqua. De stempel van Rome, Antwerpen.
Mertens J. 1958: Sporen van Romeins kadaster in Limburg?, Limburg 37, 11, 253-260.
Mertens J. 1964a: Enkele beschouwingen over Limburg in de Romeinse tijd, Archaeologia Belgica 75, Brussel.
Mertens J. 1964b: Waasmont: Romeinse kelder, Archeologie, 1964, 2, 71.
Mertens J. 1966: Etikhove: Gallo-Romeinse vindplaats, Archeologie 1966, 2, 86.
Mertens J. 1968: Belsele: Romeinse villa, Archeologie 1968, 1, 17.
Mertens J. 1969: Velzeke: Romeinse villa, Archeologie 1969, 2, 72.
Mertens J. 1975: Landelijke bewoning, Archeologie 1975, 1, 37.
Mertens J. 1977: Archeologische verzameling Coenegracht uit Rekem, Archeologie 1977, 1, 31.
Mertens J. 1978. Villas en landelijke bewoning, Archeologie 1978, 1, 37.
Mertens J. 1979a: Bierbeek (Bt.): Romeinse villa, Archeologie 1979, 2, 22.
Mertens J. 1979b: Romeinse villa’s, Archeologie 1979, 2, 63-64.
Mertens J. 1980a: Habitat rural, Archeologie 1980, 1, 41-42.
Mertens J. 1980b: Villas romaines, Archeologie 1980, 2, 123.
Mertens J. 1981a: Kumtich-Tienen (Brab.): Romeins badgebouw, Archeologie 1981, 1, 29.
Mertens J. 1981b: Protohistorisch en Romeins, Archeologie 1981, 1, 48.
Mertens J. 1982a: De archeologische verzameling Smeets uit Rekem, Archeologie 1982, 1, 32.
Mertens J. 1982b: Villas romaines – Romeinse villa’s, Archeologie 1982, 1, 44.
Mertens J. 1988: Habitat rural, Archeologie 1988, 1, 76.
Meurrens M. 1981: Hoegaarden: de Romeinse villa’s op het Kluisveld en in Overlaar-Goudberg. In: Provoost A. (red.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 22-25.
Meurrens M. & Claes B. 1981: Hoegaarden: Kluisveld. In: Provoost A. (red.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 77-94.
Nenquin J. 1982: Licentiaatsverhandelingen – Mémoires de Licence, Archeologie 1982, 1, 5-6.
Nenquin J. 1983: Mémoires de Licence 1983 – Licentiaatsverhandelingen 1983, Archeologie 1983, 2, 85.
Nenquin J. 1984: Mémoires de Licence 1984 – Licentiaatsverhandelingen 1984, Archeologie 1984, 2, 91.
Nenquin J. 1985: Mémoires d’université 1985 – Universitaire verhandelingen 1985, Archeologie 1985, 2, 87.
Nenquin J. 1986: Mémoires universitaires 1986 – Universitaire verhandelingen, Archeologie 1986, 2, 85.
Nenquin J. 1987: Mémoires universitaires 1986-87 – Universitaire verhandelingen 1986-87, Archeologie 1987, 2, 108.
Nenquin J. 1988: Mémoires universitaires 1987-88 – Universitaire verhandelingen 1987-99, Archeologie 1988, 2, 117-118.
Nenquin J. 1990: Universitaire verhandelingen 1988-89 – University theses list 1988-89, Archeologie 1990, 16.
Nouwen R. 2006: De Romeinen in België (31 v.C. – 476 n.C.), Leuven.
Ooghe R. 1984: Romeinse nederzettingssporen in Wevelgem. In: Despriet P. (Ed.). Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk, 42.
Opsteyn L. & Lodewijckx M. 1998: Romeins Wange in een ruimer perspectief. In: H. Thoen, F. Vermeulen, G. De Boe & M. Lodewijckx (eds), Romeinendag 1 april 1998, Leuven, 13-16.
Opsteyn L. & Lodewijckx M. 2000: Het begin en het einde van de Romeinse occupatie te Wange (Vlaams-Brabant). In: M. Lodewijckx, G. De Boe & H. Thoen H. (eds), Romeinendag Leuven 19 april 2000, Leuven, 29-34.
Opsteyn L. & Lodewijckx M. 2004: The late Roman and Merovingian periods at Wange (Central Belgium). In: M. Lodewijckx (ed.), Bruc ealles well. Archaeological essays concerning the peoples of north-west Europe in the first millennium AD, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 15, Leuven, 125-155.
Opsteyn L. & Taaike E. 1998: De Frankische migratie. Nederland en Vlaandren in de laat-Romeinse tijd, Leuven/Amsterdam.
Pauwels D. 2006: Rosmeer (Bilzen): proefsleuven op bedreigd terrein nabij de Romeinse villa en het Merovinigisch grafveld aan de Diepestraat (voorheen Schuivestraat). In: G. Creemers & A. Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 2001. Limburg - Het Oude Land van Loon, 85, 1, 43-47.
Pauwels D., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2002: Lafelt (Riemst): nederzetting uit de ijzertijd en bijgebouwen van een Romeinse villa op het Distrigas-traject. In: A. Vanderhoeven A. & G. Creemers (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1999, Limburg - Het Oude Land van Loon 81, 4, 297-300.
Peterson J.W.W. 1996: A computer model of Roman landscape in South Limburg. In: Kamermans H. & Fennema K. (eds), Interfacing the past. Computer applications and quantitative methods in archaelogy 1995, Analecta praehistorica Leidensia 28, 1, Leiden, 185-194.
Provoost A. 1981a: Oost-Brabant tijdens de Romeinse periode (midden 1e eeuw v.C. tot begin 4e eeuw n.C.). In: Provoost A. (ed.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 15-18.
Provoost A. 1981b: Bierbeek: een gallo-Romeinse villa. In: Provoost A. (red.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 76-102.
Raepsaet G. 1977: Quelques aspects de la division du sol en pays tongres. In: Rüger C.B. (ed.), Studien zu den Militärgrenzen Roms II. Vorträge des 10. internationalen Limeskongresses in der Germania Inferior, Köln, 147-157.
Raepsaet G. & Raepsaet-Charlier G. 1975: Gallia Belgica et Germania Iniferior. Vingt-cinq années de recherches historiques et archéologiques. In: Temporini H. en W. Haase (eds), Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II, 4, Berlin - New York, 1-299 (102-15).
Rogge M. 1982a: Kruishoutem (O.-Vl.): Romeinse nederzetting, Archeologie 1982, 2, 87.
Rogge M. 1982b: Kooigem (W.-Vl.): Romeinse nederzetting, Archeologie 1982, 2, 87.
Rogge M. 1984: Zegelsem-Brakel (O.-Vl.): nederzettingssporen uit de ijzertijd en de Romeinse periode, Archeologie 1984, 2, 96-97.
Rogge M. 1987: Zottegem - Velzeke (O.-Vl.): Archeologie 1987, 2, 135.
Rogge M. 1988: Zottegem - Velzeke (O.-Vl.), Archeologie 1988, 2, 170.
Rogge M. 1989: De opgravingen van het Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen in 1987-1988. Een beknopt verslag, Handelingen van het Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde 4, 181-189.
Rogge M. & De Mulder G. 1995: Een status quaestionis van het onderzoek in Zuid-Oost-Vlaanderen, Romeinendag. 15 maart 1995, Gent, 9-11.
Rogge M., Thoen H. & Vermeulen F. 1990: Oost-Vlaanderen in de Romeinse tijd. 25 jaar Verbond voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Oost-Vlaanderen, VOBOV-Info 38-40, 55-70.
Rogge M. & Velghe M. 1984: Opgravingen van de KUL in Zuid-Vlaanderen, VOBOV-Info 14, 14.
Roymans N. 1996: The sword or the plough. Regional dynamics in the romanisation of Belgic Gaul and the Rhineland area. In: Roymans N. (ed.), From the sword to the plough. Three studies on the earliest romanisation of northern Gaul, Amsterdam Archaeological Studies 1, Amsterdam, 9-126.
Schryvers A., Van Impe L., Cleeren N., Cosyns P., Ervynck A. & Van Strydonck M. 2001: De Gallo-Romeinse villa van Hoegaarden-Goudberg. In: A. Schryvers & L. Van Impe (red.), Op het spoor van het verleden. Archeologie op de hogesnelheidslijn, Leuven, 95-110.
Sevenants W. 1987: Een archeologische streekbeschrijving van de kaarten N.G.I. 23/3-4, 23/7-8 en 31/3-4: nota’s ten behoeve van een streekbeschrijving, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
Slofstra J., van Regteren Altena H.H., Roymans N. & Theuws F. (eds) 1982: Het Kempenproject. Een regionaal-archeologisch onderzoeksprogramma, Amsterdam.
Slofstra J. & Van der Sanden W. 1987: Rurale cultusplaatsen uit de Romeinse tijd in het Maas-Demer-Scheldegebied, Analecta Praehistorica Leidensia 20, 125-168.
Slofstra J., van Regteren Altena H.H. & Tehuws F. (eds) 1985: het Kempenproject; Een regionaal-archeologisch onderzoeksprogramma in uitvoering, Bijdragen tot de Studie van het Brabants Heem 27, Waalre.
Stuart P. & De Grooth M.E.T. 1987: Langs de weg, Tentoonstellingscatalogus, Heerlen-Maastricht.
Thoen H. 1965: Belsele-Steenwerk, Archeologie 1965, 2, 58.
Thoen H. 1967: Belsele (O.V.): Romeinse bewoningssporen, Archeologie 1967, 2, 64-65.
Tichelman G. (red.) 2005: Het villacomplex Kerkrade-Holzkuil, ADC-Rapport 155, Amersfoort.
Van Daele, B. 2004: Romeins aardewerk op het Kloosterveld in Oplinter (Tienen). In: Bosman, A. e.a. (eds), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag. Namur 24 04 2004, Namur, 73-76.
Van De Mergel F. 1973: Een Romeinse villa in Brakel, Triverius 3, 8-9.
Vandenberghe S. 1981: Heropgraving van de eerste Gallo-Romeinse waterput te Muizen (Brab.), Archeologie 1981, 1, 28-29.
Van Den Vonder I. 2008: Een Gallo-Romeinse villa met grafveld te Merchtem - Dooren (Vlaams-Brabant). In: W. De Clercq, S. Demeter, A. Guillaume, C. Massart, N. Paridaens & S. Van Bellingen (red.), Journée d'Archéologie Romaine - Romeinendag 19 04 2008, Brussel, 115-119.
Van den Vonder I. & Van de Velde E. 2007: De Gallo-Romeinse villa van Merchtem – Dooren (voorlopige resultaten). In: H. Degryse (red.), Archeologie 2007: Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, Leuven, 16-17.
Vanderhoeven A. 2002: Aspekte der frühesten Romanisierung Tongerens und des zentralen Teiles der Civitas Tungrorum. In: Th. Grünewald. & S. Seibel (eds), Kontinuität und Diskontinuität . Germania Inferior am Beginn und am Ende der römischen Herrschaft; Ergänzungsbände zum Reallexikon der Germanischen Altertumskunde 35, Berlin – New York, 119-144.
Vanderhoeven A. 2005: Een bijgebouw van de Romeinse villa van Neerharen-Rekem herbekeken. In: J. Maenen, R. Driessen & B. Indekeu (eds), Tesi samanunga vvas unde scona. Liber amicorum Theo Coun, Limburg – Het Oude Land van Loon. Extranummer 4, Hasselt, 31-45.
Vanderhoeven M. & Janssen L. 1974: De archeologische verzameling Coenegracht uit Rekem, Het Oude Land van Loon 29, 141-171.
Vanderhoeven M. & Janssen L. 1976: De Gallo-Romeinse villa van Rekem-Neerharen, Het Oude Land van Loon 31, 67-92.
Vanderhoeven M. & Janssen L. 1977: De archeologische verzameling Coenegracht uit Rekem (2de deel), Limburg 56, 3, 113-129.
Van der plaetsen P. 1993: Een beestenboel. Studie van de dierlijke resten. In: Vermeulen F., Rogge M. & Van Durme L. (eds): Terug naar de bron. Kruishoutem archeologisch doorgelicht, Archeologische Inventaris Vlaanderen. Buitengewone Reeks 2, Gent, 167-170.
Van Doorselaer A. 1966: Belsele (O.-Vl.): bewoningssporen uit de Romeinse tijd, Archeologie 1966, 2, 71.
Van Doorselaer A. 1971: Belsele (O.-Vl.): Romeinse nederzetting, Archeologie 1971, 1, 16.
Van Doorselaer A. 1981: De Romeinen in de Nederlanden. In: Blok D.-P. (e.a.), Algemene geschiedenis der Nederlanden, Haarlem, 22-98.
Van Doorselaer A. 1995: Neue ergebnisse zur Anwesenheit von römerzeitlichen Vilae im Scheldetal (Belgien). In: Forschungen und Ergebnisse. Internationale Tagung über römische Villen. Veszprém, 16-20 Mai 1994, Balácai Közlemények III. 1994, Veszprém, 124-133.
Van Doorselaer A. 2000: Gallo-Romeinse villa’s in het Scheldegebied, West-Vlaamse Archeologie Te Kijk 2, Kortrijk.
Van Doorselaer A. & De Cock S. 2003-2004: 1974-2004 = 30 jaar archeologie in West-Vlaanderen. 30 jaar V.O.B.OW, Westvlaamse Archaeologica, 19-20.
Van Doorselaer A. & Thoen H. 1967: …. In: Kultureel Jaarboek van de Provincie Oost-Vlaanderen II, 1965, 42-51.
Van Doorselaer A. & Thoen H. 1968: Belsele (O.Vl.): Romeinse nederzetting, Archeologie 1968, 2, 74.
Van Impe L. 1975: Archaeologica uit Rekem, Archeologie 1975, 2, 97-98.
Van Neer W. 1984: Enkele dierenresten uit het badgebouw van de villa. In: Cramers D., Het badgebouw van de villa te Kumtich. In: Thomas S. (ed.), Liber Amicorum Paul Dewalhens. Bijdragen tot de geschiedenis van Tienen, Tienen, 135-137.
Van Neer W. 1988: Archeozoölogische vondsten uit de La Téne en de Romeinse periode te Broekom (Limburg). In: Vanvinckenroye W., De Romeinse villa op de Sassenbroekberg te Broekom, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 38, 37-42.
Van Neer W. 1990: De archeozoölogische resten. In: Vanvinckenroye W., De Romeinse villa's van Piringen ("Mulkenveld") en Vechmaal ("Walenveld"), Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 42, 31-33.
Van Neer W. & Lodewijckx M. 1992: Faunaresten uit de late IJzertijd, Romeinse periode en late middeleeuwen te Wange (gem. Landen, prov. Brabant), Archeologie in Vlaanderen II, 55-64.
Van Ossel P. 1979: Les établissements ruraux au Bas-Empire dans la partie méridionale de la Civitas Tungrorum, Revue Archéol. Louvain XII, 9-27.
Van Ossel P. 1987: Les établissements ruraux au Bas-Empire dans le Nord de la Gaule, Archaeologia Belgica n.r. III, 185-196.
Van Ossel P. 1992: Etablissements ruraux de l'Antiquité tardive dans le nord de la Gaule, Gallia Supplément 51, Paris.
Vanvinckenroye W. 1985: Tongeren Romeinse stad, Tielt.
Vanvinckenroye W. 1988: De Romeinse villa op de Sassenbroekberg te Broekom, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 38, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1989a: Een onderzoek naar de Romeinse plattelandsbewoning in Zuid-Limburg, Limburg 58, 2, 75-82.
Vanvinckenroye W. 1989b: Een Romeinse villa te Vechmaal, Museumfax 1989, 3, 4.
Vanvinckenroye W. 1990a: De Romeinse villa’s van Piringen en Vechmaal, Museumfax 1990, 2, 7.
Vanvinckenroye W. 1990b: De Romeinse villa's van Piringen ("Mulkenveld") en Vechmaal ("Walenveld"), Publicaties van het provinciaal gallo-Romeins museum Tongeren 42, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1990c: De Romeinse villa's van Piringen ("Mulkenveld") en Vechmaal ("Walenveld"), Publicaties van het provinciaal gallo-Romeins museum Tongeren 42, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1997: De Romeinse villa op het “Middelpadveld” te Vechmaal (Heers), Limburg – Het Oude Land van Loon 76, 2, 179-192.
Verbeeck M. 1987: Erps-Kwerps (Bt): Romeinse villa – Merovingisch grafveld, Archeologie 1987, 2, 136.
Verbeeck M. 1988: Erps-Kwerps (Kortemberg, Bt): Romeinse villa – Merovingisch grafveld, Archeologie 1988, 2, 146.
Verbeeck M. 1990a: Erps-Kwerps (Brab.): Romeinse villa en Merovingisch grafveld, Archeologie 1990, 44-45.
Verbeeck M. 1990b: Enkele beschouwingen rond het Merovingisch grafveld te Erps-Kwerps, Meer Schoonheid 37, 1, 4-17.
Verbeeck M. 1994: Vijf opgravingscampagnes te Erps-Kwerps (1987-1991). Een bewoningscontinuïteit van de prehistorie tot de middeleeuwen. In: Lodewijckx, M. (red.), Bijdragen tot de studie van bewoningscontinuïteit. Contributions à l’étude de la continuité de l’habitat, Acta Archaeologica Lovaniensia 33, 67-87.
Verbeeck M., Lentacker A., Van Neer W. & Carlier C. 1991: Première approche interdisciplinaire du site d'Erps-Kwerps (Brabant, Belgique): archéologie, archéozoologie et anthropologie, Acta Archaeologica Lovaniensia 30, 21-39.
Wightman E.M. 1978: North-Eastern Gaul in Late Antiquity: the testimony of settlement patterns in an age of transition, Berichten van de ROB 28, 241-250.
Wightman E. M. 1985: Gallia Belgica, London.
Willems J. & Mathu J. 1984: Romeinse villa Muizen, Maalinas Antiqua 1, 1, 2-7. (nog opzoeken).
Wouters W., In ’t Ven I., Debruyne T. & Roovers I. 1999: Romeinse sporen op het Distrigastraject Opwijk-Raeren. In: H. Thoen, F. Vermeulen, G. De Boe, M. Lodewijckx &
X.: Verslag Pro Cortoriaco, 1967-1974, 7; 1975-1976, 5; 1977-1980, 3, 6 en 8.
“In den Romeinschen tijd woonde de bevolking van ons land in leemen hutten of in steenen gebouwen. Van de leemen hutten, waarin in ’t bijzonder de lagere volksklas moet gewoond hebben en die zich nauwelijks van de voor-Romeinsche “tuguria” zullen onderscheiden hebben, is bijna niets meer overgebleven. Pas in de laatste jaren, dankzij den merkwaardigen vooruitgang der opgravingstechniek, heeft men ook de sporen van deze vergankelijke woningen uit den bodem leeren aflezen.” (De Maeyer 1937, 13) 1
Deze passage uit De Maeyer’s opus magnum “De overblijfselen der Romeinsche villas in België” (1937-1940), hoe scherp en doordrongen van koloniale visies op romanisatie ze nu ook moge klinken, is heel tekenend voor de teneur die het onderzoek van de Romeinse landelijke bewoning in Vlaanderen en de rest van Noordwest Europa decennia lang karakteriseerde. Werkend vanuit een toen in West-Europa courante koloniaal en zelfs politiek-ideologisch geïnspireerde visie op romanisatie (De Maeyer 1944), omvatte de studie van de landelijke bewoning tijdens de Romeinse tijd in België en Vlaanderen tot de late jaren 1970 voornamelijk het onderzoek naar de verspreiding en de vormenschat van de Romeinse villae. Niet alleen wegens hun betere zichtbaarheid bij prospectie en bouwwerken, maar ook vanuit een bewuste vraagstelling en zoektocht naar “Romeinse” elementen werd een scherp beeld van tegenstellingen gecreëerd waarin de bewoners van de villae gelijkgesteld werden met Romeinse sociale en culturele superioriteit vermits ze: “sociaal beschouwd op een hooger peil dan de overige bevolking van het platteland stonden…dat zij op hunne beurt romaniserende factors zijn geweest die stellig vanwege Rome aanmoedigden steun mochten ondervinden voor hun denationaliseerend werk”. (De Maeyer 1937, 301)
Net vanwege die superieure “Romeinsheid” en daar bovenop in de Belgische context duidelijk een extra politiek geïnspireerde inslag, vormden de villae dan ook het geliefkoosde studieobject voor De Maeyer, terwijl andere landelijke nederzettingen niet aan bod kwamen. Bijgevolg werden deze laatste ook niet gevonden; een cirkelredenering van formaat. Hoewel na het boek van De Maeyer deze stellingen nooit meer zijn overgenomen en toegepast, bleef de erfenis van dit ideeëngoed m.b.t. Romanisatie in de oriëntatie van het onderzoek tussen de jaren 1950 en 1990 verder leven onder de vorm van duidelijke klemtonen op het onderzoek van de verspreiding en vormenschat villae. (zie bijv. De Boe 1971a,b, 1973, 1983a,b; Vanvinkenroye 1987; 1988; 1990) Naast tal van andere inhoudelijke en organisatorische problemen inherent aan de Belgische en later Vlaamse archeologie (infra), vormden deze factoren mede de basis van een slechte kennis van de landelijke bewoning uit de Romeinse tijd bij het begin van de 21ste eeuw. En hoewel De Maeyer in 1937 al aangeeft dat door de zgn. vooruitgang van de opgravingstechniek het bestaan van deze nederzettingen ook toen al erkend werd, is daarvan pas een 30-tal jaar later wat neerslag van in de literatuur te vinden (zie bijv. Van Doorselaer 1963; Van Doorselaer & Thoen 1967; De Boe 1966; Ibens 1976). De kaart die in 1972 de landelijke bewoning in Vlaanderen in de Romeinse tijd resumeerde (Laurent, Callebaut & Roosens 1972) is amper beter gestoffeerd dan de verspreidingskaart die De Maeyer produceerde in 1937. Dit staat sterk in tegenstelling tot het onderzoek in onze buurlanden waar vanaf de jaren 1950 –1960 maar vooral tijdens de jaren 1970 en 1980 een grote vooruitgang werd geboekt (infra). Het was medio 1960 en vooral gedurende de jaren 1970 pas dat onder stimulans van de NDO en AVRA lokaal vooral in het Antwerpse het onderzoek van landelijke nederzettingen voor het eerst in Vlaanderen substantieel vorm kreeg.
Deels als gevolg van een sterk koloniaal geïnspireerde visie op romanisatie werd het onderscheid in bewoning tussen “Romeinse villae” en “Inheems-Romeinse nederzettingen” of “fermes indigènes” gecreëerd. Deze dichotomie mag heden ten dage dan wel niet meer de normatieve betekenis hebben die ze initieel had, door het bestendigd gebruik van de terminologie, zelfs in de onderzoeksbalans !- wordt wel een indruk van kwalitatief onderscheid of onderlinge tegenstelling gewekt. Dit weerklinkt ook in de termen “villalandschap” en “non-villalandschap” (Dark & Dark 1997, 43) die voor onze contreien overigens geografisch vooral te vereenzelvigen zijn met de vruchtbare leemgronden van Centraal-België, Zuidoost-Nederland, het Rijnland en Noord-Frankrijk enerzijds en met de kustgebieden en de schralere zandgronden van Noord- en Noordwest-Vlaanderen en Zuid- en Zuidwest-Nederland anderzijds. In definitie gaat het natuurlijk al lang niet meer om een sociaal kwalificerend verschil. Belangrijk is dat men met het gebruik van deze terminologie voornamelijk een onderscheid wil maken in de karakterisatie van het bewoningspatroon als gevolg van een verschil in “modes of production” (Slofstra 1991) en bijgevolg ook van de wijze waarop identiteit en/of status materieel werd uitgedrukt. Villa’s werden voornamelijk in verband gebracht met een landschap van agrarische productie (Purcell 1995) in handen van een lokale elite en in het bijzonder met een landbouweconomie gericht op surplus graanproductie voor de markt. De winst die uit deze handel voortkwam zou dan aanleiding hebben gegeven tot de bouw van villa’s waarin allerlei aspecten van status tot uiting werden gebracht (Slofstra 1991, 161; 1995). Non-villa sites werden eerder in verband gebracht met een meer behoudsgezinde, traditionele en pastorale landbouweconomie. (Roymans 1996a,b; 1999; Roymans & Gerritsen 2002)
In recent onderzoek wordt echter steeds duidelijker dat de landbouweconomie en de bijhorende bedrijfsvoering net als de architecturale en andere materiële neerslag daarvan, veel complexer is dan in de socio-economische modellen tot nu toe werd aangenomen. Steeds meer worden in Vlaanderen en Noord-Frankrijk in het villalandschap ook landelijke zgn. inheems-Romeinse sites gevonden (bijv. Vanderhoeven 2006), terwijl anderzijds her en der ook villa-achtige steenbouwcomplexen opduiken in het non-villa landschap. (bijv. De Clercq & Thoen 1998; De Clercq 2003) Binnen de aangetroffen sites is er ook steeds meer onderlinge variatie in bouwwijze te bespeuren. Het blijft geografisch gezien wel zo dat het zwaartepunt in de verspreiding van beide bewoningsvormen zich handhaaft in de hoger genoemde regio’s; de sociaaleconomische processen die achter deze verspreidingspatronen en architectuurverschillen schuil gaan, verdienen echter zeker verdere verfijning, nuance en bijstelling. Eerder dan te evolueren naar een morfologisch paradigma moet de variabiliteit in landelijke nederzettingstypes vooral een vraagstelling vormen voor sociale analyse. Bovendien, impliciet blijft de aanname aanwezig dat villae en de materiële cultuur van hun bewoners per definitie gelijk gesteld worden met de accumulatie en display van rijkdom; terwijl omgekeerd evenredig dat niet zou zijn bij de boerderijen in inheemse traditie. Men kan zich echter gemakkelijk voorstellen dat persoonlijke status in het non-villa landschap met zijn diepgewortelde pastorale tradities meer vorm werd gegeven door de omvang of samenstelling van de kuddes, dan door de bouwwijze van het huis. Het afwezig zijn van villae en het domineren van boerderijen in inheemse traditie in bepaalde gebieden hoeft dus niet noodzakelijk enkel of alleen maar een economische oorzaak te hebben, het kan ook een sociaal, cultureel of landschappelijk bepaalde grondslag hebben. Dergelijke verschillen en keuzes zijn dus specifiek voor elke sociale context en een voorwerp van continu onderzoek, eerder dan van een aanname (Taylor 2001: 49-50).
Architecturaal gezien -in de zin van het uitzicht van het erf, de gebouwen en de inrichting van het landschap op en rond de nederzetting- staan de waarneembare variaties ongetwijfeld ook deels voor complexe landbouweconomische, culturele en sociale verschillen in lokale en regionale gemeenschappen; differentiaties wiens exacte betekenis ons voorlopig ontgaat, ondermeer door een gebrek aan systematisch vlakdekkend en multidisciplinair onderzoek. In die zin lijkt een adequate definitie van de term “boerderij in inheemse traditie”, in de huidige onderzoeksstand quasi onmogelijk ontwikkelbaar en moeten we ons dan ook voorlopig beperken tot een louter vormelijke omschrijving. Bij uitsluiting van alle in steen opgetrokken gebouwen, villae, militaire nederzettingsvormen en lokale centra en op basis van het uitzicht van het erf, de gebouwen en de inrichting van het landschap op en rond de site kan men stellen dat onder deze categorie ressorteren de in hout opgetrokken en in vele gevallen door lineaire of curvilineaire begrenzingen omgeven landbouwnederzettingen uit de Romeinse tijd, wiens vorm geworteld is in pre-Romeinse inheemse bouwtradities en die tijdens hun evolutie aan steenbouwsites ontleende eigenschappen konden overnemen. In het laatste geval kan gedacht worden aan houten boerderijen die een (gedeeltelijk) verhard dak hadden met tegulae en imbrices of aan de zgn. proto-villa’s die weliswaar in hoofdzaak in hout werden opgetrokken maar waarin bijv. een porticus in hout of een badgebouwtje of kelder in steen voorkwam.
Het onderzoek naar boerderijen in inheems traditie tijdens de Romeinse tijd vindt in het continentale deel van Noordwest-Europa vooral zijn oorsprong in het onderzoek van de “Germaanse” nederzettingen die in jaren 1960 en 1970 werden ontdekt in Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland. Vooral het onderzoek in Nederland kan als voortrekker worden beschouwd. (voor een uitgebreid overzicht: Roymans & Heeren 2004) Uit het onderzoek van complexen zoals Wijster (Van Es 1967), Feddersen-Wierde (Haarnagel 1979) en Flögeln (Kossack et al 1984; Zimmerman 1992) groeide het besef van het voorkomen van grote nederzettingscomplexen, opgetrokken in hout waarin oa het woonstalhuis een belangrijke plaats innam. Zelf wortelden de genoemde opgravingen overigens in het pionierswerk van personen zoals Van Giffen en zijn leerlingen die al in 1936 het onderzoek publiceerde van enkele Friese terpen zoals Ezinge (Van Giffen 1936) en in staat waren om enkele goed bewaarde boerderijen bloot te leggen en te onderzoeken. Opvallend is dat sommige van deze projecten van meet af aan vlakdekkend waren (zoals in Wijster bijv.) waardoor een goed inzicht werd verkregen in de structuur van de nederzetting en haar plaats in het landschap. Deze onderzoekswijze werd na de Tweede Wereldoorlog echter pas goed en wel verder gezet binnen de grenzen van het Romeinse Rijk met de opgravingen tijdens de late jaren 1960 van de landelijke complexen van Druten (Hulst 1978), Rijswijk-De Bult (Bloemers 1978) en wat later ook Hoogeloon (Slofstra & Bazelmans 1985) die beeldbepalende en vernieuwende resultaten opleverden. Deze projecten werden van meet af aan ook door een wetenschappelijke vraagstelling gestuurd en ze werden ook uitgevoerd door wetenschappelijke onderzoeksinstituten zoals de ROB en de universiteit van Amsterdam.
Grote en soms langdurige opgravingsprojecten zoals dat van de Universiteit Leiden te Oss-Ussen (Jansen & Fokkens 1999; Schinkel 1998; Wesselingh 2000), enkele grote preventieve opgravingen in Zuid-Nederland zoals te Weert (Roymans & Tol 1996), Breda (Koot & Berkvens 2004), Nederweert (Hiddink 2005a) of in rivierengebied zoals te Lieshout (Hiddink 2005b) en Tiel (Heeren 2006) samen met regionale studies zoals Willems’ (1983) studie in het oostelijke rivierengebied en later het onderzoek in het Maas-Demer-Scheldegebied (Slofstra 1982; 1991) en aangevuld met landschapsecologische studies (Kooistra 1996) leverden belangrijke informatie op over de verspreiding, aard en evolutie van de landelijke nederzettingen over de verschillende Nederlandse landschapstypes. Het moet echter wel gezegd dat voor wat betreft sommige deelgebieden zoals het westen van Brabant en Zeeland, de kennis van de landelijke bewoning tot voor kort nog erg beperkt was en dat maar sinds onlangs meer ruimtelijk inzicht werd verworven. (Sier 2003; Koot & Berkvens 2004)
Belangrijk is dat het onderzoek van deze boerennederzettingen in een wetenschappelijke vraagstelling werd geplaatst en dat er sociaal en antropologisch geïnspireerde verklaringsmodellen voor hun aard, evolutie en verschillen werden ontwikkeld. Vanuit een perspectief van acculturatie en antropologie kwam Slofstra (1991) voor het MDS-gebied zo tot een synthese en interpretatief model voor de ontwikkeling van het landelijke nederzettingssysteem. Sociale relaties onder de vorm van patroon-cliënt-verhoudingen maar ook economische parameters (mode of production: supra) waren in zijn visie bepalend voor de diversiteit in landelijke bewoning en in romanisatie van de boerengemeenschappen. Slofstra onderscheidde zowel open nederzettingen (kleiner dan 1ha) als gesloten nederzettingen. (groter dan 1 ha) Waar de eerste maar enkele huizen en wat spiekers hadden en voornamelijk op veeteelt gericht waren, werden de tweede gekenmerkt door 6 à 7 huizen geschikt rondom open plaats. Het gaat in dit geval wellicht om elitenederzettingen, die ondermeer ook in surplus graanproductie betrokken waren. Er is sprake van een grotere plaatsvastheid en een toename in oppervlak vanaf de Flavische tijd. Sommige van de grote complexen konden tot villa ontwikkelen en wijzen op een sociale differentiatie van de eigenaars. Roymans (1996a,b; 1999) legde wat later in zijn studies echter vooral de nadruk op het doorleven van diepgewortelde pastorale en martiale aspecten binnen de culturele tradities van boerengemeenschappen maar hanteerde ook een landschappelijke visie waarin de culturele biografie en ideologische / religieuze aspecten in diachroon perspectief een grote rol spelen (Roymans 1996; Roymans & Gerritsen 2002). Het tijd-diepte-aspect werd in het werk van Gerritsen (2003) meegenomen en vooral geplaatst in een antropologisch bepaald model van identiteitsopbouw van de lokale gemeenschappen waarbij ondermeer het hergebruik van oudere grafvelden wordt gezien als het leggen van een claim op het landschap. Globaal gezien staat het onderzoek van de landelijke boerderijen in inheemse traditie in Nederland
Een belangrijke impuls voor de herkenning en het onderzoek van deze boerderijen was zeker wat Frankrijk betreft, de luchtfotografie. Uit het werk van R. Agache (1978) resulteerde niet alleen de ontdekking van talloze villae maar evenzeer van de fermes indigènes. Echt grootschalige vlakdekkende opgravingen in het noorden van Frankrijk werden echter pas goed en wel geïnitieerd in het begin en midden van de jaren 1980 met opgravingen zoals bijv. te Conchil-le-Temple (Leman-Delerive & Piningre 1981; Lemaire & Rossignol 1996), Missy-sur-Aisne en Beaurieux-les-Grèves (Haselgrove 1996). Toch is het overzicht van A. Ferdière “Les campagnes en Gaule Romaine” uit 1988 nog sterk gericht op de beschrijving van villae en is er van fermes indigènes niet of nauwelijks sprake. Met de invloedrijke bundel “De la ferme indigène à la villa Gallo-Romaine” (Bayard & Collart 1996) kwam hierin echter fundamenteel verandering en de publicatie zal een blijvende impact hebben op de studie van de landelijke bewoning, ondermeer door aan te tonen dat sommige zgn. typische aspecten van de architectuur van het villadomein zoals de rectilineaire enclosure, in feite hun oorsprong vonden in pre-Romeinse lokale of regionale ontwikkelingen.
Met de explosieve groei van de preventieve archeologie in Frankrijk sinds het midden van de jaren 1980 onder impuls van AFAN en later INRAP kwam een massale dataset ter beschikking die toelaat om de late ijzertijd en Romeinse rurale landschappen in detail te bestuderen op lokale en regionale schaal. Vooral de tientallen hectares grote afgravingsvlakken lieten toe om volledige complexen en hun onderlinge samenhang in een (diachroon) landschapsperspectief te plaatsen, de grote variabiliteit ervan te erkennen en de evolutie in de landbouweconomie uitdrukkelijk aan bod te laten komen (zie bijv. Marion & Blancquaert 2000; Malrain, Matterne & Méniel 2002; Lepetz & Matterne 2003; Courbot-Deweirdt 2004; Ferdière A., et al. 2006a,b). Naar sociale verklaringsmodellen toe blijft de archeologie van de landelijke bewoning uit de Romeinse tijd echter nog steken in een opvallend strak binair romanisatiediscours en maar zeer recent wordt uit Frankrijk zelf aangedrongen op een nieuwe kijk op het fenomeen… “Faut-il déromaniser l’archéologie des campagnes Gallo-Romaines ?” (Ouzoulias 2007, 22)
Groot-Britannië kent een lange traditie van archeologisch onderzoek van landelijke nederzettingen ondermeer door de ontwikkeling van de luchtfotografie en de “rescue archaeology” in de jaren 1960. Al 2 decennia later konden de eerste vormen van regionale en supraregionale synthese worden voorgesteld (Miles 1982; Higham 1989; Millet 1990, 1992). Uit het Brits onderzoek en de daar ontwikkelde visies op romanisatie groeide het idee van het bestaan van een grote diversiteit in landelijke bewoningsvormen en “landscapes”. In 1989 ontwikkelde Hingley in een overzichtswerk over landelijke bewoning in Britannia ook sociale verklaringsmodellen voor architecturale discrepanties zichtbaar in en tussen de sites onderling. Verklaringen worden niet alleen in economische, maar ook in sociale, culturele en politieke oorsprong gezocht. Dit idee werd ook onderschreven door Dark & Dark (1997), maar zij plaatsten de landelijke nederzettingen uitdrukkelijk in een landschapsperspectief ondersteund door paleo-ecologisch onderzoek. Concepten als “native landscapes” en “villa and non-villa-landscape”, maar ook de grote onderlinge verschillen tussen regio’s komen aan bod. Taylor legt er recenter (2001; 2007) de nadruk op dat het onderzoek van rurale gemeenschappen (in Groot-Britannië) in een structuralistisch perspectief van continue verandering moet gezien worden en kent een grote rol toe aan de contextueel geïntegreerde studie van de materiële cultuur en architectuur van deze gemeenschappen vooral dan in het analyseren en duiden van de onderlinge variabiliteit. Hij wijst echter ook op de dringende nood aan nieuwe studies terzake die het descriptieve- en siteniveau overstijgen. Vooral sinds de komst van PPG16 en de commerciële archeologie werden volgens Taylor weinig pogingen ondernomen tot analyse en synthese van de toegenomen dataset (Taylor 2007, 3-4). Regionale variatie in landelijke bewoning, boerderijen in inheemse traditie en materiële cultuur worden in de twee meest recente syntheses met betrekking op rurale bewoning inderdaad als dé belangrijke onderzoeksobjecten in het kader van de analyse van de Romanisatieprocessen van rurale gemeenschappen in Britannia beschouwd. (Hingley 2004; King 2004)
In de aangrenzende gebieden van Luxemburg en Duitsland tot slot werd ook een landschappelijke aanpak in het onderzoek van landelijke nederzettingen voor ogen gehouden. Hoger al verwezen we naar het pionierswerk nabij de Elbe- en Wesermondingen. Ondermeer ook door de archeologische begeleiding van de grote projecten van bruinkooldagbouw werden in het Rijnland aanzienlijke inzichten verworven in de ontwikkeling van het rurale landschap. Verschillende studies brengen data aan maar een synthese, in het bijzonder wat betreft de landelijke nederzettingen schijnt vooralsnog te ontbreken (Lenz 1999a,b; Häffner & Von Schnurbein 2000).
Enkele microregio’s en deelaspecten niet te na gesproken, staat het onderzoek van landelijke “inheems-Romeinse” bewoning (boerderijen, lokale centra,…) in Vlaanderen nog in zijn kinderschoenen wanneer we het vergelijken met de ons omringende landen. De geschiedenis van het onderzoek van dergelijke sites volgt weliswaar de trend gezet in onze buurlanden, de wijze waarop hij concreet heeft vorm gekregen kan meer als versnipperd worden omschreven en dit zowel voor wat betreft het aantal opgravingen, hun omvang en de wetenschappelijke studie en interpretatie ervan. Het onderzoek dat in het Antwerpse werd gevoerd in de jaren 1970 - 1980 was zeker baanbrekend voor zijn tijd en de resultaten sloten goed aan bij wat er in de aangrenzende delen van Nederland op dat moment werd ontdekt. Dit onderzoek viel in de jaren 1990 van vorige eeuw echter terug en tot een internationaal teruggekoppelde wetenschappelijke synthese van het landelijk bewoningspatroon - in het bijzonder voor wat de boerderijen in inheemse traditie betreft - kon het niet komen. Wel werd een goed inzicht verkregen in de courante houtbouwtradities. (De Boe 1988) Vanuit Nederland werden de Vlaamse resultaten wel meegenomen in synthetiserend onderzoek. (Slofstra 1991; Roymans 1996)
Hoewel in het decennium 1995-2005 in andere Vlaamse regio’s zoals het zandgebied tussen Gent en Brugge een aanzienlijke vooruitgang werd geboekt in het aantal aangesneden sites; situeert de karakterisatie ervan, gezien vanuit een internationaal onderzoeksperspectief (supra), zich nog in een embryonaal stadium (infra). Zelfs het grootste wetenschappelijke regionale onderzoeksprogramma m.b.t. rurale bewoning ooit gevoerd in Vlaanderen (Leie-Scheldegebied: Vermeulen 1992) leverde wel een grote hoeveelheid aan interessante informatie over materiële cultuur; grafritus en verspreiding van bewoning op, een goed inzicht in de nederzettingsstructuur zelf kon niet worden verkregen op basis van de enkele delen van nederzettingen en een tweetal volledige huisplattegronden. Nochtans kan men zeker uit de resultaten van veldprospectie (cfr. Vermeulen 1992), luchtfotografie (De Clercq & Semey 2005) en uit de onderzoeksresultaten van de aangrenzende gebieden in de buurlanden, afleiden dat de landelijke nederzettingen uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd ook kwantitatief sterk aanwezig moeten zijn in het Vlaamse bodemarchief. Dit inzicht kon voor het eerst ook in Vlaanderen min of meer met cijfers op grote schaal worden geïndiceerd bij de aanleg van de aardgasleiding Zeebrugge-Raeren die Vlaanderen doorsneed in 1997-1998. (De Clercq, In ’t Ven & Hollevoet 2005)
Tot 2007 werden in Vlaanderen echter maar twee boerenerven min of meer volledig opgegraven en dit in Aalter (De Clercq & Mortier 2001; 2002a; 2003) en in Brugge (Hollevoet & Hillewaert 1997/1998 (2002)). Dit betekent dat op deze plaatsen zowel het bewoningsareaal zelf bestaande uit de huizen, bijgebouwen, waterputten en eventuele andere gerelateerde fenomenen, als het greppelsysteem dat de nederzetting omheinde (“enclosure”) zo goed als volledig werden onderzocht. Tot welk ruimer netwerk van onderling in het landschap gestructureerde complexen beide erven behoorden, kon echter niet worden uitgemaakt. Van sommige sites zoals Oelegem (De Boe & Lauwers 1979; 1980), Neerharen-Rekem (De Boe 1985), Donk (Van Impe 1983) of Brecht-Zoegweg (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b, 196-235) is het aannemelijk dat ze vrij volledig werden onderzocht, al werden er geen echte begrenzingen vastgesteld en situeren de gebouwen zich tot aan de rand van het opgravingsvlak. Daarnaast kwamen sinds 1960 nog verschillende fragmenten van duidelijke boerderijen in inheemse traditie op minstens 60 plaatsen in Vlaanderen aan het licht. Meestal betrof het delen van de woonarealen (huizen, bijgebouwen en waterputten) en / of greppels.
Na het pionierswerk in de Antwerpse Kempen tijdens de jaren 1970-1980 kenden vooral de zandige gronden van Oost- en West-Vlaanderen sinds 1990 een duidelijke toename in het onderzoek van landelijke nederzettings(delen). Ter illustratie kan aangehaald worden dat er in Oost-Vlaanderen in een periode sinds de aanvang van het archeologisch onderzoek in het gebied rond 1960 tot in 1995 maar 6 volledige huisplattegronden van houten boerderijen uit de Romeinse periode aan het licht kwamen, maar dat in de veel kortere tijdsspanne van 1995 tot 2000 er 16 bijkwamen en tussen 2000 en 2007 nog eens 28. Dit mag enerzijds wel als een kwantitatief significante vooruitgang beschouwd worden, die wellicht deels te duiden is door het in voege treden van het decreet op het archeologisch patrimonium (1993) en persoongebonden motivaties; anderzijds is het evenzeer tekenend voor de beperktheid van de kennis en interpretaties gemaakt voorheen. Bovendien, met één grootschalig onderzoek in Evergem (O.-Vl.) kwamen er in dit gebied op één plaats alleen al op minder dan twee jaar (2006-2007) zo goed als 12 volledige erven en 17 huisplattegronden bij (De Clercq et al 2007; Laloo et al. 2008). Dit illustreert alleen al op kwantitatief vlak de beperktheid van de vergaarde kennis en de gemaakte interpretaties tot op 2005 ten volle. Net als in buitenlandse projecten van gelijkaardige omvang is in dit project overigens de grote landschappelijke uitgestrektheid van deze nederzettingen gebleken, gekoppeld aan een lage gemiddelde sporendensiteit. Met andere woorden, de complexen zijn groot, het bewoningsareaal zelf is klein en maar een beperkt deeltje van een landschappelijk breder gestructureerd geheel. Het project Kluizendok resulteert in zijn methodologische consequenties dan ook vooral in de noodzaak tot het erkennen van de lage spoordensiteiten in proefsleuven als relevant criterium voor het organiseren van grootschalige vlakdekkende opgravingen nodig om tot een goede karakterisatie van de landelijke bewoningsstructuur te komen. Het opgraven van een bewoningskern met gebouw, waterput en bijgebouwen impliceert verder ook geenszins dat daarmee alle kennis van het boerenerf vergaard werd, wel integendeel. Ook de grachtensystemen, poelen, waterputten en bijgebouwen die veraf liggen van het klassieke bewoningsareaal maken integraal deel uit van het complex en dienen onderzocht te worden. Deze werden overigens soms als “off-site” gekarakteriseerd, een interpretatie die, gezien de landschappelijke omvang van deze nederzettingen in tegenstelling tot de kleinschaligheid van het in doorsnee gevoerde onderzoek, zeker als voorbarig kan worden beschouwd.
Naast de nood aan een landschappelijke visie op het fenomeen landelijke nederzetting en dus ook de nood aan grote afgravingsvlakken, wijzen de data op Vlaams niveau tot op heden evenzeer op de beperktheid van de vergaarde kennis en synthese. Voor welbepaalde microregio’s kan wellicht een aanvang gemaakt worden met een initiële wetenschappelijke analyse van het fenomeen “landelijke nederzetting”, op Vlaams niveau is de kennis echter geografisch en structureel gezien erg gefragmenteerd (infra). De oorzaken voor de slechte, of beter, de gefragmenteerde kennis van dit bewoningstype (en andere soorten sites uit verschillende periodes) zijn velerlei en zowel van extern- als internarcheologische aard. We menen er in willekeurige volgorde minstens vijf te kunnen opsommen:
Het zou ons te ver leiden om op elk van deze factoren individueel in te gaan. Feit is alleszins dat door de onder 2. aangegeven fragiliteit en lage sporendensiteit en door het basisgebrek aan onderzoek van deze fenomenen in het nabije verleden als gevolg van 4. en 5., deze boerderijen zoals onder 3. aangegeven steeds vaker dreigen te ontsnappen aan -cfr 1. grootschalig vlakdekkend- onderzoek in beheersmatige context, of in het beste geval, maar deels zullen worden onderzocht. Dit kan leiden tot interpretatieve self-fullfilling prophecies en bijgevolg een vertekende beeldvorming over het verleden opwekken.
We hebben ervoor gekozen om in het verdere betoog de status quaestionis van de kennis van de inheems-Romeinse boerderijen per landschappelijk bepaalde deelregio te bieden. Op deze wijze kan niet alleen de historiografie, maar vooral ook de diversiteit van het landelijke inheemse bewoningspatroon zoals we het momenteel uit de archeologie menen te kunnen reconstrueren, beter begrepen worden. De kern van het overzicht wordt gevormd door opgravingen waar een (gedeeltelijk) zicht kon worden verkregen op de structuur van de nederzettingen. De vele kleine waarnemingen van grachten, paalkuilen en waterputten die her en der verspreid over Vlaanderen aan het licht kwamen, werden niet in dit overzicht opgenomen omdat niet kan uitgemaakt worden tot welke nederzettingsvorm ze exact behoorden.
Het onderzoek van de landelijke bewoning uit de Romeinse tijd stak in Vlaanderen goed en wel van wal op de Antwerpse zandgronden. Enkele amateurs (waaruit later de AVRA zou groeien) en G. De Boe (NDO) konden tijdens de jaren 1960 en 1970 heel wat opgravingen verrichten, niet alleen in vici, maar ook op boerderijen in inheemse traditie zoals te Mortsel (De Boe 1966), Oelegem (De Boe & Lauwers 1979; 1980) en Ekeren. (Ibens 1976) Oostelijker, in de Demervallei, kon eveneens een grote landelijke nederzetting worden aangesneden in Donk. (Van Impe 1983; 1987; Van Impe et al. 1992: 559-561) Het complex van Donk vangt aan in de eerste eeuw en zou tot de derde eeuw hebben blijven bestaan. Nadien kwamen Franken er zich vestigen, getuige minstens twee hutkommen, een langhuis, waterput en grafveld. De site van Morstel is bijzonder wegens de imposante omgrachting, de afwijkende houtbouw met aanbouw van een stenen kelder en kan volgens Slofstra een zgn. proto-villa zijn (Slofstra 1991: 165) en dus een aanwijzing vormen voor sociale differentiatie. De andere genoemde nederzettingen kenmerken zich door de clustering van meerdere woonstalhuizen van het type Alphen-Ekeren, omgeven door enkele bijgebouwen en waterputten; ze behoren duidelijk tot een meerfasige, plaatsvaste nederzettingsvorm zonder enclosure. (of buiten opgravingsvlak gelegen) Het Alphen-Ekeren huis uit de Ekeren “De Wilgenhoeve” dat Ibens (1976) publiceerde is overigens het eerste in Vlaanderen waarin een potstal werd herkend, i.e. een al of niet intentioneel éénmalig gegraven of anderzijds geleidelijk door herhaaldelijke ruiming verdiept stalgedeelte (infra). In Donk (Van Impe 1983) werden bij de Alphen-Ekerenhuizen eveneens drie potstallen herkend. (daar “ingegraven kamer of stal” genoemd: Van Impe et al. 1992: 560)
Medio de jaren 1980 en later leverde de site van Wijnegem heel wat nieuwe data op. Een viertal huizen van type Oss-Ussen (5A) en enkele bijgebouwen en waterputten dateren er uit de overgang van de late ijzertijd naar de Romeinse tijd. (Cuyt 1985; 1991; 2007:186-200) Wat later werd er westelijker een 2de-eeuws gepalissadeerd complex van 29 bij 32m gevonden waarvan men op basis van de depositie en voorkomen van munten en sieraden aanneemt dat het een heiligdom is geweest. (Slofstra & Vander Sanden 1987; Sas & Cuyt 2003)
Met de aanleg van de HSL (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004a,b) werden op twee plaatsen ten noorden van Antwerpen boerderijen in inheemse traditie aangesneden: Ekeren-Het Laar en Brecht-Zoegweg. De site van Ekeren-Het Laar dateert uit de late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd en omvatte ondermeer één Alphen-Ekerenhuis en twee woonstalhuizen die de als overgangsvorm tussen het type Oss-Ussen en Alphen-Ekeren gelden. (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004a: 189-196) De site van Brecht-Zoegweg is duidelijk jonger. Er werden 17 hoofdgebouwen herkend die duidelijk niet allemaal tot dezelfde occupatiefase behoren. Van een begrenzing van het erf werden geen sporen gevonden, enkele waterputten liggen rond het bewoningsareaal. Naast een overgangstype Oss-Ussen/Alphen-Ekeren werden er voornamelijk woonstalgebouwen van het Alphen-Ekerentype gevonden. Zes hiervan bevatten resten van een (imposant) verdiept staldeel (“potstal”) en bij zes huizen werden steunberen aangetroffen op de lange zijde, wat een lokale bijzonderheid kan genoemd worden (infra). (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b: 196-228; Langohr, Mikkelsen & Vansweefelt 2004) In Wijnegem-Vuurkruiserslaan (Willems 1996; Annaert 1995; Cuyt & Willems 2004) kwam een imposant woonstalhuis van 28m lang aan het licht. Het was voorzien van een potstal. In 2005 tot slot werden delen van twee woonstalhoeves met potstal aangesneden in de Wilgenhoevestraat te Ekeren (Bellens 2006), niet veraf gesitueerd van de eerdere vondst van een potstalhuis. (Ibens 1976)
Het onderzoek van boerderijen in inheemse traditie op de Antwerpse zandgronden leverde dus verschillende boerderijen in inheemse traditie op die alle, met uitzondering van Mortsel en het vierkant van Wijnegem, een sterk gelijkaardige opbouw en evolutie vertonen die aansluit met de patronen die ook op de Zuid-Nederlandse zandgronden werden vastgesteld. Sommige boerderijen (Ekeren-Het-Laar) lijken zich te ontwikkelen uit ijzertijderven; andere zijn –voor zover de opgegraven oppervlakte dat toelaat te stellen- recentere creaties. Allen kenmerken ze zich evenwel door een clustering van meerdere hoofdgebouwen, omgeven door bijgebouwen en waterputten. De sites lijken plaatsvast te zijn geweest voor meerdere generaties en hebben dus meerdere bouwfasen gekend. Qua huizen werden zowel de tweebeukige types Oss-Ussen (5A: vroeg-Romeins), het Alphen-Ekeren woonstalhuis, als een hybride vorm van beide types herkend. Potstallen zijn frequent gevonden en dateren voornamelijk uit de 2de en 3de eeuw.
Het archeologisch onderzoek op de Oost-Vlaamse zandgronden en van de boerderijen in inheemse traditie in het bijzonder is relatief intens geweest. Motors daarbij waren de activiteiten van verschillende opgravingsdiensten, initieel vooral het Seminarie voor Archeologie van de Gentse Universiteit, later Vakgroep Archeologie genoemd. Vanaf de jaren 1990 werden er ook door de Provincie en de intergemeentelijke diensten ADW en KLAD op verschillende locaties delen van Romeinse boerderijen onderzocht. Dit gebeurde meestal naar aanleiding van nood- of preventief archeologisch onderzoek en maar zelden uit wetenschappelijke vraagstelling.
Het onderzoek stak goed en wel van wal in de jaren 1960. Met de opgravingen van een urnenveld op de plaats Destelbergen-Eenbeekeinde vlakbij de Schelde kwamen steeds meer resten van een Romeinse nederzetting en begraafplaats aan het licht (Van Doorselaer 1963; Van Doorselaer & Thoen 1967; De Laet 1969a,b; De Laet 1976; De Laet et al. 1968, 1976; De Laet, Bourgeois & Thoen 1986). Deze site werd gedurende jaren systematisch onderzocht over meer dan 1ha, wat leidde tot enkele interimrapporten, maar helaas geen syntheserapport. Alhoewel er geen huisplattegronden werden gevonden, kon op basis van waterputten en een gepalissadeerde omgreppeling met poortgebouw wel vastgesteld worden dat het om een Romeinse landelijke nederzetting in houtbouw ging. De aard ervan stelde de opgravers blijkbaar voor interpretatieproblemen en deze site ging de literatuur in als de mogelijke vicus Ganda. (De Laet 1969a,b) Wellicht werd deze kwalificatie toegekend wegens een gebrek aan een regionaal referentiekader en meer bepaald omdat men toen totaal nog geen idee had van de aard en grote densiteit van de Romeinse landelijke bewoning. Ondertussen mag blijken dat op basis van de voorliggende gegevens deze nederzetting geen kenmerken vertoont van een vicus en de site werd in 1990 dan ook als typisch landelijke nederzetting omschreven (Rogge, Thoen & Vermeulen 1990: 67). In dezelfde tijd werden er overigens nog op kleine schaal resten van vermoedelijke boerderijen in inheemse traditie aangesneden in Kruishoutem-Kerkakkers (De Laet et al. 1982), Aalter-Houtem. (De Laet & Van Doorselaer & Thoen 1965, 1966; 1976) en Huise-De Lozer (Van Doorselaer 1966; 1967; Thoen 1968)
Met het zgn. Leie-Scheldeproject “Archeologische inventaris en studie van de Romeinse bewoning in het zuiden van de Vlaamse Zandstreek” werd door F. Vermeulen (1987/1988; 1992) en de Universiteit Gent vanaf het midden van de jaren 1980 tot de vroege jaren 1990 voor het eerst een grootschalig wetenschappelijk onderzoeksproject gevoerd dat zich tot doel stelde een inzicht te krijgen in de romanisatie van een specifieke landschappelijk bepaalde regio in Vlaanderen. Daarbij werden getrouw de principes van de zgn. Landesaufnahme volgend, meerdere onderzoekssporen zoals prospectie, collectiestudie en opgravingen gevolgd. Hoewel het aantal opgravingen evenals hun omvang beperkt mag genoemd worden, werd voor het eerst inzicht verkregen in de verspreiding, structuur en materiële cultuur van de landelijke bewoning op regionale schaal waarbij vooral de sterke doorleving van inheemse tradities, geduid als “beperkte romanisatie”, naar voren kwam dit in contrast met de zuidelijke leemgronden. Opgravingen te Asper (Vermeulen 1986a,b), Eke (Rogge & Vermeulen 1983) en Sint-Martens-Latem (Vermeulen 1989) leverden telkens concentraties van palen en kuilen op, waarin (delen van) houten gebouwen werden herkend. Op de site van Asper sprong vooral de meervoudige omgreppeling en palissade van de nederzetting in het oog. In Eke werd een éénbeukig gebouw met standgreppel en ingang aan de korte zijde aangesneden, een zeer bijzonder type blijkbaar want het werd sindsdien niet meer herkend in Vlaanderen. Op de site van Eke werden ook twee parallelle grachten gevonden. Ze oefenden een structurerende functie uit want de gebouwsporen stonden er gelijnd tegenover en een hypothese als enclosure werd naar voren geschoven. Bij recenter onderzoek aan de overzijde van de N60 (De Clercq, Deschieter & De Mulder 2000) konden dezelfde grachten opnieuw worden aangesneden maar nu bleek –door de lokale betere bewaring van karsporen- dat het een wegtracé betrof en geen omgrachting van de nederzetting. Ook in de recente campagne kwam een deel van een houten gebouw aan het licht dat zich naast de weg situeerde.
De opgravingspijler van het onderzoeksproject Leie-Schelde was echter vooral gefundeerd op het noodarcheologisch onderzoek op de bouwwerf voor Flanders Expo (Vermeulen 1983, 1992; 1993). Naast heel wat proto-historische en middeleeuwse sporen kwam er een onverhard Romeins wegtracé en naastliggende nederzetting en grafveld aan het licht. Alhoewel het onderzoek vaak in uiterst slechte omstandigheden moest worden gevoerd, werden parallel aan de weg toch een tweeschepig hoofdgebouw een éénschepig bijgebouw in Alphen-Ekeren traditie aangesneden. Ze vormden volgens de auteur de basis van de nederzetting die verder door de aanwezigheid van enkele waterputten en de vele paaltjes van onreconstrueerbare bijgebouwtjes gekenmerkt moet zijn geweest. Van enige omgreppeling van het erf werden geen sporen gevonden. Uit de datering van het aardewerk kon afgeleid worden dat de bewoning meerfasig moet geweest zijn en die een periode tussen het midden van de eerste en het begin van de derde eeuw heeft overspannen. Het Leie-Schelde onderzoek leverde tot slot vooral in Sint-Martens-Latem-Brakel (Vermeulen 1989) naast een deel van een boerderij in inheemse traditie met delen van woonhuizen vooral, duidelijke aanwijzingen op voor Laat-Romeinse, i.c. Germaanse occupatie onder de vorm van twee hutkommen en wat paalgaten.
In dezelfde tijd werden echter ook op andere locaties in Oost-Vlaanderen stukken van vermoedelijke boerenerven aangesneden, o.a. te Evergem-Spoorwegstraat (Bourgeois et al. 1989) en Vinderhoute-Molenbrug (Bourgeois et al 1987). Deze laatste site is één van de weinige in zijn soort met duidelijke antecedenten uit de late ijzertijd. Van de structuur van de Romeinse nederzetting kwam echter weinig aan het licht. Het onderzoek dat te Evergem-Vierlinden (Deseyn et al 1984) werd gevoerd leverde de resten op van een meerfasig omgreppelde en gepalissadeerde landelijke nederzetting. De exacte aard van deze site kon niet bepaald worden. Verder kwamen nog de mogelijke restanten van boerenerven in inheemse traditie aan het licht in Oudenaarde-Donk (Parent, Van der Plaetsen & Vanmoerkerke 1986-1987) en Elsegem-Kerkhove (Rogge 1975; Rogge, Thoen & Vermeulen 1990).
In het overzichtsartikel “Oost-Vlaanderen in de Romeinse tijd” (Rogge, Thoen & Vermeulen 1990: 56) werd een overzichtskaart geproduceerd die het onderzoek naar de landelijke bewoning tot op dan resumeerde. De kaart toont een duidelijke discrepantie tussen een dicht net van villae op de leemgronden en ”andere nederzettingsvormen” (bedoeld als boerderijen in inheemse traditie) op de noordelijke zandgronden (met inbegrip van het Waasland). Buiten de hoger geschetste opgravingsresultaten is dit beeld echter voornamelijk op basis van veldprospectie, toevalsvondsten of beperkte in situ waarnemingen gebaseerd. Met de vele prospectietheses die vanuit de Universiteit Gent werden gestimuleerd en vooral ook door de intensieve luchtfotografische prospectie die J. Semey uitvoerde, werd het stilaan echter duidelijk dat ook de zgn. arme zandgronden erg rijk waren aan archeologische sites, en zeker uit de Romeinse tijd. De ontdekking en opgraving van het castellum van Maldegem is hiervan een onverwacht en mooi voorbeeld. De opgraving van deze site bracht echter ook het bestaan van een oudere boerderij op de latere kamplocatie aan het licht (Thoen 1991, 190). Een gebouw van 11 bij 6m zou gevonden zijn, maar over de exacte structuur ervan is helaas niets gepubliceerd. Opvallend was de vondst in 1990 van een boerderijgebouw, waterput en greppelsysteem in Sint-Gillis-Waas t’Hol (Hollevoet & Van Roeyen 1991; 1995). Door de vondst van een mogelijk Germaanse pot in een kuiltje wat verderop op het nederzettingsterrein en door het gebrek aan diagnostische vondsten uit de paalkuilen werd de site als een “Romeins-Germaanse” nederzetting getypeerd waarbij het huis als Germaans werd omschreven. Nochtans bevatten de grachten en de waterput, maar ook de paalkuilen (gefragmenteerd) Romeins aardewerk. Een houten boerderijgebouw kwam tot slot aan het licht bij de werken voor de aanleg van het Europark-Zuid in Sint-Niklaas (Van Roeyen 1993) Medio jaren 1990 waren er uiteindelijk weinig ruimtelijk uitgestrekte in situ gegevens van boerenerven gekend: de teller stond op amper twee ruim opgegraven erven (Sint-Gillis-Waas-‘tHol en Sint-Denijs-Westrem), vijf volledige huisplattegronden (in Eke, Sint-Gillis-Waas-‘tHol; Sint-Niklaas en Sint-Denijs-Westrem), stukken van (bij)gebouwen, wat spiekers en bijgebouwen, waterputten en enkele delen van de omgreppelingen en palissades. Dit is zeker schraal te noemen wanneer we vergelijken met de Antwerpse zandregio, maar vooral ook met de buurlanden waar op die momenten al enkele overzichtswerken over de landelijke bewoning werden gepubliceerd (supra).
Volgend op het in voege treden van het decreet op het archeologische patrimonium (1992; 1994) werden door de provinciale dienst Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium en enkele Waaslandse gemeenten stappen gezet om tot een meer gestructureerde opvolging van bouwwerken te leiden. Dit leidde tot de ontdekking van meerdere grotere delen van nederzettingen uit verschillende perioden. Met de aanleg van de aardgasleiding van Zeebrugge naar Raeren (1997-1998) en enkele aftakkingen werd voor het eerst een grote en systematisch gevolgde kijk op het archeologisch patrimonium van de provincie verkregen. Door de 20m brede afgravingen over kilometer lang konden (soms grote) delen van boerderijen in inheemse traditie worden opgemerkt in Maldegem (Crombé 1997; Crombé et al. 1998; 2005), Oostwinkel (De Clercq & Kneuvels 1998; De Clercq 2005); Zomergem (De Clercq & Thoen 1998) en verder oostelijker bij de Schelde in Berlare (De Clercq & Van Rechem 1999; De Clercq et al. 2005a) en in Zele. (De Clercq et al 2005b) Op de laatste site werden overigens sporen aangetroffen van de aanwezigheid van Germaanse immigranten uit de (late) derde eeuw (De Clercq & Taayke 2004). Deze opgravingen leverden alle meerdere (delen van) houten boerderijgebouwen op en lieten soms toe om delen van het greppelsysteem te herkennen (bv Zele). Ook op werven voor de bouw van collectoren van Aquafin werden delen van vermoedelijke boerderijen in inheemse traditie gevonden, al blijven hier de waarnemingen beperkt in breedte in vgl. met de aardgasleidingen. (Deinze: De Clercq & Deschieter 2000; Eke: De Clercq & Mortier 2002b) In het kader van de opvolging van de aanleg van een sportterrein werd in Knesselare-Flabbaert (De Clercq & Thoen 1998) een wegtracé en twee naastliggende houten gebouwen met kruisvormige palenzetting aangetroffen. Bij het preventief onderzoek voor de aanleg van de zgn. zuidelijke omleidingsweg te Zele werden boerderijen uit de vroege en late Ijzertijd en de Romeinse tijd aangesneden. (De Clercq et al. 2005) Veel zicht op de structuur van de Romeinse nederzetting werd er niet verkregen. Met de bouw van woonverkavelingen en vooral van industrie- en KMO-terreinen werd vooral gedurende de laatste jaren heel wat ruimtelijke inzicht vergaard; eerder dan lineaire betrof het immers vlakdekkende projecten. In Maldegem kwam op een bronstijdgrafveld een deel van een mogelijke boerderij in inheemse traditie aan het licht met oa. een éénschepig gebouwtje. (Bourgeois, Meganck & Rondelez, 1994) Bij de aanleg van het industrieterrein van Sint-Gillis-Waas werden twee erven bestaande uit een hoofdgebouw (waarvan één met potstal), waterput en bijgebouwen (palenzwerm) aangetroffen. (Van Hove 1998; Vermeulen et al. 1998; Vermeulen 2001) Beide lagen naast een aarden weg en enkele perceelsgrachten lijken het landschap rondom de erven te structureren. Op het kantorencomplex Merelbeke-Axxes werd een hoofdgebouw met potstal, bijgebouwen, een waterput en een deel van de omgreppeling gevonden. (De Clercq 1999; De Clercq et al. 2001/2002) Even verderop in Merelbeke-Dijsegem (Deschieter; De Clercq & Mortier 2001) gingen meerdere boerderijen in inheemse traditie op de fles omdat er geen archeologisch onderzoek kon plaatsvinden bij de aanleg van een grote woonverkaveling. Boerderijgebouwen met bijhorende waterputten en bijgebouwen en soms ook stukken van de omgreppeling van de nederzetting kwamen ook in het Waasland door de activiteiten van de ADW aan het licht. Dit gebeurde in de context van infrastructuurwerken voor industrie- en woningbouw zoals in Sint-Niklaas-Europark-Zuid (Van Roeyen 1993), Sint-Gillis-Waas-Houtvoort (Van Roeyen 1998a, 1999), Kruibeke-Argex (Van Roeyen 1997) en Nieuwkerken-Wallenhofwijk waar een potstal werd aangetroffen. (Van Roeyen 1998b)
In Aalter-Langevoorde kon tussen 1999 en 2001 door een gezamenlijke opgraving van de provincie en het IAP voor het eerst een goed inzicht worden verkregen in de evolutie en uitzicht van een boerderij in inheemse traditie. (De Clercq 2000; De Clercq & Mortier 2001; 2002a; 2003; De Clercq, Deru & Mortier 2007; De Clercq & Vanstrydonck 2007) Op een 3.5ha groot areaal kwam onder andere een omgreppelde site uit de late ijzertijd aan het licht en een boerderij uit de vroeg- en midden-Romeinse tijd. Opvallend is dat hier duidelijk sprake is van topografische continuïteit in de bewoning. Immers, na de opgave van de enclosure uit de late ijzertijd net voor de Gallische Oorlog, werd kort nadien omstreeks het begin van de jaartelling een vierkant areaal van ca. 150 bij 150m met een dubbel rectilineair grachtensysteem omgeven. Het centrale omgreppelde terrein bleef initieel leeg. Tussen de twee grachten werd aan de noordelijke zijde van de enclosure echter een toren of zware spieker opgericht en recht tegenover aan de zuidelijke zijde verrees een zware 9-postenspieker, later uitgebreid tot 12 posten. Vlakbij bevonden zich meerdere bijgebouwen en een Alphen-Ekeren huis. Uit de vondst van een depot van aardewerk en de 14C dateringen kan de bouw van dit complex in de Augusteïsch-Tiberische tijd worden gedateerd. De vele importvondsten en de voor de regio zeer uitzonderlijke egaal witte kalkbepleistering van de muren, geven aan de bewoners wellicht tot een vorm van lokale elite behoorden of minstens hun status materieel tot uitdrukking wensten te brengen. In het midden van de eerste eeuw werd een nieuw Alphen-Ekerenhuis gebouwd en een waterput aangelegd in het midden van het omgrachtte areaal. In deze tijd werd ook tertiair veen ontgonnen. Het is niet duidelijk of de site bewoond was in de vroege tweede eeuw. Rond het midden van de tweede eeuw lijkt dat wel zo te zijn. Minstens één en wellicht twee huizen functioneerden toen op het areaal waarvan de vroeg-Romeinse enclosure niet meer in gebruik was. Uit de vondsten van grote platen leisteen gebruikt als dakbedekking en roodbeschilderde wandbepleistering mag misschien worden verondersteld dat de bewoners nog steeds een zekere status tot uitdrukking wensten te brengen. In de derde eeuw lijkt de occupatie hier echter op te houden en te verschuiven naar het noordwesten. Daar werd een driebeukig gebouw, waterput en grachtensysteem aangetroffen. Naar vorm toe vertoont complex in Aalter heel wat parallellen met Noord-Franse fermes indigènes, al sluiten de huistypes aan bij wat voor de Nederlandse en Antwerpse zandgronden werd gevonden (infra). Wanneer uiteindelijk in 2000 en 2003 een nieuw bilan verschijnt van tien jaar archeologisch onderzoek naar de Romeinse periode in Oost-Vlaanderen dan valt het vooral op dat er aanzienlijke kenniswinst te noteren viel voor wat betreft de vroeg- en midden-Romeinse boerderijen in inheemse traditie en de huisplattegronden in het bijzonder. (De Clercq 2000; 2003)
Sinds 2005 werden er meerdere plaatsen resten van inheemse-Romeinse boerenerven gevonden. In het kader van infrastructuurwerken werden delen van zo’n sites aangesneden in Knesselare (Hoorne et al. 2006; Hoorne & Vanhee 2006), Kruibeke-Hogenakkerhoek (Van Vaerenberg, Van Roeyen en Van Hove 2007), Vrasene-Profruco (J.Van Vaerenbergh, pers. meded.) en Zulte (Verbrugge et al. 2008). Op de site van Kruibeke werd bovendien een gebouw met potstal gevonden. Daarnaast was vooral sprake van kenniswinst op de sites van Knesselare-Kouter en Evergem-Kluizendok. In Knesselare-Kouter (De Clercq, Hoorne & Vanhee 2006a,b; De Clercq, Hoorne & Vanhee 2007) werd een tweefasige boerderij met greppelsysteem en waterput aangetroffen. Twee Alphen-Ekeren huizen werden er vervangen door twee tweebeukige huizen met een buiten de korte zijde staande nokstaander. In deze tweede fase was de nederzetting gelegen langsheen een wegtracé en van een omgreppeling voorzien. Wat westelijker werd een enigmatische site aangesneden dat voorlopig als een inheemse versterking wordt omschreven. Het betreft een vierkant complex waarvan de begrenzing aan 3 zijden bekend is. Aan de zijde die naar de weg toe kijkt bestond het verdedigingssysteem uit een diepe standgreppel die in claviculavorm een smalle toegang maakt. Aan de andere zijdes werd een palissade aangebracht waarin aan de westelijke zijde twee zware poortgebouwen stonden. Het binnenplein bezat naast een trapeziumvormige spieker geen duidelijk herkenbare structuren. Op basis van het aardewerk en de 14C dateringen wordt deze site in de derde eeuw gedateerd. Uit de verschillende mogelijke interpretaties -religieus complex, veekraal, versterking- werd voorlopig de laatste als werkhypothese weerhouden.
Tot slot dient zeker het grootschalige onderzoeksproject Kluizendok vermeld te worden. (De Clercq et al. 2007; Laloo et al. 2008) De 170ha grote uitbreidingszone voor de Gentse haven werd met proefsleuven afgetast en ca 16ha hiervan werden weerhouden voor vlakdekkend archeologisch onderzoek, verdeeld over twee onderzoekszones: Zandeken en R4-Hultjen. Het betreft een slecht gedraineerd zandgebied dat blijkbaar vooral in de Romeinse tijd (2de-3de eeuw) werd uitgekozen voor bewoning en in die zin mag men dan ook van een kolonisatie van een landschap spreken. Verspreid over het gebied werden 12 erven en 17 hoofdgebouwen aangetroffen, aangevuld met vele bijgebouwtjes en 21 waterputten. Een Romeinse weg lijkt de centrale as te vormen waarop de bewoning zich ente. Na het verlaten van het gebied trad een intense vernatting op. In tegenstelling tot de strakke erfstructuur van Aalter-Langevoorde tekende zich in Kluizen wel duidelijk een minder geordend geheel af waarbij ook curvilineaire enclosures een rol speelden. Kenmerkend is wel dat de erfopbouw vrijwel steeds bestond uit een (soms hersteld) hoofdgebouw, één of meerdere bijgebouwen en een waterput. Enkele potstallen en uitlopen voor vee geven duidelijk aan dat veeteelt een belangrijke activiteit moet zijn geweest. Het onderzoek in Kluizendok heeft naast een grote wetenschappelijk belang meerdere methodologische consequenties in het herkennen en evalueren van Romeinse boerderijen in inheemse traditie (supra).
De zandige kustrandzone en het hinterland (driehoek Torhout-Tielt-Brugge) waarin naast zand ook ondiep tertiair voorkomt (bijv. in de regio Aartrijke, Torhout of Oedelem) vormden vooral vanaf de late jaren 1980 en in de jaren 1990 het voorwerp van intensief archeologisch onderzoek, uitgevoerd door Y. Hollevoet (IAP) en B. Hillewaert (Stedelijke Archeologische Dienst Brugge), deze laatste voor wat betreft het groot-Brugse grondgebied. De grafiek (fig. 3) die de evolutie in ontdekte gebouwplattegronden uit boerderijen in inheemse traditie resumeert, maakt voor dit gebied zeer goed duidelijk dat de kennis van de landelijke bewoning zoals zo vaak in Vlaanderen sterk berust op persoonsgebonden motivaties.
Het kustrandgebied wordt doorkruist door belangrijke Romeinse wegen zoals de Zandstraat, de Zeeweg en mogelijk ook de Antwerpse Heirweg. Behoudens heel wat prospectie en werfcontroles werden op verschillende locaties ruimere delen van boerderijen en begraafplaatsen in inheemse traditie aangesneden, waarbij vooral de site van Brugge-Refuge (deelgem. Sint-Andries) nabij de Zandstraat belangrijke resultaten opleverde die de kennis van deze erven op Vlaams niveau aanzienlijk stoffeerde (Hillewaert 1996, 1997b; Hollevoet 1997, 1997/1998(2002); Cooremans et al. 1997/1998 (2002). Deze meerfasige nederzetting valt op het eerste gezicht vooral op door zijn gestructureerde uitleg met rectilineaire enclosures die een centrale open plaats omgeven. Langsheen en tegen de omheiningsgrachten aan ontwikkelden zich zeven ruimtelijk onderscheiden ”bij-erven”, telkens bestaande uit een hoofdgebouw en meestal een bijhorende waterput en spiekers. Vijf van deze clusters werden zeker twee maal herbouwd op dezelfde plek. Alhoewel het geheel zeer uniform overkomt, is het verre van zeker dat alle clusters gelijktijdig functioneerden (pers. meded. Y. Hollevoet). De nederzetting is wellicht ontstaan tijdens de vroege eerste eeuw en lijkt tot in de derde eeuw bewoond te zijn geweest. Er werden minstens 12 gebouwplattegronden ontdekt, waarvan er vier een potstal bezaten. De huizen behoren zowel tot het klassieke tweeschepige Alphen-Ekeren-type als de éénschepige kruisvormige configuraties en evoluties daarvan (infra: houtbouw). Deze boerderij lag bovendien in een druk bewoond en ontgonnen landschap want vlakbij op de sites Kosterijstraat (Hillewaert 1997a; 1999, 2000a; Hillewaert & Hollevoet 2006) en kwamen greppels, waterputten en een gebouw aan het licht die erop wijzen dat meerdere boerderijen in inheemse traditie in hetzelfde kleine gebied actief waren. Het gebouw van de site Molendorp bestond eveneens uit een kruisvormige palenconfiguratie.
Op de site van Varsenare ‘dHooghe Noene (Hollevoet 1997/1998(2002) ook nabij de Zandstraat gelegen, kwam een deel van een erf uit de eerste eeuw aan het licht. Opvallend was de vondst naast een greppel van een tweeschepig gebouw dat een overgangstype is tussen het type Oss-Ussen en Alphen-Ekeren. In de paalkuilen en in een kuil vlakbij werd een stort van (verbrand) handgemaakt en wat gedraaid aardewerk gevonden dat toelaat om dit erf in de Flavische tijd te dateren. In het kustrandgebied werden verder kleinere stukken van mogelijke boerderijen in inheemse traditie aangesneden in Roksem (De Meulemeester & Dewilde 1987; Hollevoet 1991), Damme-Stoofstraat (In ’t Ven & Hollevoet 2005) en Damme-Antwerpse Heirweg. (In ’t Ven et al. 2005a) In het geval van de Stoofstraat betreft het een deel van een meerfasige gebouwplattegrond en een greppelsysteem. Bij de site Antwerpse Heirweg werden naast grachten en waterputten vier rechthoekige en zwaar met palen gefundeerde gebouwtjes gevonden (stallen??) en ook een mogelijk restant van een potstal. (In ’t Ven et al. 2005a, 271)
Meer in het binnenland gelegen werd bij de aanleg van een dienstweg voor de bouw van de nieuwe Sluis te Beernem een deel van een boerderij in inheemse traditie gevonden (Hollevoet 2006). Naast grachten kwamen er vooral de resten van drie hoofdgebouwen -waarvan twee met potstal- en twee bijgebouwen aan het licht. Mogelijk betreft het een meerfasige site. Wat verderop in Oedelem werd uit de 14C dateringen en het aardewerk afkomstig van vierkante late ijzertijdmonumentjes, maar ook uit een dubbele rectilineaire enclosure, duidelijk dat de site ook nog in de vroeg-Romeinse tijd activiteit moet hebben gekend (B. Cherreté, Pers. meded.; eigen onderzoek). Naast een Romeins grafveldje (Demeyre et al. 2005) en mogelijk wegtracé wijst de vondst van een greppelsysteem en een Romeinse 9-postenspieker tot slot op de aanwezigheid van een inheemse boerderij in Waardamme.
Met de kennis van de aard van de landelijke bewoning in de zeepolders is het pover gesteld. Op geen enkele vindplaats konden tot op heden duidelijke bewoningssporen zoals huizen of erfbegrenzingen worden onderzocht. Sinds de 18de eeuw en vroeger duiken nochtans bij graafwerken of prospecties frequent fraaie vondstensembles op, maar de aard van structuur waaruit ze tevoorschijn kwamen is vaak obscuur en een inzicht in de opbouw van de nederzettingsvorm waaruit ze stammen zo mogelijk nog vager. Thoen (1978; 1987) kon in zijn doctoraatsonderzoek heel wat vindplaatsen oplijsten (147), maar gaf zelf al aan (Thoen 1978, 65) dat ze meestal aan het licht kwamen bij veenwinning of prospectie. Veel inzicht in de aard van de sites was er dan ook niet, al lijken sterke vondstconcentraties in Wenduine en mogelijk Bredene (Thoen 1988) een bewoning type vicus of militair kamp te suggereren. Ook voor deze laatste sites is de in situ informatie echter al bij al schaars te noemen. Een uitzondering vormen complexen zoals Leffinge, Zeebrugge en Raversijde waar op basis van in situ waarnemingen en opgravingen kon uitgemaakt worden dat zoutwinning (en garumproductie?) een (seizonale) hoofdactiviteit moet zijn geweest, zie ook het hoofdstuk Zoutwinning.
Een factor die de kennisvergaring van de landelijke bewoning extra compliceert, is de geologische opbouw van het kustgebied. Vooral het trans- en regressiemodel (Baeteman 1987a,b,c; Mostaert 1987) vormde lang een dankbaar en uniform kader om o.a. verschillen in bewoningsdensiteit en de stand van onderzoek te verklaren, maar werd in het laatste decennium op basis van nieuw onderzoek verlaten. (Schelvis & Ervynck 1992; Denys & Baeteman 1995; Ervynck et al. 1999, 2000; Mostaert 2000; Baeteman 2007; Mostaert 2007) Uit dit nieuw onderzoek resulteert een hypothese die de sedimentatie met marine afzettingen al van 4000-3000cal BC laat aanvangen volgens een gradueel stijgend ritme, maar waar zowel in tijd als in ruimte variatie op kan zitten en waarin bijv. ook de impact van stormvloeden voor het ontstaan van nieuwe landschappen een grote rol kan hebben gespeeld. Het resultaat moet een complex en dynamisch landschapstype geweest zijn waarin zowel stukken met sterke invloed van zout water als andere onder invloed van zoet water elk hun eigen vegetatietype konden ontwikkelen en bijgevolg elk hun (on-)mogelijkheden creeërden voor bewoning en akkerbouw en veeteelt. Zonder meer moet dit een geschikt gebied voor schapenteelt geweest zijn. Rechtlijnige grachtenpatronen ondermeer in de regio Stalhille-Houtave (Thoen & Hollevoet 2001) lijken wel te suggereren dat er sprake was van een vorm van systematische ontwatering van het gebied. De recente vondst van een 11m breed dijklichaam te Raversijde (Pieters, Demerre & Zeebroek 2006; Pieters 2008) getraceerd over meerdere honderden meter bevestigt dit idee. De dijk lijkt een getijdengeul gekanaliseerd te hebben en aan beide zijden kon een vegetatiehorizont worden opgemerkt die zich vormde na het aanleggen van de dijk. Ook Romeinse veenextractie werd in Raversijde vastgesteld. (Pieters, 1992, 251-253; Van Strydonck 1994, 232-233; Ervynck et al. 1999, 113) Dat sommige getijdengeulen bevaarbaar moeten zijn geweest, bewijst niet alleen onrechtstreeks de ligging van belangrijke sites zoals Oudenburg en Bredene, maar ook de bekende vondst van een boot te Brugge. (Marsden 1976)
Door een combinatie van prospectie, werfopvolging en opgravingen in de jaren 1980 en 1990 ondernomen door Y. Hollevoet en B. Hillewaert kon de kennis van de verspreiding van de landelijke Romeinse aanwezigheid in het kustgebied drastisch worden uitgebreid, vooral in het Zeebrugse achterhavengebied. Niet alleen nam het aantal oppervlakteconcentraties toe, op meerdere plaatsen kwamen resten van zoutwinningsactiviteiten of Romeinse afvallagen op overdekte pleistocene donken aan het licht (Hillewaert 1987; Hillewaert & Hollevoet 1987a,b; Hollevoet 1988; Hollevoet 1989a,b, Ervynck et al. 1999: 115; Hillewaert 2000c; In ’t Ven, Hollevoet & Hillewaert 2005; In ’t Ven et al. 2005b; E. Patrouille & Y. Hollevoet, Pers. meded.). In Plassendale kon bovendien een vindplaats worden onderzocht waar afvallagen onder schuine hellingen gedeponeerd werden. (Hollevoet 1999; Vanhoutte & Pieters 1999/2000(2003) 2003; Vanhoutte 2005; Vanhoutte & De Clercq 2006) De interpretatie van dit complex blijft moeilijk, ondermeer door het ontbreken van “klassieke” in situ grondsporen zoals grachten en paalgaten. Het voorkomen van een menselijk skelet in anatomisch verband en van skeletdelen van meerdere andere individuen en een hoge concentratie mariene molusken werd zelfs aangegrepen om aan de vindplaats een rituele functie toe te kennen (Ervynck et al. 1999, 115), maar ondertussen hebben de opgravers kunnen uitmaken dat de skeletresten uit de vroege middeleeuwen dateren en bijgevolg geen verband hebben met de oudere, Romeinse vindplaats (Van Strydonck 2001, 16). Recent onderzoek uitgevoerd in 2008 door ADC in Serooskerke (Walcheren, NL) (De Clercq & Van Dierendonck 2008, 9-10) bracht een vindplaats aan het licht waar behalve een meerfasig dijklichaam, ook een ophoging door middel van schuin hellende lagen en grote concentraties mariene schelpen werden aangetroffen. Op de top (net onder de moderne ploeglaag) lag een vuurplaats en het mogelijk restant van een plaggenhut. Naar analogie met andere Nederlandse vindplaatsen werd Serooskerke door T. Dijkstra (ADC) als een terp bestempeld. Het is mogelijk dat vindplaatsen van gelijkaardige omvang en met gelijkaardige kenmerken die inmiddels in de Vlaamse zeepolders aan het licht zijn gekomen met de vindplaats van Serooskerke verwant zijn. Op grond van hun technische uitvoering (gehele of gedeeltelijke aanleg op een kunstmatige verhoging) kan men ze dan inderdaad terp-achtig noemen. Maar dat betekent geenszins dat het in alle gevallen om permanent bewoonde nederzettingen zou gaan. Dergelijke sites kunnen ook gefunctioneerd hebben als seizoensgebonden nederzettingen, het resultaat van een onregelmatige reeks kortstondige bezoeken of de weerslag van éénmalige activiteiten zijn. Andere, aan het landschapstype aangepaste bewoningsvormen, laten mogelijk andere soorten of kleinere aantallen sporen achter in de bodem en vereisen duidelijk een adequaat of ander methodologisch referentiekader dan datgene opgedaan op de pleistocene gronden van het binnenland.
Landelijke bewoning op de vruchtbare lössgronden van het centrale deel van de civitas Tungrorum en in de Maasvallei werd gedurende lange tijd vooral met de aanwezigheid van villae gelijkgesteld. Steeds meer indicaties wijzen er echter op dat er meer boerderijen in inheemse traditie in dit gebied aanwezig zijn dan eerst werd vermoed. Een eerste groep van dergelijke complexen dateert voornamelijk uit de eerste eeuw en gaat de verstening van een villadomein vooraf. Een mooi voorbeeld hiervan is de nederzetting van Neerharen-Rekem. (De Boe 1981; 1982; 1983a; 1984b; 1985; 1986; De Boe 1987; De Boe, De Bie & Van Impe 1992: 488-196) Dit complex bevatte een cluster van tien tweeschepige woonstalhoeven van het type Alphen-Ekeren die geschikt rondom een open plaats voorkwamen. Gelijktijdig waren deze gebouwen zeker niet allemaal, want rond het midden van de eerste eeuw lijkt er maar 1 meer actief te zijn geweest, wel samen met drie bijgebouwen waaronder een stal, een graanschuur en een hutkom. In de Flavische tijd werd dit complex door een villa in steen vervangen. In de laat-Romeinse tijd vestigt er zich een groep Germaanse immigranten.
Van hun aanwezigheid getuigen meerdere hutkommen en een houten langhuis. Gelijkaardige evoluties van boerderij in inheemse traditie naar villa mogen worden verondersteld op de sites van Val-Meer (De Boe 1971), Rosmeer (De Boe & Van Impe 1979), Broekom (Vanvinkenroye 1988), Piringen en Vechmaal (Vanvinkenroye 1987; 1990) en Smeermaas. (Pauwels& Creemers 2000; Pauwels, Creemers & Cooremans 2006)
De site van Veldwezelt lijkt een verschillende evolutie te hebben doorgemaakt. (Pauwels et al. 2003; Vanderhoeven, Vynckier & Wesemael 2006; Vanderhoeven 2006; Wesemael 2006; Pauwels 2007) Niet alleen uit de vroeg-Romeinse maar ook uit midden-Romeinse tijd werden er woonstalhuizen aangetroffen. Van een strakke ruimtelijke organisatie zoals op een villa-domein is geen sprake, maar opvallend is wel dat de gebouwen geschikt lagen rondom twee grote (drink)poelen en twee waterputten en dat het domein door een enclosure was omgeven. Eén huis was van een stenen kelder voorzien, een ander had een soort uitloop voor vee (trapeziumvormige enclosure) aan één korte zijde van het huis. Door de woonstalhuizen en de ruimtelijke organisatie van het complex lijkt het enerzijds aannemelijk dat de boerderij voornamelijk in de veeteelt actief is geweest. Anderzijds doet de vondst van ijzerslakken veronderstellen dat metallurgie (ijzer) ook een activiteit moet zijn geweest.
Resten van woonstalhoeven kwamen tot slot nog in het vroeg-Romeinse stedelijke Tongeren zelf aan het licht. Daar werden in het stalgedeelte van zo’n huis zelfs nog de pootafdrukken van runderen aangetroffen. (Vanderhoeven, Vynckier, Ervynck & Cooremans 1992; Vanderhoeven, Nouwen & Vynckier 1998; Creemers & Vanderhoeven 2007) Verder dient nog een site vermeld in Sint-Huibrechts-Lille. De aard van de geregistreerde sporen doet er de aanwezigheid veronderstellen van een boerderij in inheemse traditie, de interpretatie van de spoorconfiguraties als vreemdsoortige “sleutelgatvormige” huizen (Claasen 1998; Lesenne 1988, 1990) is echter te verwerpen. In Kessenich (Creemers & Van Noppen 1999) tot slot kwamen wellicht ook de resten van een boerderij in inheemse traditie aan het licht, door verbruining waren de sporen er echter grotendeels onzichtbaar geworden.
Met de ontdekking van boerderijen in inheemse traditie in een regio waar enkel villae werden verondersteld, wijzigt ook het bestaande idee van de landbouweconomie in dit gebied. De uiterst vruchtbare gronden, de horrea van Tongeren en op enkele villadomeinen en de nabijheid van een (militaire) afzetmarkt aan de Rijn lieten toe een monocultuur van cerealia te veronderstellen. Pastorale activiteiten werden er niet verwacht en er werd uitgegaan van het idee dat het vee van noordelijke de zandgronden werd aangevoerd. Met de vondst van de midden-Romeinse boerderijen met woonstalhoeven geschikt rondom een open plaats wordt dit beeld genuanceerd. Bovendien lijken ook andere (i.c. metallurgische) dan puur agrarische activiteiten de economie van de nederzettingen in inheemse traditie te hebben gekarakteriseerd.
De Romeinse boerderijen in inheemse traditie zijn (net als de rest van de Romeinse bewoning overigens) relatief onbekend gekend op de Brabantse en Zuid-Vlaamse (zand) leemgronden. Wat Brabant betreft, doet een omgrachting en het vondstmateriaal de aanwezigheid van een elitair landelijke site of versterking veronderstellen in Wange-Damekot (Opsteyn & Lodewijkcx 1998; 2000), woonhuizen en bijgebouwen ontbreken er evenwel. In Erps-Kwerps werd wel een deel van een vroeg-Romeinse boerderij met Alphen-Ekeren-huizen gevonden. Het erf ging een villa vooraf. (Verbeeck 1994) De houten gebouwen van Houtem-Vilvoorde (In ’t Ven et al 2005c) behoren tot een landelijke nederzetting die in houtbouwtraditie bleef bestaan en bezit naast een tweebeukig Alphen-Ekerenhuis ook éénschepige bouwevoluties.
Op Zuidoost-Vlaamse leemgronden werden vooralsnog weinig eenduidige resten van boerderijen in inheemse traditie aangetroffen, al heeft dit wellicht te maken met het gebrek aan grootschalig onderzoek. Op de villaterreinen van Zegelsem-Brakel en Velzeke-Steenbeke (Rogge, Thoen & Vermeulen 1990:62) kwamen wel grachten en paalgaten aan het licht die doen vermoeden dat een nederzetting in inheemse traditie de bouw van het villadomein vooraf gaat. Aan de rand van de vicus Velzeke kwamen de resten aan het licht van een baanpost met twee éénschepige houten gebouwen die qua bouwconcept sterk gelijkaardig zijn aan huizen uit boerderijen in inheemse traditie op de zandgronden noordelijker gelegen. (Deschieter 2003) In Mere op de plaatsen Molenkouter (Rogge 1993) en Jeruzalemstraat werden in beperkte opgraving mogelijk de resten van boerderijen in inheemse traditie aangesneden. (De Swaef 1988; De Swaef & Ervynck 1989; Lesenne 1990; Bourgeois, De Swaef & Bourgeois 1999) In Erembodegem werd zeer recent (2007-8) een deel van een boerderij in inheemse traditie aangesneden waarin twee houten gebouwen en een waterput aan het licht kwamen. (mond. meded. B. Cherreté, M. vandevijver, F. Wuyts & W. Demayer)
Voor wat betreft de Zuid-West-Vlaamse (zand)leemgronden zijn naast de beperkte opgravingen oa. te Beveren-Leie (Rogge & Van Doorselaer 1976; Despriet 1984a,b,c), Waregem en Sint-Eloois-Vijve (Despriet 1979) vooral de recente en ruimtelijk meer uitgestrekte structuren in Wielsbeke en in Menen nabij de Franse grens te vermelden. In Wielsbeke kwam een deel van boerderij in inheemse traditie aan het licht uit de vroeg-Romeinse tijd, o.a. met een hutkom. (Hoorne & De Clercq 2007) Het geheel wordt door een nederzetting uit de late ijzertijd vooraf gegaan. Op het complex van ’t Voske (Deschieter 1994) kwamen vooral greppels aan het licht die wellicht tot een 1ste-eeuwse boerderij met enclosures behoren. Op de site Kortewaagstraat (Dhaeze & Verbrugghe 2007a,b) kwam een meerfasig complex met enclosures aan het licht. De opgravers menen er drie erven te kunnen herkennen die zich door een clustering van palen en eventueel omgrachting langsheen een wegtracé aftekenen. Eén vierkant omgracht erf (“centraal erf”) bevat volgens de auteurs de resten van een hoofd- en bijgebouw en een waterput. Beide sites vertonen, ondanks dat ze over een kleine oppervlakte werden onderzocht, een grote vormelijke verwantschap met nederzettingen aangesneden in Noord-Frankrijk. Villadomeinen zoals dat van Heestert (Janssens 1984, 7-9; De Cock 1996, 81) tot slot kenden zoals in vele andere gevallen een houten voorloper. In Heestert kwamen zo de resten aan het licht van een tweebeukig gebouw. De houtbouwfase uit de site van Kerkhove (oa. De Cock 1996) lijkt te bestaan uit meerdere gelijkaardige gebouwen die in de loop van de tweede eeuw versteend werden. Rest ons er nog op te wijzen dat grote delen van het Zuid-Vlaamse leem- en zandlemig gebied in grote mate terra incognita zijn voor wat betreft de kennis van landelijke bewoning uit de Romeinse tijd.
De kennis van de Romeinse landelijke bewoning in de door holocene afzettingen bedekte rivieralluvia is uitermate beperkt. Enkele schaarse aanduidingen onder meer in en op de rand van het Durme-alluvium te Hamme (Bauters, De Clercq & Mestdagh 1998) geven aan dat deze gebieden zeker een potentieel voor de aanwezigheid van landelijke bewoning bezitten.
Sinds de bronstijd werd in de Noordwest-Europese laagvlakte volgens eenzelfde basisconcept gebouwd: mens en dier werden onder hetzelfde dak gehuisvest. Het traditionele principe van ordening van ruimte voor boer en vee en de nauwe band tussen beide zoals die architecturaal werd vorm gegeven in het “woonstalhuis” werd in de boerderijen van inheemse traditie uit de Romeinse tijd onveranderd bestendigd. De concrete wijze waarop aan dit basisconcept uitvoering werd gegeven was echter het voorwerp van regionale variatie die wellicht op culturele, sociale of landschappelijke bepaalde parameters gebaseerd was. Dit leidde in de archeologie tot het herkennen en benoemen van verschillende zgn. “gebouwtypes” die onderling sterk regionaal kunnen variëren. Men spreekt dan ook over “huislandschappen”. De gebouwtypes worden vaak onderscheiden op basis van het aantal beuken en in feite dus op basis van de manier waarop het dakgebinte het dakgewicht opving en hoe deze architecturale keuze een materiële neerslag in de bodem heeft nagelaten. Onder de term “gebouwtype” begrijpen we uit archeologisch perspectief dan ook een architecturaal zinvolle configuratie van constructiesporen (palen, wandgreppels, liggers,…) met gemeenschappelijke vormelijke kenmerken en een duidelijke ruimtelijke en chronologische groepering. Hoe deze gebouwtypen er concreet uitzagen bovengronds weten we niet en in feite zou het zelfs correcter zijn om te spreken van een “plattegrondentypologie” eerder dan een “huizen”- of “gebouwtypologie”. Bovendien is het zeker in het kader van de romanisatiedebat relevant om de traditionele houtbouw in inheemse traditie te zien als een onderdeel van de materiële cultuur en hoe hierin door inheemse groepen uiting werd gegeven aan tal van vormen van identiteit en transformaties van identiteit. Gerritsen (2003: 39-108) besteedde recent uitgebreid aandacht aan de culturele biografie van pre- en protohistorische huizen in het kader van de constructie van locale sociale identiteiten en plaatse ze in een perspectief van landschap en tijd-diepte. Roymans (1996, 51 ev.) wees er eerder al op dat de persistentie van inheemse houtbouwtradities tijdens de Romeinse tijd onlosmakelijk verbonden is met een zeer traditionele, pastorale landbouweconomie wiens wortels ver in het verleden terugreiken.
Sinds de start van het archeologisch onderzoek in Vlaanderen kwamen delen van houtbouwconstructies zowel in militaire als civiele context aan het licht. Vooral bij opgravingen van boerderijen in inheemse traditie werden voorbeelden van houtskeletbouw aangetroffen. Een grafiek (Fig. 4) resumeert per periode van 10 jaar het aantal volledige huisplattegronden die bij onderzoek van deze erven aan het licht kwamen per regio. Voor wat betreft deze gebouwen en in feite bij uitbreiding voor de kennis van de Romeinse landelijke bewoning in Vlaanderen is er een significante, stijgende trend waar te nemen in het aantal huizen dat onderzocht werd. Dit is belangrijk omdat met het toenemende aantal meteen een beter inzicht werd verkregen in de huistypes, hun verspreiding, datering en functie. Alhoewel deze stijgende beweging zich inzette in de jaren 1980 van vorige eeuw is het toch vooral sinds het begin van de jaren 1990 en wellicht deels door het in voege treden van het decreet op het archeologisch patrimonium (1993) dat de stijging zich doorzette. Echter, zoals uit de grafiek mag blijken, waren die stijgingen in eerste instantie regionaal en vaak instantie- of zelfs persoonsgebonden te noemen, en reflecteren ze tot ca. 2000 geen algemene tendens. Waar sommige gebieden duidelijk stijgen, is dat in andere net het omgekeerde. Sinds 2000 lijkt hier een voorzichtige verandering in te komen, al blijven sommige gebieden zoals de kustrandzone achter. Als nuance moet hierbij zeker aangegeven worden dat natuurlijk de mate van bodemverstoring en de historische realiteit zelf ook een rol speelt. Bovendien is de momenteel beschikbare basisset aan gebouwen in Vlaanderen natuurlijk al bij al vrij beperkt te noemen, wanneer vergeleken met bijv. Nederland. 1 Een stijgend aantal waarnemingen zal in de nabije toekomst ongetwijfeld de precisie van onze waarnemingen en de herkenning van regionale variaties in de hand werken.
Fig. 4: Evolutie van het aantal ontdekte volledige huisplattegronden in boerderijen in inheemse traditie, verdeeld volgens regio.
Binnen het geheel van voorliggende gebouwtypes werden er sinds het begin van het onderzoek al twee grote bouwtradities voor woonstalhuizen onderscheiden, van welke de verspreiding vooral geomorfologisch bepaald lijkt te zijn, zie ook hoofdstuk Landelijke bewoning uit de Romeinse tijd in Vlaanderen. In Noord-Germaans gebied (Elbe-Weser mondingsgebied bijv.) maar ook in het volledige Nederlandse kustgebied overheersten overwegend lange driebeukige gebouwtypen; sommigen hiervan hadden een zgn. “A-frame” als dakdragende configuratie. (Trier 1969; Modderman 1975; Zimmerman 1992) Op de zand- en leemgronden van Zuid-Nederland, Vlaanderen en het zuiden van Westfalen overheersten anderzijds de tweebeukige gebouwtypes. (Bloemers 1995; De Boe 1988) Voor de Romeinse tijd wortelen deze tweeschepige types in de gebouwtypen uit de ijzertijd. In de midden en late ijzertijd overheerste er vooral het zgn. Hapshuis (Verwers 1972) en varianten. Kenmerkend voor het bouwschema van het Hapshuis is de specifieke krachtenverdeling tussen de nokstaanderrij en de wandpalen, waarbij een groot deel van het dakgewicht rustte op de wand. Dit gaf aanleiding tot het plaatsen van twee en soms zelfs drie rijen wandpalen. Het schilddak van deze huizen kwam overigens vrij laag; de ingangen lagen recht tegenover elkaar in de lange zijden en werden vaak van meerdere wandpalen voorzien.
Al in de ijzertijd maar ook in de vroeg-Romeinse tijd voltrok er zich een architecturale (r)evolutie waarbij het gewicht van het dak werd weggetrokken van de wanden en steeds meer op de middenstijlenrij werd teruggevoerd. Gebouwtypen zoals Oss-Ussen 5A (Schinkel 1998; Jansen & Fokkens 1999) daterend uit de late Ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd worden al gekenmerkt door diepere en grotere nokstaanders maar hebben wel nog steeds een dubbele rij wandpalen waarbij de binnenste reeks de wanden draagt en de buitenste het dak. Het Oss-Ussentype werd in Vlaanderen voornamelijk aangetroffen in de Antwerpse Kempen, met name op sites zoals Kontich (Verbeeck, Lauwers & De Boe 1986), Wijnegem (Cuyt 1983; 1985; 1991; 1995; 2007), Ekeren (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004a, 189-196) en Brecht. (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b, 196-235)
Omstreeks het einde van de ijzertijd en in de vroeg-Romeinse tijd kwam een nieuw bouwschema in zwang, het zgn. gebouwtype Alphen-Ekeren. (Van der Sanden 1977; De Boe 1988; Slofstra 1991, 137-143) Het werd in Vlaanderen voor het eerst aangetroffen in de jaren 1970 in Ekeren (Ibens 1976) en veel vroeger al in de jaren 1930 in Nederland te Alphen, nota bene door een leerling van Van Giffen die zijn leermeester aan het werk had gezien bij de eerste opgravingen van terpen en goed bewaarde houten boerderijgebouwen in Friesland en Drenthe. (Van der Sanden 1977: 111-112) Het basisconcept van het Alphen-Ekeren gebouwtype wordt gekenmerkt door een enkelvoudige rij van enkele zware en diep ingegraven nokstaanders en een enkelvoudige wandpalenrij. Deze huizen hadden een zadeldak. Doordat de krachten vrijwel volledig door de nokbalkdragers werden gedragen, hoefde de wand niet zo stevig gefundeerd te zijn zoals dat bij het Haps of Oss-Ussentype het geval was. Vaak worden van deze huizen dan ook maar de centrale, diep ingegraven paalsporen van de middenstijlen teruggevonden. Het type werd in Vlaanderen initieel herkend in het noordelijk deel van de civitas Tungrorum, ondermeer in Ekeren (Ibens 1976), Oelegem (De Boe & Lauwers 1979; 1980), Grobbendonk (De Boe 1984a), en Kontich (Verbeeck, Lauwers & De Boe 1986), maar later ook in Tongeren zelf (Vanderhoeven, Vynckier & Vynckier 1992). Als houten voorlopers van villadomeinen werden ze geattesteerd in Neerharen-Rekem (De Boe 1983a; 1985; De Boe, De Bie & Van Impe 1992; Vanderhoeven & Janssen 1976), Donk (Van Impe 1983) en Rosmeer (De Boe & Van Impe 1979). Recenter werd het nabij Tongeren gevonden in Veldwezelt (Pauwels et al 2003; Vanderhoeven 2006; Wesemael 2006), kwam het zuidelijker aan het licht in Vilvoorde (In ’t Ven et al. 2005) en westelijker in Sint-Denijs-Westrem (Vermeulen 1992; 1993), Aalter (De Clercq & Mortier 2003) en Brugge (pers. comm. Y. Hollevoet). De voorliggende verspreiding lijkt er op te wijzen dat dit een vrij uniform gebruikt gebouwtype is geweest, althans in de eerste eeuw na Chr. Sommige 1ste-eeuwse gebouwen zoals voorbeelden uit Brecht-Zoegweg, Ekeren-Het Laar (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b, 231) of Varsenare-d’Hooghe-Noene (Hollevoet 1997/1998) lijken eerder tot een overgangsvorm tussen Oss-Ussen en Alphen-Ekeren te behoren.
De architecturale evolutie in het bouwschema, ingezet op het einde van de ijzertijd, zette zich gedurende de Romeinse tijd verder. De Boe (1988: 51 ev.) noteerde een trend waarbij men er door aanpassingen in het dakgebinte naar streefde om de binnenruimte van de Alphen-Ekeren huizen nokstaandervrij te krijgen, met andere woorden om het huis éénbeukig te maken. Dat éénschepige gebouwen een evolutie vormden vanuit de tweeschepige constructies werd eerder al door Trier vooropgesteld (Trier 1969, 133) en vindt in de evolutie van het Alphen-Ekeren-type bevestiging. Met uitzondering van de centrale palen in de korte zijden tekent er zich volgens De Boe immers een verschuiving af waarbij gradueel steeds meer nokpalen verdwijnen en de krachtenopvang per verdwenen middenstaander gecompenseerd werd door twee zwaardere, tegenover elkaar gelegen wandpalen die een gebinte bestaande uit een dwarsbalk met ankerbalken en noksteunen ondersteunden. De redenen voor deze evolutie zijn onduidelijk. Het kan een logische zoektocht zijn naar maximale benutting en vrijmaking van plaats binnenin het huis; er kan ook een nood naar een steviger zolderverdiep aan gekoppeld zijn. Feit is alleszins dat ondertussen gebleken is dat de wijze waarop de “ontdubbeling” van de nokpalen zich voltrok erg regionaal verschillend is en soms zelfs niet werd doorgevoerd. In bepaalde gebieden in Nederland bijvoorbeeld is er zelfs sprake van gebouwen die één en tweeschepigheid of twee en drieschepigheid combineren (H. Hiddink, pers.meded.). Sommige variaties op bouwschemas kunnen zelfs vrij lokaal genoemd worden. Een voorbeeld hiervan zijn de zgn. steunberen die in Brecht werden gevonden bij de lange zijden van meerdere grote woonstalhuizen. (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b: 196-235)
De regionale variatie kan eventueel aanleiding geven tot een verdere differentiatie in de gebouwtypologie en de aflijning van een nieuw gebouwtype indien dit in voldoende mate werd vastgesteld. Zo werd in het Gentse en Brugse herhaaldelijk vastgesteld dat de evolutie naar éénbeukigheid zich opvallend genoeg doorzette door kruisvormige configuraties te maken van zware palen met steeds één zware wandpaal in het midden van de korte zijden en één, twee of drie zware dragende palen voor de gebinten in de lange zijde. (De Clercq 2003, 167-168) Omtrent de exacte reconstructie voor dit bouwschema bestaat nog onduidelijkheid. Immers, enkele configuraties suggereren ondubbelzinnig dat de zware nokdragende palen aan de korte zijden soms buiten het eigenlijke huis stonden; de kleine wanddragende paaltjes van de korte zijden situeerden zich immers niet in dezelfde lijn als de nokpaal maar op duidelijke afstand ervan en binnenwaarts het huis gelegen. In één huis uit Knesselare werd er zelfs nog een kleine aanbouw gezet die de vrijstaande nokpaal met de korte wand van het huis verbond (De Clercq & Thoen 1998; 54). Gebouwen van dit type met “kruisvormige krachtenverdeling” werden ondermeer frequent gevonden op de zandgronden rond Brugge (Hollevoet & Hillewaert 1997/1998 (2002); Hillewaert 1996; 1997; Hollevoet 1999/2000(2002)) en Gent zoals te Merelbeke (De Clercq et al. 2001/2002), Zomergem (De Clercq & Thoen 1998) Oostwinkel (De Clercq & Kneuvels 1998; De Clercq 2005) en Sint-Denijs-Westrem (Hoorne et al. 2008). Het werd recent herkend op leemgrond in Velzeke (Deschieter 2003), Erembodegem (M. Vandevijver & W. De Maeyer, pers. meded.), Houtem (In ’t Ven et al 2005c) en zelfs als bijgebouwtype op twee villadomeinen in de Condroz. (Van Ossel & Defgnée 2001; Lefert 2002; 2006)
Een derde gebouwtype in hout dat in Vlaanderen wel eens aangetroffen werd is het zgn. ligbalktype waarbij een houtskelet voor vakwerkbouw op de horizontale, van inkepingen voorziene ligbalken werd gemonteerd. Dit bouwschema lijkt vooral populair geweest te zijn in militaire context maar werd in Grobbendonk (De Boe 1984; 1988) ook in civiel milieu gevonden. In Menen (Dhaeze & Verbrugghe 2007, 55-60) werden zeer recent dergelijke ligbalken overigens als hergebruikt en weggegooid hout in een waterput van een boerderij in inheemse traditie aangetroffen, wat er zou kunnen op wijzen dat deze zeer ondiep gefundeerde bouwtechniek wel eens vaker werd aangewend in civiel milieu dan gedacht maar helaas weinig sporen nalaat in de grond.
Naast enkele courante basale bouwschemas er heel veel varianten komen zelfs uitzonderlijke gebouwtypen voor. Zo werd een gebouw met wandgreppel en ingang in de korte zijden (Rogge & Vermeulen 1983; Vermeulen 1992: 197-198) uit Eke sinds zijn opgraving niet meer aangetroffen op een andere locatie in Vlaanderen maar wel veel noordelijker, in Tiel.(Heeren 2007, 237-239) In Aalter kwam een driebeukig gebouw uit de derde eeuw aan het licht (De Clercq & Mortier 2001, 152) dat ook geen parallellen kent in Vlaanderen.
Een bijzonder aspect van de woonstalhuizen op de zandgronden van Zuid-Nederland, de Kempen en de regio tussen Brugge en Gent is het voorkomen van verdiepte staldelen, ook wel potstallen genoemd. Omtrent de terminologie en tafonomie van deze structuren bestaat onduidelijkheid. Het zou enerzijds kunnen gaan om een éénmalig gegraven kuil. Een “potstal” zoals die tot in subrecente tijden in de Kempen nog steeds in gebruik was, werd immers intentioneel uitgegraven om er nadien gestoken grasplaggen in te leggen. Bedoeling was om de stalmest te absorberen en die vervolgens als bemesting te gebruiken op de akkers. Een tweede interpretatie ziet het tot stand komen van deze grondsporen meer als een geleidelijk proces waarbij door het herhaaldelijk uitmesten steeds meer grond werd meegeschept waardoor uiteindelijk een steeds diepere kuil ontstond. Wat ook de ontstaansredenen moge zijn, feit is dat in beide scenario’s het een staldeel betreft en we wensen de termen potstal en verdiept staldeel beiden dan ook in die zin te gebruiken.
Het Alphen-Ekeren huis uit Ekeren “De Wilgenhoeve” dat Ibens (1976) publiceerde is het eerste in Vlaanderen waarin een dergelijke structuur werd herkend. Later werden ze aangetroffen in Oelegem (De Boe & Lauwers 1980), Donk (Van Impe 1983), Brugge (Hollevoet & Hillewaert 1997/1998 (2001), Nieuwkerken (Van Roeyen 1998b); Sint-Gillis-Waas (Van Hove 1998; Vermeulen et al. 1998; Vermeulen 2001); Merelbeke (De Clercq et al. 2001/2), Beernem (Y. Hollevoet pers. com.), Brecht (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004, 196-235), Wijnegem (Annaert 1995; Cuyt 2007, 205-207), Ekeren (Bellens 2006), Berlare (De Clercq et al. 2005), Kruibeke (Van Vaerenberg, Van Roeyen en Van Hove 2007), Kluizen (Laloo et al. 2008), Sint-Denijs-Westrem (Hoorne et al. 2008), Sint-Martens-Latem (Vermeulen 1989, 41-43 maar daar niet alsdusdanig herkend), Merelbeke (site Dijsegem: info auteur), Aalter (info auteur) en mogelijk Damme. (In ’t Ven et al. 2005b, 48)
Men treft deze structuren meestal aan als rechthoekige of afgerond rechthoekige, sterk humeuze vlekken die oorspronkelijk tot ca 1m diep onder loopvlak konden uitgegraven zijn. Ze tekenen zich doorgaans af in het noordelijk of noordoostelijke deel van het huis, weg dus van de overheersende windrichtingen en tegen de koudste windrichting aan. De functie staat niet meer ter discussie, alhoewel men ooit zelfs sprak van “vertrappelde grond” of “loopvlak” (Vermeulen 1989, 41-43) of “ingegraven kamer of stal.” (Van Impe et al. 1992: 561) Dat het hier staldelen betreft hoeft echter weinig betoog meer. Onderzoek van twee potstallen uit Brecht maakte duidelijk dat er vee in stond, o.a. door de hoge concentraties aan fosfor en schimmels die respectievelijk op mest en op grasplaggen wijzen (Langohr, Mikkelsen & Vansweefelt 2004). Soms zijn de wanden van het huis rond de potstal zelfs extra stevig gemaakt of bakenden enkele paaltjes de scheiding tussen de ruimten voor mens en dier af. De potstal van Merelbeke werd door een grachtje gedraineerd. (De Clercq et al. 2001/2)
Hoger werd al gewezen op het gebruik van houtskeletbouw op ligbalken in militaire en civiele context. In het castellum van Oudenburg werd voor de barakken en het valetudinarium in verschillende hout-aarde fortfasen met een funderingstechniek van standgreppels gebouwd. (Vanhoutte 2007) In het castellum van Maldegem bestonden de barakken uit gewone houtskeletbouw. (oa Thoen 1991) Het betrof voor het opgegraven deel twee éénschepige barakken van 33 op 6.5m en één zgn. dubbelbarak, bestaande uit een één- en tweeschepige constructie van telkens 33m lang. Een doorgang tussen beide bevond zich in het midden van de lange zijden. Het betreft wellicht een stal- en voederopslagplaats voor paarden. De toegangspoort van het castellum bestond uit een zware houten constructie van het type portae cum turribus. Twee van dergelijke poorttorengebouwen kwamen ook aan het licht in de gepalissadeerde versterking van Knesselare-Kouter (De Clercq, Hoorne & Van Hee 2006a,b; De Clercq, Hoorne & Van Hee 2007). Ook de landelijke nederzetting van Destelbergen-Eenbeekeinde zou een palissade en toegangspoort gehad hebben (De Laet, Thoen & Bourgeois 1986, 20). Plannen ervan werden echter nooit gepubliceerd.
Agache R. 1978. La somme pré-romaine et romaine. Mémoires de la Société des Antiquaires de Picardie. Société des Antiquaires de Picardie, Amiens.
Annaert R. & Willems J. 1995. Nieuwe archeologische site in Wijnegem. AVRA-Werking 1994: 84-87.
Bayard D. 1996. La romanisation des campagnes en Picardie à la lumière des fouilles récentes: problèmes d'échelles et de critères. In: Bayard D. & Collart J.L. (Eds.). De la ferme indigène à la villa Romaine. La Romanisation des campagnes de la Gaule. Actes du deuxième colloque de l'association AGER tenu à Amiens (Somme) du 23 au 25 septembre 1993. Revue Archéologique de Pïcardie. Numéro Spécial, 11, Amiens: 157-184.
Baeteman C. 2007. De laat holocene evolutie van de Belgische Kustvlakte: sedimentatieprocessen versus zeespiegelschommelingen en Duinkerke transgressies. In: de Kraker A.M.J. & Borger G. (Eds.). Veen-vis-zout. Landschappelijke dynamiek in de zuidwestelijke delta van de Lage Landen. Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 8, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam: 1-18.
Bauters L., De Clercq W. & Mestdagh H. 1998. Hamme. Archeologie in de ruilverkaveling Hamme. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag 1997 van de provincie Oost- Vlaanderen: 110-112.
Bayard D. & Collart J.L. (Eds.). 1996. De la ferme indigène à la villa Romaine. La Romanisation des campagnes de la Gaule. Actes du deuxième colloque de l'association AGER tenu à Amiens (Somme) du 23 au 25 septembre 1993. Revue Archéologique de Pïcardie. Numéro Spécial, 11, Amiens.
Bellens T. 2006. Gallo-Romeinse bewoning ter hoogte van de Wilgenhoeve in Ekeren (Antwerpen): recent archeologisch onderzoek. Romeinendag-Journée d'Archéologie Romaine, 06-05-2006. Gent: 87-88.
Bloemers J.H.F. 1978. Rijswijk (Z.H), 'De Bult'. Eine Siedlung der Cananefaten. Nederlandse Oudheden, 8.
Bourgeois I., De Swaef W. & Bourgeois J. 1999. Bewoningssporen uit de vroege La Tène en de Gallo-Romeinse periode aan de Jeruzalemstraat te Mere (Erpe Mere). VOBOV-info 48: 2-14.
Bourgeois J., Bungeneers J., Delcourt A. & Rommelaere J. 1987. Fouilles à Vinderhoute-Molenbrug. Campagnes 1985-1986. Occupation mésolithique, habitat du second âge du fer et de l'époque Gallo-Romaine. Scholae Archaeologicae, 8, Gent.
Bourgeois J., Parmentier F., Rommelaere J. & Vermeulen F. 1989. Noodopgravingen in de landelijke nederzettingen uit de late Ijzertijd, de Gallo-Romeinse periode en de late Middeleeuwen te Evergem-Spoorwegstraat. VOBOV-Info 34-35: 28-40.
Claassen A. 1998. Een belangrijke Gallo-Romeinse nederzetting aan het Kolisbos, Sint-Huibrechts-Lille.
Cooremans B., Desender K., Ervynck A. & Schelvis J. 1997-1998. Onderzoek van plantaardige en dierlijke resten uit een Romeinse waterput van de vindplaats ‘Refuge’ te Sint-Andries, Brugge (prov. West-Vlaanderen): economie en ecologie. Archeologie in Vlaanderen VI: 1-21.
Courbot-Deweirdt C. 2004. L'évolution des établissements ruraux entre la fin de l'âge du fer et la mise en place du système des villae dans le quart Nord-Ouest de la France, Ier siècle avant-IIeme siècle après J.-C. Thèse pour obtenir le grade de docteur en histoire de l'Université de Paris I, Université de Paris I Panthéon-Sorbonne, UFR d'histoire. Paris.
Creemers G. & Van Noppen P. 1999: Kessenich – Boterakker (Kinrooi): Gallo-Romeinse nederzetting. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1997, Limburg – Het Oude Land van loon 78, 3: 203-207.
Creemers G. & Vanderhoeven A. 2007. Vom Land zur Stadt. Die Entstehung des römischen Tongeren. In: S.N. (Ed.). Krieg und Frieden. Kelten, Römer, Germanen. Begleitbuch zur Ausstellung. Bonn: 263-269.
Crombé P. 1997. Maldegem. Inheemse boerderijen uit de Gallo-Romeinse tijd te Burkel. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag 1996. Gent: 117.
Crombé P., De Clercq W. & Meganck M. 1998. Maldegem. Oude-Burkelslag ... the story continues. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag 1997 van de provincie Oost- Vlaanderen. 99-101.
Crombé P., De Clercq W., Meganck M. & Bourgeois I. 2005. Een meerperiodensite bij de vallei van de Ede te Maldegem-Burkel (gem. Maldegem, prov. Oost-Vlaanderen). Menselijke aanwezigheid uit de steentijd, een nederzetting en grafheuvel uit de bronstijd en een nederzetting uit de Romeinse tijd. In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen, Monografie, 5.
Cuyt G. 1985. De inheems-Romeinse nederzetting te Wijnegem. Archaeologia Belgica I, 2: 67-70.
Cuyt G. 1991. Een inheems-Romeinse nederzetting uit de Vroeg-Romeinse tijd te Wijnegem. Archeologie in Vlaanderen 1: 85-106.
Cuyt G. 1995. Wijnegem-Steenakker (prov. Antwerpen): gebouwen uit de late Ijzertijd of de vroeg-Romeinse periode. Lunula. Archaeologia Protohistorica III: 40-41.
Cuyt G. 2007. Schaven aan het verleden. Op verkenning in onze archeologie. de Vries-Brouwers, Antwerpen - Rotterdam.
Cuyt G. & Willems J. 2004. Archeologische opgravingen rond de Vuurkruiserslaan in Wijnegem. Tijdschrift van de Heemkring Jan Vleminck 40, 3: 13-30.
Dark K. & Dark P. 1997. The landscape of Roman Britain. Sutton Publishing, Stroud.
De Boe G. 1966. De Gallo-Romeinse nederzetting op de Steenakker te Mortsel. Archaeologia Belgica, 94, Brussel.
De Boe G. 1971a. De Romeinse villa op de Meerberg te Val-Meer. Acta Archaeologica Lovaniensia, 4, Leuven.
De Boe G. 1971b. De stand van het onderzoek der Romeinse villa’s in België. Archaeologia Belgica 132: 5-14.
De Boe G. 1973. De landelijke bewoning in de Romeinse tijd. Het Oude Land van Loon 28: 85-114.
De Boe G. 1981: Prehistorische en Romeins te Neerharen-Rekem, Conspectus MCMLXXX, Archaeologia Belgica 238, Brussel, 37-41.
De Boe G. 1982: Meer dan 1.500 jaar bewoning rond de Romeinse villa te Neerharen-Rekem, Conspectus MCMLXXXI, Archaeologia Belgica 247, Brussel, 70-74.
De Boe G. 1983a. De Romeinse villa te Neerharen-Rekem. Conspectus MCMLXXXII. Archaeologia Belgica, 253, Brussel: 56-60.
De Boe G. 1983b. Habitat rural - landelijke bewoning. Archeologie 1983, 1: 52-53.
De Boe G. 1984a. Nieuw onderzoek in de Romeinse vicus te Grobbendonk: de houtbouwfase. Archaeologia Belgica. 258, Brussel: 69-73.
De Boe G. 1984b: Neerharen-Rekem (Limb.), Archeologie 1984, 2, 132-133.
De Boe G. 1985. Neerharen-Rekem (Limb.). Archeologie 1985, 2: 127.
De Boe G. 1986. De opgravingscampagne 1985 te Neerharen-Rekem (gem. Lanaken). Conspectus MCMLXXXV. Archaeologia Belgica n.r., II: 23-26.
De Boe G. 1987. Bewoning rond de villa te Neerharen-Rekem (B). In: Stuart P. & De Grooth M.E.T. (Eds.). Langs de weg. Heerlen-Maastricht: 51-54.
De Boe G. 1988. De inheems-Romeinse houtbouw in de Antwerpse Kempen. In: Brenders F. & Cuyt G. (Eds.). Van Beschaving tot Opgraving. 25 jaar archeologisch onderzoek rond Antwerpen. Brussel: 47-62.
De Boe G., De Bie M. & Van Impe L. 1992. Neerharen-Rekem. Een complexe bewoningsgeschiedenis gered van de grindbaggers. In: Willems W.J.H. (Ed.). Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn. Kunst und Altertum am Rhein, 136, Mainz: 477-496.
De Boe G. & Lauwers F. 1979. Een inheemse nederzetting uit de Romeinse tijd te Oelegem. Conspectus MCMLXXVIII. Archaeologia Belgica, 213: 83-87.
De Boe G. & Lauwers F. 1980. Een Inheemse nederzetting uit de Romeinse tijd te Oelegem. Archaeologia Belgica, 228, Brussel.
De Boe G. & Van Impe L. 1979. Nederzetting uit de Ijzertijd en Romeinse villa te Rosmeer. Archaeologia Belgica, 216, Brussel.
De Clercq W. 1999. Merelbeke. Een onverwachte kijk op het archeologisch patrimonium. Noodopgravingen en archeologisch waarderingsonderzoek op de Axxes-locatie: resten uit de bronstijd en de Romeinse periode. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag 1998 van de Provincie Oost-Vlaanderen: 100-103.
De Clercq W. 2000. Een blik op een decennium archeologisch onderzoek op Gallo-Romeinse vindplaatsen in Oost-Vlaanderen. Opnieuw een decennium Oost-Vlaamse archeologie: terug- en vooruitblik. Themanummer VOBOV-Info 52: 35-47.
De Clercq W. 2003. L'habitat gallo-romain en Flandre orientale (Belgique). Recherches 1990-2001 dans les civitates Menapiorum et Nerviorum (1990-2001). Revue du Nord - Archéologie de la Picardie et du Nord de la France 85, 353: 161-179.
De Clercq W. 2005. Een Gallo-Romeinse nederzetting te Oostwinkel-Leischoot (gem. Zomergem, prov. Oost-Vlaanderen). In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen, Monografie, 5: 127-134.
De Clercq W., Bastiaens J., Bourgeois I., Deforce K., Gelorini V., Tency H. & Van Peteghem A. 2003. Een plaats bij de Schelde in de eerste eeuwen van de jaartelling. Het Gallo-Romeinse Zele op basis van de opgravingen op de Kamershoek en de Zuidelijke Omleiding. Zele in de kijker. Nieuwe vindplaatsen op de archeologische kaart van Oost-Vlaanderen. VOBOV-Info 57: 25-35.
De Clercq W., Bastiaens J., Deforce K., Desender K., Ervynck A., Gelorini V., Haneca K., Langohr R. & Van Peteghem A. 2001/2002. Waarderend en preventief archeologisch onderzoek op de Axxes-locatie te Merelbeke: een grafheuvel uit de bronstijd en een nederzetting uit de Romeinse periode. Archeologie in Vlaanderen VIII: 123-164.
De Clercq W., Cherreté B., De Mulder G. & Van Rechem H. 2005. Een waterput uit de vroege Ijzertijd en een gebouw uit de Romeinse tijd te Berlare-N445 (gem. berlare, Prov. Oost-Vlaanderen). In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn project 1997-1998 Archeologie in Vlaanderen, Monografie, 5, Brussel: 155-176.
De Clercq W., Deru X. & Mortier S. 2007. Un ensemble Augusto-Tibérien découvert à Aalter (Flandre Orientale Belgique) et les premières importations de céramique Gallo-Belge dans le Nord de la Civitas Menapiorum. S.F.E.C.A.G. Actes du Congrès de Langres 501-506.
De Clercq W. & Deschieter J. 2000. Deinze. Noodonderzoek op de Aquafin-collector Deinze. Romeinse en middeleeuwse bewoningssporen langs de Witte Kaproenenstraat. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag van de Provincie Oost-Vlaanderen 1999, Gent: 136-137.
De Clercq W., Deschieter J. & De Mulder G. 2000. Nazareth-Eke. Noodonderzoek op de Aquafin-collector Eke. Romeinse bewoningssporen langs de N60. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag van de Provincie Oost-Vlaanderen 1999, Gent: 149-159.
De Clercq W., Ervynck A., Lentacker A., Mortier S., Tency H. & Van Strydonck M. 2005. De protohistorische periode uit de opgravingen te Aalter, industrieterrein Langevoorde. Profane en rituele aspecten uit de late Ijzertijd. Lunula. Archaeologia Protohistorica XIII: 125-134.
De Clercq W., Hoorne J. & Vanhee D. 2006a. Boeren en krijgers op het Menapische platteland. Een inheemse nederzetting en versterking te Knesselare-Kouter. In: Bosman A.V.A.J., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Romeinendag-Journée d’Archéologie Romaine Gent: 27-35.
De Clercq W., Hoorne J. & Vanhee D. 2006b. Knesselare. Gallo-Romeinse nederzetting en versterking te Knesselare-Kouter. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 2005, Gent: 171-174.
De Clercq W., Hoorne J. & Vanhee D. 2007. Een versterking te Knesselare-Kouter: opgravingscampagne 2006 (Oost-Vlaanderen). In: Bosman A.V.A.J., Corbiau M.-H., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Romeinendag-Journée d’Archéologie Romaine, Namur: 95-98.
De Clercq W. & In 't Ven I. 2005. De verspreiding van archeologische resten op het tracé van het vTn-project. Een vertekende of historische realiteit? In: In 't Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen. Monografie, 5, Brussel: 225-229.
De Clercq W., In ’t Ven I. & Hollevoet Y. 2005. Dwars door Romeins Vlaanderen: een synthese. In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie 5, Brussel: 243-257.
De Clercq W. & Kneuvels D. 1998. Zomergem-Oostwinkel. Gebouwen en graven uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag 1997 van de provincie Oost-Vlaanderen: 101-104.
De Clercq W., Laloo P., Perdaen Y. & Crombé P. 2007. Grootschalig nederzettingsonderzoek in een inheems-Romeins landschap. Het preventief archeologisch onderzoek “Kluizendok” in de Gentse haven (fase 2005-2006). In: Bosman A.V.A.J., Corbiau M.-H., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Romeinendag-Journée d’Archéologie Romaine, Namur: 59-66.
De Clercq W. & Mortier S. 2001. Aalter, Industrieterrein Langevoorde. Grootschalige noodarcheologie. Onderzoek van een meerperiodenvindplaats. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium; Jaarverslag 2000 van de provincie Oost-Vlaanderen: 197-202.
De Clercq W. & Mortier S. 2002a. Aalter. Industriezone Langevoorde. Grootschalig noodonderzoek van een meerperiodenvindplaats. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 2001, Gent: 146-154.
De Clercq W. & Mortier S. 2002b. Nazareth-Eke. Archeologische begeleiding bij de bouw van de Aquafin-collector Eke, fase 2001. Romeinse nederzettingssporen en een graf bij de Biestebeek. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 2001, Gent: 167-169.
De Clercq W. & Mortier S. 2003. Een inheems-Romeinse nederzetting (Ferme Indigène) uit de augusteïsch-tiberische tijd en off-site activiteiten uit de periode 60-260 AD: bilan van het noodonderzoek op het industrieterrein Aalter-Langevoorde (O.-Vl). 1999-2001. Romeinendag, Leuven 8-2-2003. 21-26.
De Clercq W. & Semey J. 2005. And what about the farms? Assessing the aerial visibility of early historic settlement areas in Northern Flanders. In: Bourgeois J. & Meganck M. (Eds.). Aerial photography and Archaeology. A century of Information. ARGU. Archaeological Reports Ghent University, 4, Gent: 281-289.
De Clercq W. & Taayke E. 2004. Handgemachte Keramik der Späten Kaiserzeit und des frühen Mittelalters in Flandern (Belgien). Das Beispiel der Funde Friesischer Keramik in Zele (O-Flandern). In: Lodewijckx M. (Ed.). Bruc Ealles Well. Archaeological essays concerning the peoples of North-West Europe in the first millennium AD. Acta Archaeologica Lovaniensia, Monographiae, 15, Leuven: 57-71.
De Clercq W. & Thoen H. 1997. Archeologie in een serre. Proefopgravingen op een Romeinse steenbouw te Nevele. VOBOV-info 46: 15-23.
De Clercq W. & Thoen H. 1998. Enkele aspecten van de Gallo-Romeinse samenleving in het Meetjesland. Status quaestionis en recent Romeins archeologisch onderzoek in het gebied ten NW van Gent. Vriendenboek L. Stockman. Aalter: 51-62.
De Clercq W. & van Dierendonck R.M. 2008. Extrema Galliarum. Zeeland en Noordwest-Vlaanderen in het Imperium Romanum. Zeeuws Tijdschrift 58, 3-4: 6-34.
De Clercq W. & Van Rechem H. 1999. Berlare. Een waterput uit de late bronstijd-vroege Ijzertijd en een Romeinse nederzetting nabij de Schelde (site N445). Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium, Jaarverslag 1998 van de Provincie Oost-Vlaanderen: 83-85.
De Clercq W., Van Rechem H., Gelorini V., Meganck M., Taayke E. & Tency H. 2005. Een meerperiodenvindplaats langs de Schelde te Zele Kamershoek (prov. Oost-Vlaanderen). Een grafheuvel uit de bronstijd, een erf uit de Romeinse periode en sporen van Germaanse inwijkelingen. In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn project 1997-1998 Archeologie in Vlaanderen, Monografie, 5, Brussel: 177-230.
De Clercq W. & Vanstrydonck M. 2007. La méthode de datation par radiocarbone comme indicateur chronologique alternatif pour l’époque Romaine. Possibilités et limites méthodologiques pour la période 200cal BC - 500cal AD sur base d’études de cas. S.F.E.C.A.G, Actes du Congrès de Langres 97-109.
De Cock S. 1996. Van archeologische site tot openluchtmuseum. De Gallo-Romeinse baanpost en Merovingische nederzettingen van Kerkhove. ca. midden 1ste eeuw - midden 8ste eeuw n. Chr. In: Van Roeyen J.P. (Ed.). Uit Vlaamse bodem. 10 Archeologische verhalen. Vlaamse Vereniging voor Archeologisch Onderzoek, Sint Niklaas: 79-87.
De Laet S.J. 1969a. Les fouilles de Destelbergen et les origines de la ville gallo-romaine de Gand. Archéologia 30.
De Laet S.J. 1969b. Nieuw licht op de oorsprong van Gent. Spiegel Historiael 3: 133-140.
De Laet S.J. 1976. De opgravingen te Destelbergen-Eenbeekeinde. Graven naar Gents verleden. Gent: 47-49.
De Laet S.J., Thoen H. & Bourgeois J. 1986. Les fouilles du séminaire d’Archéologie de la Rijksuniversiteit te Gent à Destelbergen-Eenbeekeinde et l’histoire la plus ancienne de la région de Gent (Gand). I. La période préhistorique. Dissertationes Archaeologicae Gandenses, XXIII, Brugge.
De Laet S.J., Thoen H., Gob A. & Bourgeois J. 1982. Een gebouw van de Michelberg-kultuur en een Gallo-Romeins grafveld te Kruishoutem-Kerkakkers (Opgraving Stanislaw Czepiec 1973). Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, N.R. 36: 3-37.
De Laet S.J., Thoen H., Van Doorselaer A., Desittere M. & Verhaeghe F. 1976. De opgravingen te Destelbergen. Eindverslag over opgravingsvlak A. Oudheidkundige Opgravingen en Vondsten in Oost-Vlaanderen VII. Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen. Bijdragen nieuwe reeks: 21-72.
De Laet S.J. & Van Doorselaer A. 1976. Nieuwe Oudheidkundige vondsten te Aalter. Oudheidkundige Vondsten en Opgravingen in Oost-Vlaanderen VII. Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen. Bijdragen nieuwe reeks, II: 11-16.
De Maeyer R. 1937. De romeinsche villa's in België. Een archeologische studie. Antwerpen, 's Gravenhage.
De Maeyer R. 1944. De strijd om onzen bodem tusschen Romeinen en Germanen. Brussel.
De Maeyer R. 1979. De overblijfselen der Romeinse villa's in België. Acta Archaeologica Lovaniensia 18: 34-143.
De Meulemeester J. & Dewilde M. 1987. Romeinse en middeleeuwse landelijke bewoning langs de Zeeweg te Roksem (gem. Oudenburg). Archaeologia Belgica III, 225-231.
De Swaef W. 1988. Bewoningssporen uit de Romeinse tijd aan de Jeruzalemstraat te Mere. Verslag van de opgravingen zomer 1987. Themanummer Romeinse aanwezigheid in Erpe-Mere. VOBOV-Info 30: 15-19.
De Swaef W. & Ervynck A. 1989. Bewoningssporen uit de Ijzertijd(?) en uit de Romeinse tijd aan de Jeruzalemstraat te Mere. Verslag opgravingen 198. Mededelingen van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere 29, 3: 50-52.
Delaruelle S., Verbeeck C. & De Clercq W. 2004. Wonen en leven op HSL-traject in de Romeinse tijd (ca. 50 v. C. - 475 n. C.). In: Verbeeck C., Delaruelle S. & Bungeneers J. (Eds.). Verloren voorwerpen. Archeologisch onderzoek op het HSL-traject in de provincie Antwerpen. Antwerpen: 189-256.
Demeyere F., Dewilde M., Wyffels F. & De Clercq W. 2005. Twee Gallo-Romeinse brandrestengrafvelden: Waardamme en De Panne. Journée d’archéologie romaine - Romeinendag, 16-4-2005. Brussel 21-26.
Denys L. & Baeteman C. 1995. Holocene evolution of relative sea-level and local mean high water spring tides in Belgium- a first assessment. Marine Geology 124: 1-19.
Deschieter J. 1994. Een Gallo-Romeinse nederzetting te Menen. Westvlaamse Archaeologica 10: 5-22.
Deschieter J. 2003. Over grachten, grenzen en gebouwen in de uithoek van een vicus...het archeologisch noodonderzoek op de "Kwakkel"-site te Velzeke (2002-2003). VOBOV-info 58: 26-39.
Deschieter J., De Clercq W. & Mortier S. 2001. Merelbeke-Dijsegem. Een Romeinse vindplaats op de schop. Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 2000, Gent: 217-218.
Deseyn G., Desmet G., Rommelaere J. & Verlot M. 1984. Sporen van een Gallo-Romeinse nederzetting te Evergem "Vierlinden" (opgravingen 1982, 1983, 1984). Themanummer Evergem. VOBOV-Info 15: 14-30.
Despriet P. 1979. De Romeinse nederzettingen en vondsten in Waregem en St.-Eloois-Vijve. De Gaverstreke 7: 408-423.
Despriet P. 1984a. De Gallo-Romeinse nederzettingen van Beveren-Leie. In: Despriet P. (Ed.). Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen. Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk: 31.
Despriet P. 1984b. Romeinse nederzettingsresten en grafveld in Waregem. In: Despriet P. (Ed.). Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen. Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk: 39-42.
Despriet P. 1984c. Romeinse nederzettingsresten en graven in Sint-Eloois-Vijve. In: Despriet P. (Ed.). Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen. Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen, 10, Kortrijk: 39.
Dhaeze W. & Verbrugge A. 2007a. Archeologisch onderzoek langs de Kortewaagstraat te Menen (2006-2007) (plangebied Menen-Oost-Uitbreiding). VIOE Intern rapport, Zarren.
Dhaeze W. & Verbrugge A. 2007b. Twee Gallo-Romeinse nederzettingen langs de Kortewaagstraat te Menen (prov. West-Vlaanderen). In: Corbiau M.-H., Bosman A.V.A.J., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Journée d’archéologie romaine - Romeinendag 21-04-2007. Namur: 73-78.
Ervynck A., Baeteman C., Demiddele H., Hollevoet Y., Pieters M., Schelvis J., Tys D., Van Strydonck M. & Verhaeghe F. 1999. Human occupation because of a regression, or the cause of a transgression? A critical review of the interaction between geological events and human occupation in the Belgian coastal plain during the first millennium AD. Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet 26: 97-121.
Ervynck A., Baeteman C., Demiddele H., Hollevoet Y., Pieters M., Schelvis J., Van Strydonck M. & Verhaeghe F. 2000. Kritische beschouwingen rond de interactie tussen mens en milieu in de Belgische Kustvlakte tijdens en na de Romeinse overheersing. Romeinendag 19 april 2000. Leuven: 3-4.
Ferdière A. 1988. Les campagnes en Gaule Romaine. Tome 1. Les hommes et l'environnement en Gaule rurale (52 av. J.-C. - 486 ap. J.-C.). Collection des Hespérides. Editions Errance, Paris.
Ferdière A. 1988. Les campagnes en Gaule Romaine. Tome 2. Les techniques et les productions en Gaule (52 av. J.-C. - 486 ap. J.-C.). Collection des Hespérides. Editions Errance, Paris.
Ferdière A. 2006. Les transformations des campagnes et de l'économie rurale en Gaule romaine. In: Paunier D. (Ed.). Celtes et Gaulois. L'Archéologie face à l'Histoire. La romanisation et la question de l'hériatge celtique. Actes de la table ronde de Lausanne, 17-18 juin 2005. Collection Bibracte, 12/5, Glux-en-Glenne: 109-130.
Ferdière A., Malrain F., Matterne V., Méniel P. & Nissen-Jaubert A.-M. 2006. Histoire de l'agriculture en Gaule. Histoire de l'agriculture en Gaule. 500av. J.-C. - 1000 apr. J.-C. Editions Errance, Paris.
Gerritsen F. 2003. Local identities. Landscape and community in Late Prehistoric Meuse-Demer-Scheldt region. Amsterdam Archaeological Studies, 9. Amsterdam University Press, Amsterdam
Haarnagel W. 1979. Die Grabung Feddersen Wierde. Feddersen Wierde. Text- und Tafelband. 2, Wiesbaden.
Haffner A. & von Schnurbein S. 2000. Kelten, Germanen, Römer im Mittelgebirgsraum zwischen Luxemburg und Thüringen. Akten des Internationalen Kolloquiums zum DFG-Schwerpunktprogramm "Romanisierung" in Trier von 28. bis 30. september 1998. Kolloquien zur Vor- und Frühgeschichte, Band 5. Dr. Rudolf Habelt, Bonn.
Haselgrove C. 1996. La Romanisation de l'habitat rural dans la vallée de l'Aisne d'après les prospections de surface et les fouilles récentes. In: Bayard D. & Collart J.L. (Eds.). De la ferme indigène à la villa Romaine. La Romanisation des campagnes de la Gaule. Actes du deuxième colloque de l'association AGER tenu à Amiens (Somme) du 23 au 25 septembre 1993. Revue Archéologique de Pïcardie. Numéro Spécial, 11, Amiens: 109-120.
Heeren S. 2006. Opgravingen bij Tiel-Passewaaij 1. De nederzetting aan de Passewaaijse Hogeweg. Zuidnederlandse Archeologische Rapporten, 29. Archeologisch Centrum Vrije Universiteit / Hendrik Brunsting Stichting, Amsterdam.
Hiddink H. 2005a. Archeologisch Onderzoek aan de Beekseweg te Lieshout. Zuidnederlandse Archeologische Rapporten, 18. 3 vols. Archeologisch Centrum Vrije Universiteit Amsterdam.
Hiddink H. 2005b. Opgravingen op het Rosveld bij Nederweert 1. Landschap en bewoning in de Ijzertijd, de Romeinse tijd en Middeleeuwen. Zuidnederlandse Archeologische Rapporten, 22, Archeologisch Centrum Vrije Universiteit, Amsterdam.
Higham N.J. 1989. Roman and native in England North of the Tees: acculturation and its limitations. In: Barrett J.C., Fitzpatrick A.P. & Macinnes L. (Eds.). Barbarians and Romans in North-West Europe. From the later Republic to the late Antiquity. BAR-International Series, 471: 153-174.
Hillewaert B. 1996. Nederzettingssporen in een Brugse verkaveling. Voorlopig verslag van het onderzoek op de binnengronden van de Zandstraat, de Sint-Hubertuslaan, de Legeweg en de Expressweg. Museumbulletin 16, 2: 11-12.
Hillewaert B. 1997a. St.-Andries - Korte Molenstraat. Jaarboek 1995-96. Brugse Stedelijke Musea. Brugge: 78.
Hillewaert B. 1997b. St.-Andries - Refuge. Jaarboek 1995-96. Brugse Stedelijke Musea. Brugge: 78.
Hillewaert B. 1997c. St. Andries-Molendorp. Jaarboek 1995-96. Brugse Stedelijke Musea. Brugge: 79-80.
Hillewaert B. 2000a. Een vroegmiddeleeuwse nederzetting aan de Kosterijstraat (Korte Molenstraat, Zandstraat, Pastoriestraat). Jaarboek 1997-1999. Brugse Stedelijke Musea. Brugge: 167-173.
Hillewaert B. 2000b. Molendorp 3 (Oudstrijderslaan, Zandstraat, Gistelsesteenweg). Jaarboek 1997-1999 Brugse Stedelijke Musea. Brugge: 175.
Hillewaert B. 2000c. Zeebrugge - Lissewege - Dudzele. Jaarboek 1997-99. Brugse Stedelijke Musea. Brugge: 161-164.
Hillewaert B. & Hollevoet Y. 1987a. Brugge (W.-Vl.): de Zeebrugse achterhaven. Archeologie 1987, 2: 136-137.
Hillewaert B. & Hollevoet Y. 1987b. Prospecties en noodonderzoek in het gebied ten noorden van Brugge: activiteitenverslag 1986. Westvlaamse Archaeologica 3, 1: 16.
Hillewaert B. & Hollevoet Y. 1999. Archeologisch onderzoek Korte Molenstraat - St-Andries. Museumbulletin 19, 1: 9-10.
Hillewaert B. & Hollevoet Y. 2006. Andermaal Romeins en vroegmiddeleeuws te Sint-Andries / Brugge. Relicta. Archeologie, Monumenten en Landschapszorg in Vlaanderen 1: 121-140.
Hingley R. 1989. Rural settlement in Roman Britain. Seaby, London.
Hingley R. 2004. Rural settlement in Northern Britain. In: Todd M. (Ed.). A Companion to Roman Britain. Blackwell Companions to British History, Blackwell Publishing, Malden, Oxford, Carlton: 327-348.
Hollevoet Y. 1989. Archeologische noodonderzoek in de Zeebrugse achterhaven: de Romeinse vondsten. Westvlaamse Archaeologica 5 2: 33-48.
Hollevoet Y. 1990. Roksem (Oudenburg, W.-Vl.): vroeg-Romeinse en merovingische nederzettingssporen. Archeologie 1990, 1: 48.
Hollevoet Y. 1991. Een vroeg-middeleeuwse nederzetting aan de Hoge Dijken te Roksem (gem. Oudenburg). Archeologie in Vlaanderen I: 181-196.
Hollevoet Y. 2006. Romeinen onder de dienstweg. Nederzettingssporenen brandrestengraven te Beernem (W.-Vl.). In: D'haeninck S. (Ed.). Gemeente Beernem. Open Monumentendag Vlaanderen 2006. Beernem: 14-20.
Hollevoet Y. 1997. Beter laat dan nooit. Nederzettingsnieuws uit het westelijk front. Romeindag 27 maart 1997. Leuven: 28-29.
Hollevoet Y. 1997/1998(2002). D’Hoogne Noene te Varsenare van midden Bronstijd tot volle Middeleeuwen. Archeologisch onderzoek in een verkaveling langs de Zandstraat te Varsenare (gem. Jabbeke, prov. West-Vlaanderen). Archeologie in Vlaanderen VI: 161-189.
Hollevoet Y. 1999: Archeologisch onderzoek op de toekomstige industrieterreinen Plassendaele II & III te Oostende-Zandvoorde; interimrapport, Zellik.
Hollevoet Y. 1999/2000 (2003). Romeinse off site-fenomenen en vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen in de verkaveling Molendorp te Sint-Andries/Brugge (prov. West-Vlaanderen). Archeologie in Vlaanderen VII: 65-82.
Hollevoet Y. & Hillewaert B. 1997/1998 (2002). Het archeologisch onderzoek achter de voormalige vrouwengevangenis Refuge te Sint-Andries/Brugge (prov. W. Vl). Nederzettingssporen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Archeologie in Vlaanderen VI: 191-207.
Hollevoet Y. & Van Roeyen J.-P. 1992. Germanic setllers at Sint-Gillis-Waas ? (Prov. of East Flanders). Archeologie in Vlaanderen 1: 209-221.
Hollevoet Y. & Van Roeyen J.-P. 1995. Archeologisch onderzoek te Sint-Gillis-tHol (O.-Vl.). Een Gallo-Romeinse veldindeling en een "Romeins-Germaanse" nederzetting. Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas 98: 419-456.
Hoorne J., Bartholomieux B., De Mulder G., De Clercq W., Ryssaert C., Berkers M., De Doncker G., Iserbyt N. & Klinkenborg S. 2008. Voorlopige resultaten van het preventief archeologisch onderzoek te Sint-Denijs-Westrem-Flanders Expo (stad Gent, provincie Oost-Vlaanderen): drie Gallo-Romeinse erven. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van Bellingen S. (Eds.). Romeinendag-Journée d'Archéologie Romaine, 19-04-2008. Brussel: 67-72.
Hoorne J. & De Clercq W. 2007. Vroeg-Romeinse nederzetting te Wielsbeke-Vaartstraat (West-Vlaanderen). In: Corbiau M.-H., Bosman A.V.A.J., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Journée d’archéologie romaine - Romeinendag, 21-04-2007. Namur: 73-78.
Hoorne J. & Vanhee D. 2006. Romeinse resten op het aquafintracé Knesselare-Aalter-Brug. Fase 1B en 2. In: Corbiau M.-H., Bosman A.V.A.J., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Romeinendag-Journée d'Archéologie Romaine, 21-04-2007. Namur: 111-115.
Hoorne J., Vanhee D., Eggermont N. & Decorte J. 2006. Dwars door het Romeinse landschap. Resten van een nederzetting, akkersystemen en begravingen op het aquafintracé Aalter-Brug-Knesselare. In: Bosman A.V.A.J., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Romeinendag-Jorunée d'Archéologie Romaine, 06-05-2005. Gent: 41-47.
Hulst R.S. 1978. Druten-Klepperheide,Vorbericht der Ausgrabung einer römischen Villa. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 28: 133-153.
Ibens W. 1976. Gallo-Romeinse bewoningssporen te Ekeren. Annalen van het 44ste Congres van de Federatie van Kringen voor Oudheidkunde en Geschiedenis van België, Huy. 49-54.
In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). 2005. Een lijn door het landschap. Archeologie en het VTN-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie 5, Brussel.
In 't Ven I. & Hollevoet Y. 2005. Een Romeinse nederzetting ten westen van de Stoofweg te Damme/Sijsele (prov. West-Vlaanderen). In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het VTN-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie, 5, II, Brussel,: 29-34.
In 't Ven I., Hollevoet Y., Cooremans B., De Groote A. & Deforce K. 2005a. Romeinse bewoning aan de Antwerpse Heirweg in Sijsele/Damme (prov. West-Vlaanderen). In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het VTN-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie, 5, II, Brussel: 47-75.
In 't Ven I., Hollevoet Y. & Hillewaert B. 2005. DW3: Brugge/Dudzele - Landslag West. In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het VTN-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie, 5, I, Brussel: 43.
In 't Ven I., Hollevoet Y., Hillewaert B., Vanmontfort B. & Ervynck A. 2005b. DW5: Brugge/Dudzele - Landslag Oost 2. In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het VTN-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie, 5, I, Brussel: 45-49.
In ’t Ven I., Wouters W., Debruyne T., Van Bellingen S. & Cooremans B. 2005c. Een Gallo-Romeinse rurale nederzetting aan het Houtemveld in Houtem (Vilvoorde/Steenokkerzeel, prov. Vlaams-Brabant). In: In ’t Ven I. & De Clercq W. (Eds.). Een lijn door het landschap. Archeologie en het vTn-project 1997-1998. Archeologie in Vlaanderen Monografie, 5, Brussel: 259-269.
Jankuhn H. 1977. Einführung in die Siedlungsarchäologie. Berlin/New York.
Jansen R. & Fokkens H. 1999. Bouwen aan het verleden. 25 jaar archeologisch onderzoek in de gemeente Oss. Faculteit der archeologie van de universiteit Leiden, Leiden.
Janssens D. 1984. Een Romeinse villa te Heestert. Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen, 8, Kortrijk.
King A. 2004. Rural settlement in Southern Britain: a regional survey. In: Todd M. (Ed.). A Companion to Roman Britain. Blackwell Companions to British History, Blackwell Publishing, Malden, Oxford, Carlton: 349-370.
Koot C. & Berkvens R. (Eds.). 2004. Bredase akkers eeuwenoud. 4000 jaar bewoningsgeschiedenis op de rand van zand en klei. Rapportage Archeologische Monumentenzorg, 102 / Erfgoedstudies Breda, 1, Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek / Gemeente Breda, Amersfoort / Breda.
Kossack G., Behre K.-E. & Schmid P. (Eds.). 1984. Archäologische und naturwissenschaftlichen Untersuchungen an ländlichen und frühstädtischen Siedlungen im Deutschen Küstengebiet vom 5. Jahrhundert v. Chr.bis zum 11. Jahrhundert n. Chr.1. Ländliche Siedlungen. Weinheim.
Laloo P., De Clercq W., Perdaen Y. & Crombé P. 2008. Grootschalig nederzettingsonderzoek in een inheems-Romeins landschap. Resultaten 2006-2007 en voorlopig bilan van het preventief archeologisch onderzoek "Kluizendok" in de Gentse haven. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van Bellingen S. (Eds.). Romeinendag-Journée d'Archéologie Romaine, 19-04-2008. Brussel: 73-84.
Langohr R., Mikkelsen J. & Vanweesenbeeck V. 2004. Twee HSL-potstallen. In: Verbeeck C., Delaruelle S. & Bungeneers J. (Eds.). Verloren voorwerpen. Archeologisch onderzoek op het HSL-traject in de provincie Antwerpen. Proncibestuur Antwerpen, Antwerpena: 207-209.
Laurent R., Callebaut D. & Roosens H. 1972. De landelijke bewoning in de Romeinse tijd. Archeologische Kaarten van België, 3. Nationale Dienst voor Opgravingen, Brussel.
Lefert S. 2006. Le Hody à Maois. Une ferme en Condroz Namurois. Archéologie et sciences d’origine. Dossier : La Belgique Romaine 315, 68-71.
Lefert S., Bausier K. & I. N. 2002. Hamois: la villa "sur le Hody": quatre nouveaux bâtiments annexes. Chronique de l'Archéologie Wallonne 10: 240-243.
Lemaire F. & Rossignol P. 1996. Un exemple exceptionnel de romanisation précoce: l'habitat rural de Conchil-le-Temple "Fond de la Commanderie" (Pas-De-Calais). Résultats préliminaires. In: Bayard D. & Collart J.L. (Eds.). De la ferme indigène à la villa Romaine. La Romanisation des campagnes de la Gaule. Actes du deuxième colloque de l'association AGER tenu à Amiens (Somme) du 23 au 25 septembre 1993. Revue Archéologique de Pïcardie. Numéro Spécial, 11, Amiens: 185-202.
Leman-Delerive G. & Piningre J.-F. 1981. Les structures d'habitat du second Âge du Fer de Conchil-le-Temple (Pas-de-Calais). Prmiers résultats. Mémoires de la société archéologique champenoise 2: 319-320.
Lenz K.H. 1999a. Die Ländliche Besiedlung der Frühen und Mittleren Kaiserzeit im Hinterland des Römischen Köln. Kölner Jahrbuch 32: 807-821.
Lenz K.H. 1999b. Siedlungen der Römischen Kaiserzeit auf der Aldenhovener Platte. Rheinische Ausgrabungen, Band 45. Rheinland-Verlag, Köln.
Lepetz S. & Matterne V. (Eds.). 2003. Cultivateurs, éleveurs et artisans dans les campagnes de Gaule Romaine. Matières premières et produits transformés. Actes du VIe colloque de l'association AGER tenu à Compiègne (Oise) du 5 au 7 juin 2002. Revue Archéologique de Pïcardie, 2003, ½
Lesenne M. 1988: Sint-Huibrechts-Lille (Limb.), Archeologie 1988, 1, 68.
Lesenne M. 1990: Sint-Huibrechts-Lille (Limb.), Archeologie 1990, 118.
Malrain F., Matterne V. & Méniel P. 2002. Les paysans Gaulois (IIe siècle -52 av. J.-C.). Editions Errance - Inrap, Paris.
Marion S. & Blancquaert G. (Eds.). 2000. Les installations agricoles de l'âge du Fer en France Septentrionale. Etudes d'Histoire et d'Archéologie, 6
Marsden P. 1976. A boat of the Roman period found at Bruges, Belgium, in 1899, and related types. International Journal of Nautical Archaeology and Underwater Exploration 5, 1: 23-55.
Miles D. 1982. The Romano-British Countryside. Studies in rural settlement and economy. BAR International Series, 103, I-II.
Millet M. 1990. The Romanization of Britain. Cambridge University Press, Cambridge.
Millet M. 1992. Rural Integration in the Roman West: an introductory essay. In: Wood M. & Queiroga F. (Eds.). Current Research on the Romanization of the Western Provinces. BAR-International Series, 575, Tempus Reparatum: 1-8.
Modderman P.J.R. 1975. A native farmstead from the Roman period near Kethel, Municipaplity of Schiedam, Province of South-Holland. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 23: 149-158.
Mostaert F. 2000. Geografische situering en ontwikkeling van de Vlaamse kuststreek. In: Meulemeester J.L. (Ed.). Met zicht op zee. Vlaanderen, 49/3, Lannoo, Tielt: 2-6.
Mostaert F. 2007. Landschap. In: Casteleyn D., Constandt M., Hostyn N., Meulemeester J.L., van der Laan M. & Vanhee F. (Eds.). 2000 jaar Middenkust & Hinterland. Waar is de tijd, 13, Zwolle.
Opsteyn L. & Lodewijckx M. 1998. Romeins Wange in een ruimer perspectief. In: Thoen H., Vermeulen F., De Boe G. & Lodewijckx M. (Eds.). Romeinendag 1 april 1998. Leuven: 13-16.
Opsteyn L. & Lodewijckx M. 2000. Het begin en het einde van de Romeinse occupatie te Wange (Vlaams-Brabant). In: Lodewijckx M., De Boe G. & Thoen H. (Eds.). Romeinendag Leuven 19 april 2000. Leuven: 29-34.
Ouzoulias P. 2007. Faut-il déromaniser l'archéologie des campagnes gallo-romaines. Archéopages 18, janvier 2007: 22-25.
Parent J.-P., Van der Plaetsen P. & Vanmoerkerke J. 1986-1987. Prehistorische jagers en verzamelaars aan de Donk te Oudenaarde. VOBOV-info 24-25.
Pauwels D. 2007. Veldwezelt tussen protohistorie en Tachtigjarige Oorlog. Archeologie in Limburg 106: 14-23.
Pauwels D. & Creemers G. 2000: Een Romeinse landelijke nederzetting te Smeermaas (Limburg). In: Lodewijckx M. De Boe G. & Thoen H. (eds), Romeinendag Leuven – 19 april 2000, Leuven: 35-38.
Pauwels D., Creemers G. & Cooremans B. 2006. Een Romeinse landelijke nederzetting te Smeermaas (Lanaken; prov. Limburg). Relicta. Archeologie, Monumenten & Landschapsonderzoek in Vlaanderen 2: 49-118.
Pauwels D., Vanderhoeven A., Vynckier G. & Wesemael E. 2003. Een landelijke nederzetting te Veldwezelt (L.). In: Lodewijckx M. & Corbiau M.-H. (Eds.). Romeinendag - Journée d’Archéologie Romaine. Leuven 28 02 2003. Leuven: 59-60.
Pieters M. 1992. Archeologisch onderzoek te Raversijde (stad Oostende, prov. West-Vlaanderen). Interimverslag 1992. Archeologie in Vlaanderen II: 247-264.
Pieters M. 2008. Dijk uit de Romeinse tijd te Raversijde verder onderzocht. In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van Bellingen S. (Eds.). Romeinendag-Journée d'Archéologie Romaine, 19-04-2008. 111-112.
Pieters M., Demerre I. & Zeebroek I. 2006. Dijk uit de Romeinse tijd aangesneden onder het middeleeuwse vissersdorp Walraversijde. In: Bosman A.V.A.J., De Clercq W. & Hoevenberg J. (Eds.). Romeinendag - Journée d'archéologie romaine, 06-05-2006. Gent 93-97.
Purcell N. 1995. The Roman villa and the landscape of production. In: Cornell T.J. & Lomas K. (Eds.). Urban society in Roman Italy. UCL Press, London: 151-179.
Rogge M. 1975. Elsegem-Kerkhove: neolitische en Romeinse vondsten. Archeologie 1975, 2: 62.
Rogge M., Thoen H. & Vermeulen F. 1990. Oost-Vlaanderen in de Romeinse tijd. 25 jaar Verbond voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Oost-Vlaanderen.VOBOV-Info 38-40: 55-70.
Rogge M. & Van Doorselaer A. 1976. De Gallo-Romeinse nederzetting op de Tomberg in Beveren Leie. De Leiegouw XVIII: 353-400.
Rogge M. & Vermeulen F. 1983. Een inheems-Romeinse nederzetting te Eke. Heemkring Scheldeveld Jaarboek XII: 35-73.
Roymans N. (Ed.) 1996a. From the sword to the plough. Three studies on the earliest romanisation of Northern Gaul. Amsterdam Archaeological Studies, 1, Amsterdam University Press, Amsterdam.
Roymans N. 1996b. The sword or the plough. Regional dynamics in the romanisation of Belgic Gaul and the Rhineland area. In: Roymans N. (Ed.). From the sword to the plough. Three studies on the earliest romanisation of Northern Gaul. Amsterdam University Press, Amsterdam: 9-126.
Roymans N. 1999. Man, cattle and the supernatural in the Northwest European plain. In: Fabech C. & Ringtved J. (Eds.). Settlement and Landscape. Proceedings of a conference in Arhus, Denmark, May 4-7 1998. Jutland Archaeological Society, Copenhagen: 291-300.
Roymans N. & Gerritsen F. 2002. Landscapes of Ecology and Mentalités: a long-term perspective on developments in the Meuse-Demer-Scheldt region. Proceedings of the Prehistoric Society 68: 257-287.
Roymans N. & Heeren S. 2004. L'archéologie des habitats ruraux romains aux Pays-bas. Bilan de cent années de recherches. Revue du Nord - Archéologie de la Picardie et du Nord de la France 358, 86: 19-36.
Roymans N. & Tol A. 1996. Opgravingen in Kampershoek en de Molenakker te Weert. Zuidnederlandse Archeologische Rapporten, 4.
Sas K. & Cuyt G. 2003. Vroeg-Romeinse "cultus"-armbanden in een "vierkant". In: Cuyt G. & Sas K. (Eds.). Vlekken in het zand. Archeologie in en rond Antwerpen. Antwerpen: 9-24.
Sier M. (Ed.) 2003. Ellewoutsdijk in de Romeinse tijd. ADC-Rapport, 200, ADC, Bunschoten.
Schelvis J. & Ervynck A. 1992. Mijten (Acari) als ecologische indicatoren in de archeologie. Onderzoek op de Romeinse vindplaats Oudenburg (prov. West-Vlaanderen). Archeologie in Vlaanderen 2: 175-189.
Schinkel K. 1998. Unsettled settlement, occupation remains from te Bronze Age and the Iron Age at Os-Ussen. The 1976-1986 excavations. Analecta Praehistorica Leidensia 30.
Slofstra J. 1991. Changing settlement systems in the Meuse-Demer-Scheldt area during the Early-Roman period. In: Roymans N. & Theuws F. (Eds.). Images of the Past. Studies on ancient societies in Northwestern Europe. Studies in Prae- en Protohistorie, 7, Amsterdam: 131-200.
Slofstra J. & Bazelmans J. 1985. Een inheems-Romeinse nederzetting op de kerkakkers bij Hoogeloon. Het Kempenproject 2. Een regionaal-archeologisch onderzoek in uitvoering. Bijdragen tot de studie van het Brabants Heem, 27, Waalre.
Slofstra J. & Van der Sanden W. 1987. Rurale cultusplaatsen uit de Romeinse tijd in het Maas-Demer-Schelde-gebied. Analecta Praehistorica Leidensia 20: 125-168.
Slofstra J., van Regteren-Altena H.-H. & Theuws F. (Eds.). 1982. Het Kempenproject. Een regionaal-archeologisch onderzoeksprogramma. 22, Waalre.
Taylor J. 2001. Rural Society in Roman Britain. In: James S. & Millet M. (Eds.). Britons and Romans: advancing an archaeological agenda. CBA Research Report, 125, Council for British Archaeology, London: 46-59.
Taylor J. 2007. An atlas of Roman rural settlement in Britain. Council for British Archaeology, York.
Thoen H. 1968. Huise (O.V.): nederzetting. Archeologie 1968, 2: 75.
Thoen H. 1978. De Belgische Kustvlakte in de Romeinse tijd. Bijdrage tot de studie van de landelijke bewoningsgeschiedenis. Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone kunsten van België. Klasse der Letteren, Xl, 88, Brussel.
Thoen H. 1987. De Romeinen langs de Vlaamse Kust. Gemeentekrediet, Leuven.
Thoen H. 1988. De vroegste bewoning: de Gallo-Romeinse aanwezigheid te Bredene (1e-3e eeuw na Chr.). In: Deplancke R., Desopper G., Eerebout R., Gevaert B., Gevaert F., Gevaert P., Gevaert W., Rotsaert D., Rotsaert F., Thoen H., Vande Casteele L. & Verbanck R. (Eds.). Bredeniana - Jubileumboek 900 jaar Bredene. Bredene: 13-17.
Thoen H. 1991. Le camp romain de Maldegem (Flandre orientale, Belgique) et les invasions des Chauques en 172-174 de notre ère. In: Thoen H., Bourgeois J., Vermeulen F., Crombé P. & Verlaeckt K. (Eds.). Liber Amicorum Jacques A.E. Nenquin. Studia Archaeologica Gent: 185-200.
Thoen H. & Hollevoet Y. 2001. A network of creeks and Roman land division in the coastal plain. In: Vermeulen F. & Antrop M. (Eds.). Ancient Lines in the Landscape. A Geo-Archaeological Study of Protohistoric and Roman Roads and Field Systems in Northwestern Gaul. Babesh - Supplement, 7, Leuven: 149-150.
Trier B. 1969. Das Haus im Nordwesten der Germania Libera. Veröfentlichungen der Altertumskommision im Provinzialinstitut für Westfälische Ländes- und Volkskunde 4: 33-35.
Van der Sanden W. 1977. Omzwervingen door Romeins Alphen. In: Roymans N. (Ed.). Brabatnse Oudheden opgedragen aan G. Beex bij zijn 65e verjaardag. Bijdrage tot de Studie van het Brabants Heem, 16, Eindhoven: 111-112.
Van Doorselaer A. 1963. Destelbergen. Archeologie 1963, 1: 13.
Van Doorselaer A. 1966. Huise (O.-Vl.): bewoningssporen uit de Romeinse tijd. Archeologie 1966, 2: 72.
Van Doorselaer A. 1967. Opgraving van Romeinse afvalkuilen te Huise-De-Lozer. Oudheidkundige Opgravingen en Vondsten in Oost-Vlaanderen, Vierde Reeks. Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, 1965: 101-128.
Van Doorselaer A. & Thoen H. 1965. Opgraving van Romeinse afvalkuilen te Huise-De-Lozer. Oudheidkundige Opgravingen en Vondsten in Oost-Vlaanderen, Vierde Reeks. Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, 1965, Gent: 101-125.
Van Doorselaer A. & Thoen H. 1967. Verdere opgravingen in een Romeinse nederzeting te Destelbergen (1965 en 1966). Oudheidkundige Opgravingen en Vondsten in Oost-Vlaanderen, Vierde Reeks. Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, 1965: 129-149.
Van Es W.A. 1967. Wijster. A Native village beyond the imperial frontier 150-425AD. Paleohistoria, XI. 2 vols.
Van Giffen A.E. 1936. Der Warf in Ezinge, Provinz Groningen und seine Westgermanischen Häuser. Germania 36: 40-47.
Van Hove R. & Van Roeyen J.-P. 1998. Sint-Gillis-Kluizenmolen II. Archeologische Dienst Waasland. Jaarverslag 1997. 10-17.
Van Impe L. 1983. Het oudheidkundig bodemonderzoek in Donk (gem. Herk-de-Stad) 1977-1982. Miscellanea Archaeologica in honorem H. Roosens. Archaeologia Belgica, 255, Brussel: 65-94.
Van Impe L., Huyge D., Van Laere R. & Vynckier G. 1992. Archeologisch onderzoek in en rond de Demervallei. In: Willems W.J.H. (Ed.). Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn. Kunst und Altertum am Rhein, 136, Mainz: 550-572.
Van Ossel P. & Defgnée A. 2001. Champion, Hamois. Une villa romaine chez les Condruses. Etudes et Documents Archéologie, 7, Namur.
Van Roeyen J.-P. 1993. Sint-Niklaas-Europark-Zuid. Archeologische Dienst Waasland. Jaarverslag 1992: 27-30.
Van Roeyen J.-P. 1998a. Sint-Gillis-Houtvoortstraat. Archeologische Dienst Waasland. Jaarverslag 1997: 22-29.
Van Roeyen J.-P. 1998b. Nieuwkerken-Wallenhofwijk. Archeologische Dienst Waasland. Jaarverslag 1997: 18-21.
Van Roeyen J.-P. 1999. Sint-Gillis-Houtvoort. Archeologische Dienst Waasland. Jaarverslag 1998: 14-23.
Van Vaerenbergh J., Van Roeyen J.-P. & Van Hove R. 2007. Recent Archeologisch onderzoek in het Waasland. Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas 110: 381-454.
Van Strydonck M. 1994. C-14 datering van platte slijkgapers (Scrobicularia plana) in levenspositie aangetroffen in een boven opgevulde Romeinse veenwinningsputten afgezet pakket klei. Archeologie in Vlaanderen IV: 232-233.
Vanderhoeven A. 2006. Veldwezelt. Vues socio-économiques nouvelles sur les campagnes. Archéologie et sciences d’origine. Dossier : La Belgique Romaine 315: 60-61.
Vanderhoeven A., Nouwen R. & Vynckier G. 1992. Tongeren. In: Willems W.J.H. (Ed.). Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn. Kunst und Altertum am Rhein, 136, Mainz: 387-402.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Ervynck A. & Cooremans B. 1992. Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1990-1993. Deel 1. De vóór-Flavische periode. Archeologie in Vlaanderen 2: 89-146.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Wesemael E. 2006. Veldwezelt (Lanaken): sporen uit de prehistorie; de Romeinse tijd en de postmiddeleeuwse periode. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (Eds.). Archeologische kroniek van Limburg 2003. Limburg - Het Oude Land van Loon, 85, 4: 318-321.
Vanhoutte S. 2005. Romeinse en middeleeuwse bewoning in Zandvoorde. In: Pieters M., Schietecatte L. & Zeebroek I. (Eds.). Oostende: Stadvernieuwing en Archeologie. Een balans van 10 jaar archeologisch onderzoek van het Oostendese bodemarchief. Oostende: 31-33.
Vanhoutte S. 2007. Het Romeins castellum van Oudenburg: Post-excavation-onderzoek resulteert in nieuwe chronologie. In: Journée d’archéologie romaine - Romeinendag 21-04-2007: 39-43.
Vanhoutte S. & De Clercq W. 2006. Het Gallo-Romeins aardewerk aangetroffen tijdens het archeologisch noodonderzoek op het toekomstige bedrijventerrein Plassendale III (Zandvoorde, stad Oostende, prov. West-Vlaanderen). Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapszorg in Vlaanderen I: 81-119.
Vanhoutte S. & Pieters M. 1999/2000 (2003). Archeologisch noodonderzoek op het toekomstige bedrijventerrein Plassendale III (Zandvoorde, stad Oostende, prov. West-Vlaanderen). Interimverslag 2000-2001. Archeologie in Vlaanderen VII: 95-110.
Vanhoutte S. & Pieters M. 2003. Romeinse sporen op het toekomstig bedrijventerrein Plassendale III te Zandvoorde (stad Oostende). In: Romeinendag - Journée d’archéologie romaine - 8-2-2003. Leuven: 85-86.
Vanvinckenroye W. 1987. De Romeinse villa op het “Middelpadveld” te Vechmaal (Heers). Limburg - Het Oude Land van Loon 76, 2: 179-192.
Vanvinckenroye W. 1988. De Romeinse villa op de Sassenbroekberg te Broekom. Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, 38, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1990. De Romeinse villa's van Piringen ("Mulkenveld") en Vechmaal ("Walenveld"). Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, 42, Hasselt.
Verbeeck C., Lauwers F. & De Boe G. 1986. De Gallo-Romeinse nederzetting te Kontich. Archaeologia Belgica I: 59-64.
Verbeeck M. 1994. Vijf opgravingscampagnes te Erps-Kwerps (1987-1991). Een bewoningscontinuïteit van de prehistorie tot de middeleeuwen. In: Lodewijckx M. (Ed.). Bijdragen tot de studie van bewoningscontinuïteit. Contributions à l’étude de la continuité de l’habitat. Acta Archaeologica Lovaniensia, 33: 67-87.
Verbrugge A., De Doncker G., Cherretté B., De Clercq W. & Deschieter J. 2008. Een inheems-Romeins landelijke nederzetting aan de Posthoornstraat in Machelen (gem. Zulte, prov. Oost-Vlaanderen). In: De Clercq W., Demeter S., Guillaume A., Massart C., Paridaens N. & Van Bellingen S. (Eds.). Romeinendag-Journée d'Archéologie Romaine, 19-04-2008. Brussel: 139-140.
Vermeulen F. 1983. Ontdekking van een grote nederzetting met begraafplaats uit de Romeinse tijd op het voormalige vliegveld van Sint-denijs-Westrem. Heemkring Scheldeveld Jaarboek 16: 19-35.
Vermeulen F. 1986a. De Romeinse nederzetting en begraafplaats in Asper (Gavere). De Leiegouw XXVII, 3-4: 483-490.
Vermeulen F. 1986b. The Roman settlement and cemetery at Asper. Scholae Archaeologicae, 5, Gent.
Vermeulen F. 1987/1988. De Romeinse bewoning in het Zuiden van Zandig Vlaanderen. Doctoraatsthesis Universiteit Gent. Gent.
Vermeulen F. 1989. Kelten, Romeinen en Germanen tussen Leie en Schelde. Archeologische vondsten in Sint-Martens-Latem en in het zuiden van de Vlaamse Zandstreek. Scholae Archaeologicae, 10, Gent.
Vermeulen F. 1992. Tussen Leie en Schelde. Archeologische inventarisatie en studie van de Romeinse bewoning in het zuiden van de Vlaamse Zandstreek. Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone reeks, 1, Gent.
Vermeulen F. 1993. De Gallo-Romeinse nederzetting te Sint-Denijs-Westrem (gem. Gent, prov. Oost-Vlaanderen). In: Bourgeois J. (Ed.). Archeologisch Jaarboek Gent, 1992, Gent: 187-303.
Vermeulen F. 2001. Field control and excavations. In: Vermeulen F. & Antrop M. (Eds.). Ancient Lines in the Landscape. A Geo-Archaeological Study of Protohistoric and Roman Roads and Field Systems in Northwestern Gaul. Babesh - Supplement, 7, Leuven: 67-74.
Vermeulen F. & Bourgeois J. 1988. Evergem (O.-Vl.): Romeinse en middeleeuwse bewoningssporen. Archeologie 1988, 2: 147.
Vermeulen F., Hageman B., Van Roeyen J.-P. & Peters M. 1998. Romeinse rurale nederzettingsstructuren in Sint-Gillis-Waas. Romeinendag, 1 april 1998. Brussel: 10-12.
Verwers G.J. 1972. Das Kamps Veld in Haps in Neolithikum, Bronzezeit und Eisenzeit. Analecta Praehistorica Leidensia, V, Leiden.
Vos W.K. 2002. De inheems-Romeinse huisplattegronden van De Horden te Wijk bij Duurstede. Rapportage Archeologische Monumentenzorg, 96. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.
Wesemael E. 2006. Veldwezelt (Lanaken): vondsten uit het midden paleolithicum; de Ijzertijd en de Romeinse periode. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (Eds.). Archeologische kroniek van Limburg 2001. Limburg - Het Oude Land van Loon, 85, 3: 60-63.
Wesselingh D. 2000. Native Neighbours. Local settlement system and social structure in the Roman Period at Oss (The Netherlands). Analecta Praehistorica Leidensia, 32.
Willems J. 1983. Romans and Batavians: regional developments at the Imperial Frontier. In: Brandt R. & Slofstra J. (Eds.). Roman and native in the Low Countries. Spheres of interaction. BAR International Series, 184, Oxford: 105-128.
Willems J. 1996. Opgraving Wijnegem Vuurkruiserslaan. Jaarboek AVRA 1996. Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie: 84-87.
Zimmerman H. 1999. Why was cattle-stalling introduced in prehistory? The significance of byre and stable and of outwintering. In: Fabech C. & Ringtved J. (Eds.). Settlement and Landscape. Proceedings of a conference in Arhus, Denmark, May 4-7 1998. Jutland Archaeological Society, Copenhagen: 301-318.
Zimmerman W.H. 1992. Die Siedlungen des 1. bis 6. Jahrhunderts nach Christus von Flögeln-Eekhöltjen, Niedersachsen: Die Bauformen und ihre Funktionen. Probleme der Küstenforschung im Südlichen Nordseegebiet, Band 19. Verlag August Lax, Hildesheim.
In vergelijking met de periode daarvoor is over het omgaan met de doden in de Romeinse tijd in Vlaanderen heel wat meer bekend. Hoewel al meer dan 40 jaar oud vormt het overzicht dat in 1967 door A. Van Doorselaer gepubliceerd werd nog steeds de basis voor de studie van de begrafenisrituelen in onze gewesten. (Van Doorselaer 1967) Samen met het enige jaren daarvoor uitgegeven systematisch repertorium van de Romeinse begraafplaatsen in Noord-Gallië (Van Doorselaer 1964) vormde het pionierswerk van Van Doorselaer een mijlpaal voor onze kennis van hoe in die periode tegen de dood werd aangekeken in deze uithoek van het imperium. De door hem gehanteerde terminologie en typologie van de verscheidene graftypen - hoewel niet gespaard van enige kritiek (Nierhaus 1969) - zou immers de volgende decennia toonaangevend worden bij de bespreking van Gallo-Romeinse grafstructuren, niet enkel in Vlaanderen. Zeker wat de verschillende soorten crematiegraven betreft, zorgde de studie voor nieuwe inzichten, onder meer rond het fenomeen van de zgn. brandrestengraven dat tot dan toe nauwelijks in de verf was gezet. (Van Doorselaer 1969)
Zoals elke inventaris was ook de door Van Doorselaer opgemaakte lijst van graven en begraafplaatsen vatbaar voor kritiek. Heel wat vondsten betroffen immers oude waarnemingen of meldingen in de literatuur die nauwelijks nog na te trekken waren. Bijzondere vondsten – zoals de talrijke, al dan niet vermeende tumuli – werden steevast opgenomen in de inventaris. Van de circa 300 voor Vlaanderen opgemaakte nota’s had zowat de helft betrekking op dergelijke complexen. Heel wat minder tot de verbeelding sprekende contexten zoals een aantal vondsten uit de Belgische kustvlakte werden dan weer niet weerhouden; het betrof nochtans vondsten waarvan later zou blijken dat ze met een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig waren uit grafcomplexen. (Thoen 1978, 79) Daarenboven was toen het aantal systematisch (dat is op een wetenschappelijke verantwoorde manier) onderzochte grafcontexten in onze gewesten relatief beperkt waardoor voor heel wat gevallen nauwelijks info beschikbaar was over de gehanteerde rituelen en zelden kon uitgemaakt worden in welke mate het waargenomen en/of geregistreerde ook daadwerkelijk representatief was voor het geheel. Het ontbrak tenslotte aan een meer holistische aanpak waarbij het fenomeen van het begrafenisritueel werd geplaatst in de denkwereld van de mensen die toen deze uithoek van het Imperium bevolkten. Er werd te zeer nadruk gelegd op wat aan de bodem was toevertrouwd (het graf) en onvoldoende rekening gehouden met de handelingen vóór, tijdens en na de eigenlijke ter aarde bestelling die integraal deel uitmaakten van het begrafenisritueel.
Amper twee jaar na het verschijnen van het opus magnum van Van Doorselaer publiceerde P. Ucko een bijdrage over het belang om bij de studie van grafcontexten ook oog te hebben voor de etnografische parallellen. (Ucko 1969) Dit had nauwelijks invloed op de studie van de begrafenisrituelen in het Imperium Romanum. In 1971 verscheen een overzichtswerk betreffende het begrafenisritueel bij de Romeinen, een studie die de ambitie had het probleem te benaderen van Rome tot Pompeii en van Brittannia tot Jeruzalem. (Toynbee 1971) Hierin werd evenwel nagenoeg uitsluitend de nadruk gelegd op de monumentale aspecten, zowel bovengronds als ondergronds (grafkelders); uit onze gebieden kwamen uitsluitend de tumuli aan bod. Iets meer toepasselijk voor onze gewesten was het congres dat in 1974 plaatsvond aan het Institute of Archaeology te London en waarvan de resultaten op relatief korte tijd gepubliceerd werden (Reece 1977). Enkele jaren later werd door T. Bechert een poging ondernomen om de stand van zaken met betrekking tot de lijkverbranding te actualiseren en een aangepaste typologie naar voren te schuiven. (Bechert 1980) Meer dan tien jaar na het verschijnen van het artikel van Ucko kwam toen toch enige aandacht voor het antropologisch onderzoek van begrafenisrituelen bij andere culturen, zeker wat de crematie betrof. (Wahl & Wahl 1983 & 1984)
In 1978 wees Willems het Nederlandstalige vakgebied op een aantal nieuwe onderzoeksvragen en –strategieën die men in het kader van de New Archaeology in de Angelsaksische wereld had ontwikkeld. (Willems 1978) Deze nieuwe inzichten vormden ook de kern van een bundel verschenen in de reeks New Directions in Archaeology bij de CUP. (Chapmann, Kinnes & Randsborg 1981) Enkele van deze nieuwe inzichten probeerde J. Capenbergs in 1986 aan de Vlaamse dataset te toetsen, maar jammer genoeg kende dit lovenswaardige initiatief geen navolging. (Capenbergs 1986) De studie van de Romeinse begrafenisrituelen in Vlaanderen bleef op een laag pitje. Van bepaalde types graven in specifieke regio’s werd in het kader van licentiaatsverhandelingen soms wel een status quaestionis opgemaakt: de tumuli in het gebied van de Tungri (Annaert 1982), de begraafplaatsen uit de Romeinse tijd in Vlaams Brabant (Niclaes 1988), de brandrestengraven in de Scheldevallei (Vanhaecke 1996) of de Gallo-Romeinse graven van Oost-en West-Vlaanderen onderzocht vanaf 1960. (Bonnaerens 1998) Van recentere datum is een overzicht van het grafveldonderzoek in de civitas Tungrorum. (Claes 2006)
Ondertussen ging in het buitenland heel wat meer aandacht naar de grafveldenproblematiek die het centrale thema vormde voor een aantal congressen. De later uitgebrachte congresbundels (Vidal 1991) (Ferdiere 1993) (Struck 1993) (Millet, Pearce & Struck 2000) (Heinzelmann, Ortalli, Fasold & Witteyer 2001) vormden een niet onbelangrijke aanvulling en nuancering van het door A.Van Doorselaer geschetste beeld. Hierbij werd meer aandacht besteed aan het ganse proces van het begrafenisritueel dan louter aan de materiële resten in de bodem.
De relatief geringe interesse voor het grafveldenonderzoek in Vlaanderen had ook te maken met een verschuiving van de archeologische belangstelling naar het nederzettingsonderzoek dat tot dan toe aan een zekere anemie had geleden. Opgravingen van grote en rijke grafvelden bleven schaars en de indruk bestond, dat enkele uitzonderingen zoals het militaire grafveld van Oudenburg (Mertens & Van Impe 1971) niet te na gesproken, er weinig nieuws te rapen viel uit bijkomende opgravingen. Zeker bij de brandgraven lag de nadruk vooral op de grafgiften die met de dode werden meegegeven en niet op de eigenlijke overledene. Bepalend was immers het gegeven dat de menselijke resten door de veralgemening van het crematieritueel vaak herleid waren tot niet meer dan een hoopje gecalcineerd been. In het beste geval levert een crematie onder normale omstandigheden zowat anderhalve tot 2,5 kg verbrand bot op. (Smit 2006,11) Als deze resten niet zorgvuldig uit de brandstapelresten zijn gerecupereerd en niet als één blok – bijvoorbeeld in een urne – aan de bodem zijn toevertrouwd ligt de kans van bewaring, zeker in de Vlaamse zand- en leemgronden, relatief laag. Indien al recupereerbaar werden de meeste crematieresten daarenboven handmatig ingezameld; het systematisch zeven van volledige brandgrafcontexten is een relatief recent verschijnsel in de Vlaamse archeologie. In het beste geval beschikte men over een beperkte hoeveelheid verbrand bot dat maar heel occasioneel het onderwerp vormde van enig osteologisch onderzoek, vaak door steeds dezelfde man, P. Janssens. Voor een situering van zijn oeuvre verwijzen we de lezer naar de bevindingen van M. Van den Bruaene in deze onderzoeksbalans. Nochtans publiceerde J. Wahl al in 1982 een vrij omstandig overzicht met betrekking tot de mogelijkheden van fysisch antropologisch onderzoek van verbrand bot uit brandgraven. (Wahl 1982)
Doorgaans mag gezegd worden dat in de Romeinse tijd de doden werden bijgezet op specifiek daarvoor voorziene plaatsen, de necropolen. Volgens de wet moesten deze begraafplaatsen gelegen zijn buiten de nederzetting en een duidelijke begrenzing vertonen met muren of grachten. Dit had alles te maken met de angst voor de zielen van de overledenen. Het kon hierbij gaan om vaste plaatsen in het landschap met enkele tot verscheidene duizenden bijzettingen, vooral crematies maar ook in mindere mate - en vooral in de laat-Romeinse tijd - inhumaties.
De jongste jaren is evenwel – door de schaalvergroting van het onderzoek - vastgesteld dat sommige doden ook schijnbaar volkomen geïsoleerd in het landschap werden bijgezet. Als voorbeeld vermelden we hier er een aantal die bij verschillende vlakdekkende opgravingen aan het licht zijn gekomen zoals langs de Reepstraat te Sint-Gillis-Waas. (Vermeulen & Bourgeois 2000, 153-154) (Hollevoet & Van Roeyen 1995, 427) Ook te Gullegem Moorsele (gemeente Wevelgem) lagen een tiental brandrestengraven geïsoleerd of in kleine clusters zeer ver uiteen zonder dat duidelijke nederzettingssporen in kaart werden gebracht (Eggermont e.a. 2006, 8-9). Bij toevalsvondsten gedaan bij werken is het niet altijd mogelijk te achterhalen in welke mate een aangesneden graf daadwerkelijk geïsoleerd voorkomt dan wel deel uitmaakt van een groter geheel. Het brandrestengraf dat te Moerkerke (gemeente Damme) werd aangesneden in het tracé van een aardgasleiding kan aansluiten bij een groter geheel gelegen buiten het tracé (I(n) ’t V(en) & H(ollevoet) 2005). Vergelijkbare situaties met schijnbaar geïsoleerde brandgraven zijn onder meer bekend uit Maldegem – Burkel (Crombé e.a. 2005, 105), Oudenaarde Welden (Bauters, Demulder & Jamée 1996), Vrasene – Schuilhoek (gem. Beveren) (Van Roeyen & Van Hove 1995, 449), Merelbeke (De Clercq 2001), Zomergem (Crombé 1996) of nabij de Bakvoordebeek te Torhout. 1
Daarenboven kunnen soms ook enkele graven samen worden aangetroffen zonder enige associatie met wat dan ook voor bewoning zoals onder meer te Aalter (Hoorne e.a. 2006, 167-168) of te Astene. (gem. Deinze) (Thoen & De Vos 1980) (Bauters, Thoen & Van Bellingen 1996) Bij dergelijke graven wordt dan wel eens gesproken over zgn. veldgraven (De Clercq 2000, 42) maar enkel in die gevallen waarbij aangrenzende uitgestrekte gebieden vlakdekkend zijn onderzocht, kan het gebruik van deze term overwogen worden. Anders is het gesteld wanneer de onderzochte oppervlaktes waarin de grafstructuren voorkomen, beperkt bleven tot zoeksleuven of wegtracés zoals te Melle – ’t Lammeke (De Clercq 2001) of te Zomergem – Mispelare. (Cheretté e.a. 2006)
Of een aantal schijnbaar geïsoleerd aangetroffen Romeinse graven in de historische stadskernen deel uitmaakten van grotere gehelen valt moeilijk te achterhalen. We denken hier onder meer aan het graf dat in de Antwerpse stadskern aan het licht kwam bij de opgraving van het grafveld van het augustijnse Allerheiligenklooster (Bellens, Vandenbruaene & Ervynck 2007); hier hebben latere begravingen wellicht alle sporen van andere Romeinse bijzettingen doen verdwijnen. Ook in Aalst werd bij de bouw van het nieuwe stadsarchief in het historische centrum één enkel brandgraf aangesneden waarvan niet kon uitgemaakt worden of het deel had uitgemaakt van een groter geheel. (Callebaut e.a. 1994, 16-17) In de Gentse binnenstad zijn dan weer op 3 verschillende plaatsen Romeins graven of grafvondsten bekend, namelijk op het Atletiekplein (Vandenhoute & Thoen 1976), in de Pekelharing (Raveschoot 1979) en op de Botermarkt (Lallleman, Stoops & Thoen 1997); deze drie vindplaatsen liggen dermate uit elkaar dat ze moeilijk tot één en hetzelfde grafveld kunnen gerekend worden.
Van veel van deze vindplaatsen is daarenboven überhaupt niet bekend met wat voor type nederzetting ze in verband te brengen zijn. Gaat het om de graven van een Einzelhof, een kleine dorpgemeenschap of een vicus, een grotere agglomeratie? Schijnbaar geïsoleerde graven met een duidelijk rijke grafinhoud worden in de leemstreek niet zelden geassocieerd met tumuli waarvan dan weer wordt aangenomen dat ze verband houden met de villae. (Amand 1986, 24)
Weinig is bekend over de ligging van de grafvelden ten opzichte van de nederzettingen. Voor heel wat grafvondsten is helemaal niet duidelijk waar de nederzetting moet gezocht worden en bij talrijke nederzettingssites beschikken we over onvoldoende gegevens om de locatie van de begraafplaatsen te achterhalen. Het aantal sites waar beide elementen – grafveld en nederzetting – en hun onderlinge samenhang goed gedocumenteerd zijn, is relatief gering. Het enige dat met zekerheid kan gezegd worden, is dat ze zich meestal bevinden buiten de eigenlijke woonkern aan de rand van de nederzetting. Te Sint-Denijs-Westrem (gemeente Gent) zijn wel enkele brandgraven bekend middenin het bewoningsareaal, maar het gros van de graven situeerde zich echter ten westen en enkele ook ten noorden van de onderzochte nederzettingssporen. (Vermeulen 1993, 249) Ook te Knesselare - Kouter zijn een paar brandgraven aangetroffen vlakbij nederzettingsstructuren maar daar kan niet helemaal uitgesloten worden dat de twee elementen uit verschillende periodes dateren en niets wezenlijks met elkaar te maken hebben. (De Clercq, Hoorne & Vanhee 2006, 173) Er kan soms getwijfeld worden aan de directe associaties die meer dan eens gemaakt worden tussen een nederzetting en de grafcontexten die in de wijde omgeving bekend zijn zoals bijvoorbeeld te Eke – Molen. (gem. Nazareth) (Roosens 1968) (Vermeulen 1992, 94-95) Bij de vondsten onder de dienstwegte Beernem is men op dat vlak wel iets voorzichtiger gebleven. (Hollevoet 2006, 20)
Te Oudenburg was het 2de/3de-eeuwse grafveld, dat in het begin van de jaren 1990 onderzocht werd, gelegen ten zuiden van de bewoningskern. (Hollevoet 1993, 213) Eenzelfde vaststelling kan gedaan worden bij de Romeinse site van Destelbergen – Eenbeekeinde waar beide elementen van elkaar gescheiden waren door een microdepressie. (De Vos 2004, 18) Bij de landelijke nederzetting van de Refuge te Sint-Andries (gem. Brugge) bevond een kleine concentratie graven zich in de zuidoostelijke periferie van het nederzettingsareaal. (Holllevoet & Hillewaert 1997/1998, 199) Te Waasmunster - Pontrave werd bij de onderzochte delen van de vicus ten slotte vastgesteld dat grafveld en nederzetting gelegen waren langs beide zijden van een aarden wegtracé; de bewoning ten westen, de begravingen ten oosten ervan. (Van Hove 1996, 69) Het in het begin van deze eeuw onderzochte grafveld van de vicus van Tienen situeerde zich ten zuidoosten van de kern ervan. Er bij aansluitend was een uitgestrekte zone met heel wat complexen die afwijken van wat doorgaans in een gewone nederzetting wordt aangetroffen; een mithraum (Martens 2004a) (Martens 2004b), een zone met duidelijk rituele deposities en een min of meer vierkante omgrachte zone. (Martens e.a. 2002)
Zeker is dat sommige grafvelden zeer uitgestrekt waren. Best gekend zijn uiteraard de Tongerse voorbeelden die zich buiten de stadsmuren bevonden, langs de grote invalswegen en meerdere tientallen hectaren groot waren; hiervan is enkel de zuidwestelijke necropool op enige systematische wijze en op relatief grote schaal in het verleden onderzocht (Vanvynckenroye 1963) (Vanvynckenroye 1984) terwijl recenter onderzoek in deze sector een welkome aanvulling vormt voor onze kennis van deze Tongerse begraafplaats. (Vanderhoeven & Vynckier 2003) (Vynckier & Vanderhoeven 1999) Het noordoostelijke grafveld werd in het verleden grotendeels overbouwd; maar sporadisch levert deze necropool bij nieuwbouwwerken nog informatie op zoals bijvoorbeeld een rijk, laat-Romeinse inhumatiegraf dat in 2002 in de Darenbergstraat werd aangetroffen (Vanderhoeven & Vynckier 2003) (Vanderhoeven & Vynckier 2006) of het iets grootschaliger onderzoek aan de Jaminéstraat waar mogelijk Christenen begraven waren. (Vanvynckenroye 1983) (Vanderhoeven e.a. 1995/1996) Het onderzochte deel van een grafveld van de vicus Tienen strekte zich uit over meer dan 3 ha hectaren; het was van de nederzettingszone gescheiden door een dubbele gracht en langs de zuidzijde fungeerde een weg geflankeerd door drainagegreppels als begrenzing. 2 Ook te Oudenburg bedroeg de totale oppervlakte van het onderzochte deel van het 2de/3de-eeuwse grafveld verscheidene hectaren. (Hollevoet 1993, 207-208) Zelfs voor meer landelijke nederzettingen zijn dergelijke afmetingen niet onbekend. Aan Eenbeekeinde te Destelbergen werden graven aangetroffen over een zone van 100 bij 265 m, aan beide zijden van een aarden weg begrensd door ondiepe greppels (De Vos 2004, 18). Op het vroegere vliegveld van Sint-Denijs-Westrem (gemeente Gent) ten slotte strekte de grootste concentratie graven zich uit over een oppervlak van circa 1 ha, maar er werden nog graven aangetroffen op verscheidene honderden meter ten noordoosten van de kernzone; deze zone was kennelijk niet afgescheiden door een gracht en bevond zich langs een toegangsweg ten westen van de onderzochte nederzettingssporen.(Vermeulen 1993, Fig. 5 & 248-249)
Indien verder afgelegen van de bewoning kunnen grafveldjes en schijnbaar volkomen geïsoleerd voorkomende graven gerekend worden tot de zgn. off site-fenomenen. Dit is onder meer het geval bij het recente onderzoek te Menen waar de graven nogal verspreid werden aangetroffen rond de nederzettingsstructuren, soms in kleine concentraties van enkele graven elders dan weer geïsoleerd tussen de percelering (Dhaeze & Verbrugge 2007, 93-94). Ook te Evergem-Kluizendok liggen de graven tussen de verschillende bewoningskernen in, soms langs een aarden weg (Laloo e.a. 2008, 82). Tumuli van hun kant bevonden zich doorgaans in de directe omgeving van belangrijke verkeersassen. (Amand 1986,12)
Niet onbekend zijn Romeinse grafveldjes gelegen vlakbij oudere monumentale structuren zoals grafheuvels of andere monumenten uit brons- en/of ijzertijd. Te Ursel - Rozestraat (gem. Knesselare) zijn in de directe omgeving van verschillende monumentale constructies uit de metaaltijden een 70-tal brandgraven ontdekt uit de 1ste eeuw v.Chr. en de 1ste eeuw n. Chr.: de oudste waren eenvoudige kleine kuiltjes met brandstapelresten en grafgiften terwijl de grotere kuilen sporen van nissen vertoonden waarin de grafgiften waren bijgezet. (Bourgeois e.a. 1989) (Vermeulen & Bourgeois 2000, 155-157) De brandgraven vertonen geen sporen van enige monumentale inrichting wat daarentegen wel het geval is voor het vroege grafveldje van Wijshagen – Plokrooi (gem. Meeuwen-Gruitrode) in Limburg. Daar was het oudste spoor blijkbaar een grote rechthoekige structuur waarnaast zich een aantal vierkante monumentjes (sommige met paalzettingen van mogelijke dodenhuisjes) en de resten van een kleine kringgreppel clusterden, al dan niet in associatie met kleine onregelmatige brandgraven; het geheel hoort thuis in de late ijzertijd of het begin van de Romeinse aanwezigheid in onze gewesten. (Creemers & Van Impe 1992)
Twee vindplaatsen langs de Zandstraat te Sint-Andries (gem. Brugge) leverden sporen op van Romeinse brandgraven in associatie met bronstijdgrafheuvelrestanten (Cordemans & Hillewaert 2001) (Hillewaert & Hoorne 2006, 108). Bij een andere vindplaats van Romeinse crematiegraven, in de Oostkampse deelgemeente Waardamme, waren de bronstijdgrafheuvels ingeplant op de plaats van een veel ouder, neolithisch huis en opgevolgd door bewoning in de late ijzertijd (Demeyere, Dewilde & De Clercq 2005, 21-25). Andere voorbeelden uit Zandig Vlaanderen van Romeinse grafvelden bij bronstijdgrafheuvels zijn gekend te Evergem - Ralingen, Sint-Denijs-Westrem (gem. Gent), Sint-Gillis-Waas - Reepstraat, Temse - Veldmolenhoek en Gent - Hogeweg (Vermeulen & Bourgeois 2000, tabellen 15.1 & 15.2). Nieuwe sites kwamen de laatste jaren ook aan het licht voorafgaand aan de bouw van een RWZI-station te Bachte-Maria-Leerne (gem. Deinze) (De Clercq 2000, 142), Wontergem (Bauters, De Clercq & Mestdagh 1998, 109) en Kruikbeke – Hogen Akkerhoek (Van Vaerenbergh, Van Roeyen & Van Hove 2007, 414) Ook buiten de civitas Menapiorum is het fenomeen niet onbekend, meer bepaald te Edegem-Buizegem (Vandevelde e.a. 2007, 28-32) en te Weelde – Schootseweg. (Annaert 1998)
Of in de Romeinse tijd mag gedacht worden aan bijzondere plekken in het landschap - zgn. liminale plaatsen - die konden uitgroeien tot uitgestrekte begraafplaatsen van verschillende nederzettingen zoals bijvoorbeeld bepaalde Angelsaksische grafvelden van zuidoost-Engeland (Sancton, Spong Hill of Lovenden Hill) en die als centrale plaatsen fungeerden van ganse gemeenschappen (Williams 2002) (Willams 2004), is niet bekend.
Ook over het uitzicht en de interne organisaties van de begraafplaatsen is bijzonder weinig bekend. Dat het merendeel van de individuele graven op een of andere manier wel aan het oppervlak gemarkeerd was, wordt vrij algemeen aanvaard. Het aantal oversnijdingen in de meeste grafvelden is immers gering hoewel ook hier soms uitzonderingen kunnen vermeld worden; zo wordt een cluster brandgraven te Waasmunster-Pontrave net gekenmerkt door een groot aantal oversnijdingen. (Van Hove 1996, 73) Anderzijds is dit grafveldje dan weer het enige in Vlaanderen waar duidelijke resten gevonden zijn van bovengrondse grafmonumenten vergelijkbaar met sommige pijlers bekend uit het Rijnland; het gaat meer bepaald om de eigenlijke funderingresten, waarin een kleine ruimte was uitgespaard. (Van Hove 1996, 76-78) Sporen van de bovenbouw ontbreken maar fragmenten van kleinere voorbeelden zijn wel gekend uit de zuidwestelijke begraafplaats van Tongeren (Vanvinckenroye 1984, 213). Dergelijke monumentale constructies zullen wel een minderheid vertegenwoordigd hebben als markering van een graf boven de grond. In de zuidelijke begraafplaats van Oudenburg zijn er aanwijzingen dat op een deel van de graven mogelijk een boom werd geplant (Hollevoet 1993, 210). Doorgaans wordt evenwel gedacht aan kleine houten of stenen stèles, hoopjes aarde of stenen en ronde of vierhoekige greppelstructuren; deze laatste zijn onder meer bekend in het noordelijke deel van de civitas Menapiorum en het aangrenzende deel van de civitas Tungrorurum.
Groepjes vroeg-Romeinse grafmonumentjes kwamen aan het licht in de Antwerpse Kempen. We kennen ze uit tenminste twee Poppelse vindplaatsen, onderzocht bij ruilverkavelingswerken. Een eerste grafveldje, dat van Weelde - Schootseweg, omvatte een 32-tal monumenten - zowel hoekig als cirkelvormig - ingeplant op de locatie van een oudere bronstijdgrafheuvel; de meeste grafmonumenten vertoonden een onderbreking maar paalzettingen en sporen van eventuele vlakgraven ontbraken. (Annaert 1998) Bij het tweede, mogelijk iets oudere grafveldje te Klein Ravels overheersten de min of meer vierhoekige monumentjes, vaak met onderbreking en in twee gevallen voorzien van een palenzetting, de ene binnen het monumentje, de andere erbuiten; één van de ronde greppelstructuren was eveneens onderbroken en voorzien van een vierkante palenzetting binnenin. (Verhaert e.a. 2001-2002)
Meer westelijk komen grafmonumentjes niet voor in clusters. De grafvelden leveren er telkens wel enkele op maar het gros der graven vertoont geen sporen van enige monumentaliteit. Opmerkelijk is dat de meeste aangetroffen zijn in het noordelijk gedeelte van de civitas Menapiorum; in het Leie-Schelde gebied ontbreken ze vooralsnog. Problematisch is wel dat het herkennen van dergelijke randstructuren geen evidentie is bij toevalsvondsten of wanneer maar beperkte oppervlaktes onderzocht werden. Dat verklaart misschien waarom ze enerzijds vooralsnog meer zuidwaarts of in de civitas Nerviorum niet als dusdanig zijn herkend. Anderzijds moet wel opgemerkt worden dat ze ook ontbreken in die gevallen waar relatief grote oppervlakken min of meer vlakdekkend zijn onderzocht; we denken hier in de eerste plaats aan de uitgestrekte grafvelden van Sint-Denijs-Westrem (gemeente Gent) en Destelbergen, terwijl op deze laatste locatie het fenomeen wel bekend is voor het urnenveld uit de late bronstijd/vroege ijzertijd. (De Laet, Thoen & Bourgeois 1986, 72-78) Te Eke (gemeente Nazareth) is nabij de Biestebeek wel de aanzet van een mogelijk vroeg- of zelfs pre-Romeins vierhoekige grafmonument aangesneden: de structuur lag voor een groot deel buiten het onderzochte areaal maar in de grachtvulling werden, behoudens een weinig handgevormd aardewerk ook enkele verbrande botfragmentjes aangetroffen. (De Clercq & Mortier 2002)
De vierhoekige grafmonumenten kunnen teruggaan tot vergelijkbare structuren uit de late ijzertijd. Te Ursel (gemeente Knesselare) en Kemzeke (gemeente Stekene) zijn grote rechthoekige monumenten uit deze periode gekend; ze leverden ook crematies op. (Bourgeois 1989) Verder is uit Knesselare zelf een min of meer vierkante grachtstructuur (zijde circa 15 m) bekend in associatie met enkele kleine brandgraven; het geheel zou dagtekenen uit het einde van de ijzertijd (Vermeulen & Hageman 1997). Een directe voorloper voor de vierkante Romeinse grafmonumentjes is een vergelijkbare structuur onderzocht, nabij de bronstijdgrafheuvel aan de Hoge Weg te Gent; de vierkante greppel vertoonde een onderbreking aan de zuidkant, sporen van een crematiebijzetting binnen de omgrachte zone en handgevormd – wellicht pre-Romeins - aardewerk in de greppel (Vanmoerkerke e.a. 1985). Vlakbij zijn ook enkele typische Romeinse brandrestengraven onderzocht. (Cypers, Raveschot & Vanmoerkerke 1985)
In tegenstelling tot sommige Nederlandse voorbeelden waar hele grafvelden grotendeels bestaan uit graven met monumentale grafstructuren, zoals bijvoorbeeld Nijmegen-Haatert ( Haalebos 1990) of Tiel Passewaaij (Roymans, Derks & Heeren 2007), komt het fenomeen van de randstructuren in onze gewesten relatief weinig voor. Met uitzondering van de al aangehaalde voorbeelden uit de Antwerpse Kempen gaat het steeds om maximaal enkele exemplaren per grafveld. Al dan niet regelmatige vierhoekige configuraties (vierkanten zowel als rechthoeken) zijn bekend uit Oudenburg (Hollevoet 1993), Jabbeke (ongepubliceerd, info B. Hillewaert), verschillende sites langs de Zandstraat te Sint-Andries (gemeente Brugge) (Hillewaert & Hollevoet 2006, 125-126) (Hollevoet & Hillewaert 1997/1998, 199) (Cordemans & Hilllewaert 2001), Ursel – ’t Konijntje (gemeente Knesselare) (Bungeneers e.a. 1987, 21-22), Maldegem – Kleit (De Clercq e.a. 2007) en Oostwinkel – Leishout (gemeente Zomergem) (De Clercq 2005, 136-139); al deze configuraties bevatten brandrestengraven en doorgaans is er sprake van een onderbreking van de greppelstructuur aan de zuidzijde. Opmerkelijk is een ononderbroken ronde structuur uit Oudenburg (Hollevoet 1993, 210). Ook te Knesselare is een rond grafmonumentje aan het licht gekomen dat echter mogelijk ouder is (Hoorne e.a. 2006, 167). Verder zijn enkele schaarse grafmonumentjes – zowel ronde als vierhoekige - bekend uit de zuidwestelijke begraafplaats van Tongeren; geen enkele vertoont evenwel sporen van een onderbreking (Vanvinckenroye 1984, 236). In de necropool van het Grijpenveld te Tienen waren twee kringgreppelsporen zwaar aangetast en behoort een vierkant grafmonumentje tot de jongste graven van de begraafplaats; het bevond zich duidelijk buiten het eigenlijke grafveld (info Martens, ongepubliceerd). Ten slotte valt nog een min of meer vierkant greppeltje te vermelden in het grafveldje dat aangetroffen werd naast de tumulus van Berlingen (gemeente Wellen) (Roosens & Lux 1973, 51); evenals de al aangehaalde vierkante greppelstructuren van Wijshagen - Plokrooi (gemeente Meeuwen-Gruitrode) is deze wellicht ouder dan de tumulus.
Soms treft men in associatie met greppelstructuren ook zgn. palenzettingen aan. Doorgaans gaat het dan om kleine vierpostenconfiguraties rond individuele graven; ze worden vaak als dodenhuisje geïnterpreteerd. Opmerkelijker zijn de paalzettingen op twee vindplaatsen langs de Zandstraat te Sint-Andries. (gemeente Brugge) Op de site langs de Expressweg was er niet enkel sprake van een mogelijk dodenhuisje maar ook van en veel grotere rechthoekige structuur van 8 op 6 m; de palen waren op regelmatige afstand van elkaar geplaatst en vermoed wordt dat ze bovenaan met elkaar verbonden werden door langsbalken. (Cordemans & Hillewaert 2001) Op de meer westwaarts gelegen vindplaats van de Kosterijstraat werd dan weer een rechthoekig greppelmonument langs de binnenzijde aangevuld met een palenzetting die de verschillende brandgraven omsloot. (Hillewaert & Hollevoet 2006, 125-126) Te Ursel – Rozestraat (Knesselare) zouden ten slotte de resten zijn aangetroffen van een dodenhuisje met duidelijk afgerond grondplan; in het midden bevond zich een vroeg-Romeins brandrestengraf met nis dat een aantal grachtstructuren uit de metaaltijden oversneed. (Bourgeois e.a. 1989, 36)
Het onderzoek dat W. Vanvinckroye over de zuidwestelijke begraafplaats van Tongeren publiceerde (Vanvinckroye 1984), laat toe enig inzicht te verwerven in een aantal opmerkelijke structuren binnen een meer complex grafveld. Het oudste deel van het grafveld werd begrensd door een kiezelpad en omheiningsstructuren met mogelijke sporen van een uitgewerkte poortconstructie. Later zou deze grens worden opgeheven en zouden ook de terreinen tussen het kiezelpad en de weg naar Bavay worden ingenomen, een zone waar daarvóór gebouwtjes – mogelijke van een statio - hadden gestaan. In deze latere uitbreiding valt de aanwezigheid op van een hoekige greppelconfiguratie die de opgraver als de restanten van een bloemperk identificeert. Verscheidene graven zijn voorzien van randstructuren, een fenomeen dat vooral in meer landelijke contexten bekend is; ze zijn zowel rond als vierhoekig. In één geval lijkt er sprake geweest te zijn van een grafheuvel zonder duidelijke randstructuur; onder het heuvellichaam waren zowel de resten van het eigenlijke graf als van de brandstapel bewaard. Een dergelijk ensemble is dan ook best vergelijkbaar met de monumentale tumuli op het platteland maar waarvan ook voorbeelden bekend zijn uit Koninksem, ten westen van de uitlopers van het hier besproken grafveld.
Ook voor de zuidwestelijke necropool van de vicus van Tienen hebben de vlakdekkende opgravingen belangrijke nieuwe informatie opgeleverd met betrekking tot de algemene inrichting en de interne structuur van een Romeins grafveld; de publicatie van deze belangrijke vindplaats wordt dan ook met spanning verwacht.
De tumuli vormen de meest monumentale uitingen van het Romeinse begrafenisritueel in Vlaanderen. Men treft ze meestal aan op de lemige bodems van Limburg en Brabant maar ook in het zuiden van Oost-Vlaanderen zijn enkele schaarse voorbeelden bekend. Ze zijn al lang het onderwerp geweest van studie en het overgrote deel is dan ook onderzocht toen in de regio nog geen sprake was van enige systematische registratie van vondsten en bevindingen. Zeker bij de oudere opgravingen werd vaak vooral aandacht besteed aan de eigenlijke grafkelder en minder of helemaal niet aan de soms complexe handelingen die met de bijzetting ervan gepaard waren gegaan. Het eerste tumulusgraf dat in Vlaanderen het onderwerp vormde van een min of meer systematisch onderzoek is dat van Tienen in 1951. (Mertens 1952) Kort daarna werd vlak over de grens met Nederland, in het Noord-Brabantse Esch een aantal opmerkelijke tumulusgraven onderzocht (van den Hurk 1973) (van den Hurk 1975) (van den Hurk 1977) (van den Hurk 1980) (van den Hurk 1984). In 1956 werd alle kennis omtrent de tumuli in onze gewesten gebundeld in het doctoraat van M. Amand. Daarna concentreerde het onderzoek in Vlaanderen zich vooral op de opgraving, door G.V. Lux, van een aantal minder goed bewaarde exemplaren in Limburg; de Platte Tomme te Eben-Emael/Kanne (gemeente Bassenge/Riemst) onderzocht in 1967-1968 (Roosens & Lux 1970), de tumulus met bijhorend grafveldje te Gors-Opleeuw (gemeente Borgloon) opgegraven in 1968 (Lux & Roosens 1971), het Tomveld te Berlingen (gemeente Wellen) onderzocht in 1968-1970 (Roosens & Lux 1973), de tumulus te Helshoven-Hoepertingen (gemeente Borgloon) (Roosens & Lux 1974) en de tumulus van Niel-bij-Sint-Truiden (gemeente Gingelom) (Lux 1979). Daarnaast had M. Rogge het materiaal uit de Oost-Vlaamse tumuli van Calmont (gemeente Kluisbergen) terug onder handen genomen (Rogge 1972). Nog in 1977 werden te Overhespen (gemeente Linter), op het Tomveld, de restanten van drie afgevlakte tumuli gelokaliseerd door luchtfotografische prospecties; bij de opgravingen van het KMKG bleek dat ze wellicht al in de Merovingische periode grotendeels geplunderd werden (Mariën 1977). In 1985 ten slotte werd door het Gallo-Romeins museum van Tongeren het onderzoek uitgevoerd van de tumulus van Gutschoven. (gemeente Heers) (Vanvinckenroye 1987)
De verschillende nieuwe opgravingen werden in een ruimere context geplaatst in een licentieverhandeling aan de Universiteit van Leuven (Annaert 1982) en kwamen ook aan bod in een kleine tentoonstelling in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum van Tongeren in 1989; dit ging gepaard met een overzichtspublicatie over de tumuli van de civitas Tungrorum (Amand & Nouwen 1989). De jongste jaren heeft vooral de vondst van een mogelijk tumulusgraf aan de zuidwestelijke rand van de vicus van Tienen de nodige aandacht getrokken (cfr. infra) terwijl ook de nominatie in 2007 van het herwaardingsproject voor de monumentale tumuli van Grimde bij Tienen in de Monumentenstrijd eveneens voor heel wat belangstelling zorgde. De algemene problematiek van beheer en behoud van de tumuli in Vlaanderen vormde het onderwerp van een eindwerk aan de KULeuven door V. Wuyts (Wuyts 2003). Heel wat grafheuvels liggen er in Vlaanderen niet zelden nogal verwaarloosd bij, terwijl ze nochtans wel mogelijkheden bieden voor een toeristisch recreatieve aanpak vergelijkbaar met de vrij imposante reconstructie in het Waalse Antoing - Billemont. Vanuit de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis is ten slotte sedert enkele jaren opnieuw interesse voor de wetenschappelijke analyse van de grafinhouden die zich in hun collecties bevinden. Hierbij wordt rekening gehouden met de meest recente ontwikkelingen in het grafveldonderzoek in het algemeen en de Romeins begrafenisrituelen in het bijzonder. (Massart 1994) (Massart 2001) (Massart 2005)
Terwijl aanvankelijk bij het onderzoek van de tumuli enkel de grafkamers onder de monumenten enige aandacht kregen, is men zich later ook gaan toeleggen op het geheel aan fenomenen dat met een dergelijke begraving gepaard ging. Er werd aandacht besteed aan de totale oppervlakte onder het aarden lichaam en de zone daar rond. Hierdoor werd duidelijk dat hun aanleg gepaard ging met bijzondere rituelen (Roosens 1976). Wel valt op te merken dat het nagenoeg steeds ging om brandgraven. (Roosens 1976, 139) (Amand 1986, 17-21) Enkel te Gutschoven (gemeente Heers) werd onder de tumulus, naast twee Gallo-Romeinse brandgraven, verscheidene mogelijke ijzertijdgraven, een ritueel kuiltje en de restanten van drie crematieplaatsen met brandsporen in situ (ustrina ?) ook een inhumatiegraf aangetroffen, dat volgens de opgraver niet nader te dateren viel. (Vanvynckenroye 1987, 10)
Te Helshoven-onder-Hoepertingen (gemeente Borgloon) zijn niet alleen de resten aangetroffen van het eigenlijke graf maar ook van een tweede grafkuil en een offerkuil met brandstapelresten onder het heuvellichaam; naast de tumulus kwamen de sporen van de eigenlijke brandstapel aan het licht. (Roosens & Lux 1974, 38) Ook te Eben-Emael/Kanne (gemeente Bassenge/Riemst) is er sprake van een (offer)kuil (met paalspoor) naast de eigenlijke houten grafkist. (Roosens & Lux 1970, 12-13) Te Berlingen (gemeente Wellen) werden maar liefst acht rituele kuilen naast de eigenlijke grafkamer opgegraven die wellicht de resten van het dodenmaal bevatten; de tumulus zelf was aangelegd ter hoogte van een oudere necropool met brandgraven onder lage heuveltjes en de site zou na de opwerping nog het toneel geweest zijn van een aantal bijzettingen in eenvoudige brandgraven. (Roosens & Lux 1973, 48) Ook te Niel-bij-Sint-Truiden (gemeente Gingelom) zou er sprake geweest zijn van een mogelijk ouder grafveld; opmerkelijk was hier dat de grafkamer van één van de onderzochte tumuli opgetrokken was in steen en niet in hout zoals bij de meeste van de Limburgse voorbeelden. (Lux 1979, 10-13)
Heel wat tumuli zijn in de loop der tijden geëgaliseerd. Vaak gebeurde dit niet grondig en bleef een lichte verhevenheid zichtbaar in het landschap. In andere gevallen verdween evenwel elk spoor van de oorspronkelijke ophoging. Van dergelijke genivelleerde grafensembles kan dan nooit met absolute zekerheid gezegd worden dat het om tumuli ging. Dan spelen vaak andere criteria mee zoals bijvoorbeeld de rijkdom van de grafcontext. Van een aantal zeer rijke grafensembles is gesuggereerd dat ze wel eens verband zouden kunnen houden met geëgaliseerde tumuli. Dit was onder meer het geval voor een blijkbaar geïsoleerd grafcomplex met rijke grafgiften uit Rosmeer (gemeente Bilzen) (Roosens & Vanderhoeven 1955) en een andere rijke grafinboedel met urnengraf aangetroffen te Grobbendonk. (Mertens 1961) Later zou blijken dat deze laatste vondst echter geen geïsoleerd vondstcomplex betrof maar wel degelijk deel uitmaakte van een klein grafveldje (Janssens 1966). Ook een rijk graf met houten grafkamer te Gors-Opleeuw (gemeente Borgloon) maakte deel uit van een groter geheel. (Lux & Roosens 1971) Van een aantal uitzonderlijke vondsten, zoals bijvoorbeeld de bronzen bustenbalsamarium van Vlijtingen (gemeente Riemst) (Vanvinckenroye 1981), een glazen deksel uit Hasselt (Janssens 1977) of een Romeins bronzen laarsje te Hoeselt (Creemers 2006), werd nogal snel verondersteld dat ze afkomstig zijn van verdwenen tumuli. Te Hoelbeek (gemeente Bilzen) speelde de diepte waarop een aantal vondsten geborgen werd een rol bij de identificatie als mogelijk tumulusgraf. (Lux 1975)
Het meest recente en het best onderzochte tumulusgraf in Vlaanderen is dat aangetroffen in het grafveld van het Grijpenveld te Tienen. (Martens, Debruyne & Van Den Vonder 2005) De opgraving gebeurde conform de recentste onderzoekstechnieken en leverde belangrijke aanvullende informatie op inzake de rituelen die konden plaatsvinden bij dergelijke ceremonies. Nochtans blonk het graf zelf - een grote houten grafkamer - niet echt uit door een rijkdom aan vondsten; een glazen flesje, 2 munten, een bronzen mantelspeld en een terracottabeeldje van Dionysus. Belangwekkend waren veeleer de restanten aangetroffen in de grafkuil op het deksel van de grafkamer; daar lagen de resten van een vrouw, een paard, tenminste 3 honden en tientallen hondenfoetussen samen met een aantal kleinoden in metaal of glas en verscheidene recipiënten in glas en aardewerk. Verder had men bij de verdere opvulling van de grafkuil heel wat brandstapelresten, onverbrand materiaal en een aantal kwartsietblokken aangewend.
De crematie was veruit het meest voorkomende begrafenisritueel in onze gewesten tijdens het grootste deel van de Romeinse tijd. Waar men vroeger uitsluitend oog had voor het uiteindelijke resultaat van de crematie – de eigenlijke resten die in de bodem waren terechtgekomen – is men de jongste jaren ook meer en meer aandacht gaan schenken aan het geheel van het begrafenisritueel in al zijn aspecten: de lijkverbranding, wat er aan voorafging (de opbaring van de dode), wat tijdens de ter aarde bestelling plaatsvond (het dodenmaal) of wat na de effectieve begraving nog kon gebeuren ter nagedachtenis van de overledene.
De voorbije decennia zijn verschillende typologieën samengesteld voor de brandgraven, onder meer door Van Doorselaer (1967; zie evenwel ook de opmerkingen in Nierhaus 1969) en Bechert (1980). Ze vormen doorgaans een goede leidraad bij de analyse van een meerderheid van de crematies, maar vaak komen bij het gedetailleerd onderzoek van nieuwe vindplaatsen praktijken aan het licht die plaatselijk kunnen afwijken van de al bekende types. Dit is onder meer het geval bij een aantal goed bewaarde grafvelden in het Nederlandse Kleiengebied zoals Spijkenisse – Hartel West (Döbken 1992) of Valkenburg – Marktveld. (Smits 2006, 33-69 voor de resultaten van het fysisch antropologisch onderzoek)
In het verleden was het bij gebrek aan duidelijke typologieën niet altijd eenvoudig te achterhalen wat er precies schuilde achter het begrip brandgraf of incineratiegraf. Dat geldt onder meer voor heel wat oude vondsten uit de inventaris van Van Doorselaer (Van Doorselaer 1964) maar ook na het verschijnen van de synthese (Van Doorselaer 1967) was het blijkbaar niet altijd even vanzelfsprekend de aangesneden sporen bij een bepaald type thuis te brengen. Zo is onduidelijk wat Vierin bijvoorbeeld bedoelde met een aantal brandgraven, crematiegraven of incineratiegraven – waaronder verscheidene gedateerd in de ijzertijd op basis van een gebrek aan vondsten - aangetroffen te Avelgem, Bavikhove (gemeente Harelbeke), Bissegem (gemeente Kortrijk), Deerlijk, Gullegem (gemeente Wevelgem), Harelbeke, Izegem , Kortrijk, Marke (gemeente Kortrijk) en Moen (gemeente Zwevegem) (Vierin 1987). Nog te Harelbeke moest een aantal door P. Despriet onderkende brandgraven (Despriet 1967, 66) volgens H. Thoen veeleer als afvalkuilen geïnterpreteerd worden. (Thoen 1969, 17) Verondersteld mag worden dat vanaf de publicatie van het overzichtsartikel van Van Doorselaer over de brandrestengraven in de Scheldevallei (Van Doorselaer1969) de als dusdanig bestempelde vondsten in de latere publicaties ook effectief als brandrestengraf kunnen geïnterpreteerd worden, althans die welke aangetroffen werden in het westelijk deel van Vlaanderen. (Rogge & De Cock 1986 en Van Doorselaer 1998) Een voorbeeld uit Ruiselede illustreert evenwel dat dit niet altijd het geval is. (Vermeulen 1986) Verder blijkt uit een recente vondst te Kortemark dat sommige structuren met veel houtskool pas na zorgvuldig zeven van de inhoud als brandrestengraven worden herkend. (Dewilde & Wyffels 2003)
Bij de in Vlaanderen onderkende crematies kan een eerste onderscheid gemaakt worden tussen een brandgraf, waarbij de verbranding plaatsvond op een - meestal herbruikbare - centrale brandstapel, een ustrinum, en een zgn. bustum. (Capenbergs 1986, 209) Bij een bustum bevond de brandstapel zich onmiddellijk boven de grafkuil. Tijdens het branden stortte de stapel in de kuil; de grafkuil wordt dan ook steeds gekenmerkt door rood geblakerde wanden want het vuur bleef zeker nog een tijd branden en nasmeulen. Pas wanneer het geheel voldoende was afgekoeld kon het gecremeerd bot ingezameld worden of eventuele grafgiften in de kuil worden geplaatst. Busta zijn vrij zeldzaam in onze gewesten en in het verleden zijn ze mogelijk vaak niet als dusdanig herkend. Meestal gaat het maar om maximum enkele exemplaren per grafveld; drie te Menen (Dhaeze & Verbruggen 2008, 94-95), mogelijk één graf te Destelbergen-Eenbeekeinde (De Vos 2004, 20) of een drietal in een grafveldje van twaalf brandgraven in de ruilverkaveling Balegem (Vancauwenberghe & Rogge s.d.) Ze zijn ook schaars in de grotere grafvelden; verscheidene exemplaren in de zuidwestelijke begraafplaats van Tongeren (Vanvinckenroye 1963, 127) (Vanvynckenroye 1984, 224) (Vynckier & Vanderhoeven 1999) en enkele voorbeelden op het Grijpenveld te Tienen. 3
De meeste doden werden op gemeenschappelijke brandstapels gecremeerd. Ze onderscheiden zich van de busta door hun afmetingen. Min of meer permanente en monumentale brandstapelconstructies zoals deze aangetroffen in Oostenrijk of Duitsland (Polfer 2000, 31-32) zijn in onze gewesten niet bekend. Hier had het ustrinum veeleer een tijdelijk karakter; na verscheidene keren gebruikt te zijn geweest, werd de plek verlaten ten voordele van een nieuwe locatie. Sporen van ustrina komen niet vaak voor in Vlaanderen omdat deze constructies zich doorgaans aan het oppervlak bevonden en hun restanten door de latere landbewerking meestal helemaal verdwenen zijn. Enkel wanneer eerst een ondiepe kuil werd gegraven treft men er sporen van aan; dit was onder meer het geval te Destelbergen-Eenbeekeinde waar er verscheidene kleinere exemplaren zijn teruggevonden (De Vos 2004, 20). Te Sint-Gillis-bij-Dendermonde (gemeente Dendermonde) kon een sleepspoor onderzocht worden tussen de brandstapel en de zone waar de brandgraven waren bijgezet. (De Laet, Nenquin & Spitaels 1955, 102-103)
Verder zijn vooral voorbeelden van ustrina bekend uit Tongeren; nauwkeurig onderzoek van een Tongerse brandstapel toonde aan dat de laatste dode op een lijkbaar - bestaande uit twee lange evenwijdige stijlen en minstens vier dwarshouten - op de brandstapel was geplaatst (Vanvinckenroye 1984, 213 -214). Ustrina in meer rurale contexten zouden zijn aangetroffen in Opglabbeek (Claassen 1977) en Overpelt. (Vanderhoeven 1973, 385) Wel kunnen soms vragen gesteld worden bij bepaalde identificaties. Volgens M. Rogge zouden de structuren aangetroffen te Overpelt veeleer te interpreteren zijn als grote kuilen met brandstapelresten zoals ook bekend uit Velzeke (gemeente Zottegem) en Destelbergen (cfr. infra); de brandsporen zouden immers niet meer in situ liggen. (Rogge 1985, 99) De mogelijke ustrina van Ophoven (Claassen & Heymans 1974, 190) lijken dan weer veel weg te hebben van structuren aangewend voor de productie van houtskool; ook bij dergelijke structuren komen brandsporen in situ en dikke houtskoolpakketten voor en een mooi voorbeeld uit de 10de-11de eeuw werd aangetroffen in Sint-Gillis-Waas op amper twintig meter van een ontegensprekelijk Romeins brandrestengraf. (Hollevoet & Van Roeyen 1995, 437) Ook bij het grootschalig onderzoek aan het Kluizendok te Evergem zijn naast Romeinse brandrestengraven dergelijke houtskoolrijke structuren met brandsporen in situ aangetroffen. (Laloo e.a. 2008, 81)
De ustrina mogen niet verward worden met de zgn. rituele haarden die op enkele grote begraafplaatsen zijn aangetroffen en ook niet onbekend zijn bij sommige tumulusgraven. Het gaat doorgaans om kleinere structuren waar ook sprake is van brandsporen in situ. In de zuidwestelijke begraafplaats van Tongeren zijn verschillende structuren als dusdanig geïdentificeerd, onder meer in de directe nabijheid van een mogelijke grafheuvel. (Vanvinckenroye 1984, 214-216) Elke haard bestond uit een kuil met brandsporen in situ, een dikke laag houtskool waartussen halfverbrande dierenbeenderen lagen en twee paalsporen die geïnterpreteerd werden als staanders voor een metalen spit of een rooster waar dierlijke vleesresten op werden gebraden. Mogelijk zijn ze in verband te brengen met feesten die op bepaalde tijdstippen werden gehouden ter nagedachtenis van de overledene. In hetzelfde grafveld werden eerder al de resten van brandkuiltjes aangetroffen waarvan één met een min of meer vaste constructie bestaande uit een stuk van een uitgeholde boomstam die men aan de binnenkant bepleisterd had met leem; door de hevige vuurgloed was de leem roodgebakken en het hout totaal verkoold. (Vanvinckenroye 1963, 132)
De dode werd ongetwijfeld volledig gekleed en in vol ornaat op de brandstapel geplaatst. Hiervan getuigen de talrijke verbrande resten van spijkerschoeisel en persoonlijke opsmuk zoals sieraden, kledinggarnituur, haartooi etc. Recipiënten met voedsel en drank kwamen mee op de brandstapel terecht wellicht samen met andere offerandes die een speciale betekenis hadden voor de dode, zijn of haar familie en vrienden of de inwoners van de plaats waar de ceremonie plaatsvond. Een munt moest symbolisch de veerman Charon vergoeden bij de oversteek van de Styx.
Er is vooralsnog weinig geweten over het hout dat bij de crematie gebruikt werd. De enige tot nu in detail bestudeerde context van Huise – ’t Peerdeken (gemeente Zingem) wijst op het gebruik van vooral eik, els, berk, gewone es en olm; opmerkelijk is wel dat in sommige graven enkel eik aanwezig is terwijl in andere verschillende houtsoorten naast elkaar zijn gebruikt. (De Groote e.a. 1999/2000, 54-55) Wellicht zal nu en dan ook eens herbruikt hout zijn aangewend; dit verklaart misschien een aantal van de nagels en/of krammen die in de grafkuilen van vooral brandrestengraven worden aangetroffen en moeilijk allemaal van een, al dan niet rijkelijk versierde lijkbaar afkomstig zijn geweest.
Eenmaal het vuur gedoofd konden verschillende handelingen plaatsvinden. In het ene geval werden de gecremeerde resten van de overledene zorgvuldig ingezameld. Deze uitgelezen crematieresten bevatten niet zelden ook fragmentjes verbrand dierlijk bot, afkomstig van het voedsel of eventuele andere bijzondere dierlijke offerandes meegegeven op de brandstapel. De ingezamelde resten werden dan bijgezet in een kuil, hetzij in een recipiënt (urne) of een stoffen of leren zakje of doek, hetzij verspreid in de grafkuil. Grafgiften werden erbij geplaatst om de dode te vergezellen naar het hiernamaals. Soms werden daarbij nog brandstapelresten meegegeven: houtskool of door vuur zwaar aangetaste voorwerpen zoals bijvoorbeeld secundair verbrand aardewerk of glas. In sommige gevallen werd het verbrand bot niet zorgvuldig uitgelezen, maar werden de brandstapelresten - al dan niet volledig - in de grafkuil gestort; soms had men daarvóór al een aantal grafgiften gedeponeerd in een kleine nis, aangebracht in de kuilwand of in een plaatselijke uitdieping van de grafkuil. Anders werden de grafgiften in de grafkuil zelf gedeponeerd, tussen de brandstapelresten, waarna de put gedempt werd. Al deze gebeurtenissen gingen ongetwijfeld gepaard met heel wat rituele handelingen die geen sporen hebben nagelaten.
Naargelang de manier waarop het gecremeerd menselijk bot in de uiteindelijke grafkuil werd bijgezet, kan een aantal grote types graven onderscheiden worden. Bij de zgn. urnengraven werd een deel van de gerecupereerde verbrande beenderen in een recipiënt geborgen; deze kon zowel in aardewerk, in glas, in steen als in metaal zijn geweest. Bij het aardewerk werden vooral potten en bekers als urne gebruikt. In Geistingen (gemeente Kinrooi) had men de crematieresten van een vrouw van ongeveer dertig jaar evenwel bijgezet in een dolium. (Claassen 1974, 73-74) Doorgaans treft men in de meeste grafvelden wel een beperkte hoeveelheid urnengraven aan; ze komen voor in de grafvelden van elke agglomeratie, zoals bijvoorbeeld dit van het Grijpenveld te Tienen 4, de zuidwestelijke begraafplaats te Tongeren (Vanvinckenroye 1963, 130) (Vanvinckenroye 1984, 225), de verschillende grafvelden van Grobbendonk (Janssens 1966) (Verbeeck, in voorbereiding) of te Oudenburg. (Hollevoet 1993, 209) Necropolen waarbij de zgn. urnengraven frequent voorkomen zijn eerder zeldzaam. Te Destelbergen - Eenbeekeinde werd maar één urnengraf aangetroffen; het dateert uit de Flavische tijd. (De Vos 2004, 20) Ook het vroeg-Romeinse grafveldje aan de Roestraat te Ursel (gemeente Knesselare) leverde één urnengraf; in twee andere graven waren ook een weinig brandstapelresten bijgezet samen met de urne. (Bourgeois e.a. 1989, 48) In het grafveld van de Molenstraat te Kortrijk lijkt het fenomeen dan weer frequenter te zijn voorgekomen. (Leva & Coene 1969, 78) De weinige gegevens die we hebben over de grafvelden van de vicus Asse (gemeente Zellik) hebben betrekking op enkele urnengraven ten westen van de agglomeratie (Scheltens 1981, 31-44) en en vermoedelijk twee brandrestengraven (ongepubliceerd, info D. Pauwels). Bijzonder is het grafveld van Waasmunster - Pontrave waar een zone met een 30-tal urnengraven werd aangetroffen waarbij kleine bekers als urn fungeerden; deze bevatten steeds een kleine hoeveelheid verbrand been en vermoed wordt dat het hier zou gaan om de resten van jonge kinderen. (Van Hove 1996, 75)
Bij de zgn. beenderpakgraven (D. Knochenlager) mag verondersteld worden dat meer vergankelijke materialen werden gebruikt om de crematieresten in te verzamelen, zoals een stoffen of leren zakje of doek, een gevlochten mandje of een houten recipiënt. Voorbeelden zijn onder meer bekend uit het zuidelijke grafveld van Oudenburg (Hollevoet 1993, 208-209). De crematieresten kunnen ook gewoon op een hoopje in de grafkuil zijn gedeponeerd. Dat lijkt het geval geweest te zijn bij heel wat graven uit het grafveldje van Maaseik. (Janssens 1977) Verder komt het fenomeen ook vaak voor in de grotere grafvelden zoals, dit van het Grijpenveld te Tienen 5. Al deze varianten treft men uiteraard ook aan in de zuidwestelijke necropool van Tongeren die trouwens gekenmerkt wordt door een zeer grote variabiliteit; andere voorkomende types zijn er de Brandschüttungsgräber en de zgn. brandrestengraven. (Vanvynckenroye 1963, 127-134) (Vanvinckenroye 1984, 223-228)
Bij de Brandschüttungsgräber zijn steeds restanten van de eigenlijke brandstapel meegegeven met het afzonderlijk ingezameld verbrand menselijk bot. Dit kan in concentraties zijn bijgelegd – al dan niet in een recipiënt in aardewerk, glas of enig vergankelijk materiaal. De crematieresten kunnen ook al dan niet sterk verspreid voorkomen in de grafkuil bovenop de eigenlijke brandstapelrestanten. Hierbij moet wel duidelijk een onderscheid gemaakt worden met de grafcontexten waarbij het verbrand menselijk bot zich nog tussen de brandstapelresten bevindt; dan is er veeleer sprake van zgn. brandrestengraven (Brandgrubengräber).
De brandrestengraven behoren tot het meest frequent aangetroffen graftype dat de voorbije decennia in Vlaanderen aan het licht zijn gekomen. Ze worden gekenmerkt door dikke pakketten brandstapelresten in een relatief grote grafkuil. De laag brandstapelresten is doorspekt met stukken houtskool, fragmenten verbrand bot, scherven van - vaak secundair verbrand – aardewerk dat op de brandstapel was geplaatst, nagels, door vuur aangetast glas, sieraden, munten, enz. De gecremeerde resten van de overledene lijken niet systematisch gerecupereerd te zijn en vaak is duidelijk dat onmogelijk de totaliteit aan brandstapelresten in de grafkuil kan zijn terechtgekomen; een niet onbelangrijk deel bleef wellicht achter op de plek waar de lijkverbranding had plaatsgevonden. In sommige gevallen is er duidelijk sprake van een houten kist waarin de resten zijn gedeponeerd. De grafgiften kunnen in de grafkuil zelf zijn meegegeven maar niet zelden treft men ze aan in een kleine uitsparing naast of onder het graf. Deze grafgiften zullen wellicht de nodige spijzen en dranken bevat hebben om de dode te vergezellen op zijn of haar reis naar het hiernamaals.
Dit graftype is in 1969 door A. Van Doorselaer onder de aandacht gebracht. (Van Doorselaer 1969) Hierna zijn op talloze plaatsen dergelijke brandrestengraven aangetroffen. Daaruit blijkt overduidelijk dat het wellicht hier het meest voorkomende type bijzetting was tijdens het Hoge Keizerrijk. Toch lijkt de oorsprong ervan terug te gaan tot de ijzertijd; dit blijkt onder meer uit een vondst te Huise-Lozer. (gemeente Zingem) (De Laet, Van Doorselaer & Spitaels 1963, 13-15) Plaatselijk zou deze vorm van begraven ook zijn blijven voortbestaan in de laat-Romeinse tijd en/of het begin van de vroege middeleeuwen; dit werd gesuggereerd naar aanleiding van vondsten uit Velzeke (gemeente Zottegem) (Rogge 1985, 93- 94) (Van Doorselaer & Rogge 1985, 167-170) (Van Doorselaer 1998, 23) en Sint-Gillis-Dendermonde. (gemeente Dendermonde) (Van Doorselaer 1998, 23-24) (Van Doorselaer & Opsteyn 1999, 190-191)
De Romeinse brandrestengraven concentreren zich vooral in de civitas Menapiorum
Wat de Kustvlakte betreft, werden ze onlangs aangetroffen in de Oosthoekduinen van De Panne (Demeyere, Dewilde & De Clercq 2005, 24-26). Voor het overige is men over de kennis van het begrafenisritueel in deze regio nagenoeg uitsluitend aangewezen op bijzonder slecht gedocumenteerde sites. (Thoen 1987, 80) Hierbij denken we natuurlijk in de eerste plaats aan tal van contexten die bij het delven van veen werden aangesneden tijdens de voorbije eeuwen en waarvan de vondsten de kern uitmaakten van de collecties van kanunnik De Bast (De Bast 1808), maar ook aan een aantal jongere vondsten gedaan bij kleiwinning. Zeker wat de volledige stukken betreft mag vermoed worden dat het hier wellicht vooral gaat om grafgiften afkomstig uit de nissen van brandrestengraven en in mindere mate om zgn. urnengraven. (Thoen 1978, 79-83) De recentere vondsten van grafcontexten te Wenduine (gemeente De Haan) (Bauwens-Lesenne 1963, 122-125) en te Zandvoorde (gemeente Oostende) (Mertens 1964) brachten hieromtrent jammer genoeg geen verduidelijking.
Brandrestengraven zijn verder bekend op talrijke plaatsen in zandig Vlaanderen:
Minder frequent zijn ze in de civitas Nerviorum, maar ze zijn er wel aangetroffen:
Meer oostwaarts is heel wat minder duidelijk of de daar nog aangetroffen crematies vermengd met brandstapelresten ook tot deze groep kunnen gerekend worden. Van Doorselaer spreekt van een fenomeen dat vrij kenmerkend zou zijn voor het Menapisch gebied, onder meer de Scheldevallei (Van Doorselaer 1969), en het valt inderdaad niet te ontkennen dat het type in dit gebied duidelijk overweegt. Het is evenwel niet onbekend in de civitas Nerviorum en ook in de civitas Tungrorum treft men zgn. brandrestengraven aan, zij het misschien in beperktere hoeveelheden en met licht afwijkende kenmerken. Zo valt op dat de grafkuiltjes doorgaans kleiner zijn en er nauwelijks sprake is van nissen waar de grafgiften zijn meegegeven. De graven van Edegem – Buizegem (Vandevelde e.a. 2008, 28-32) en een drietal structuren uit Wange (gemeente Landen) op het Neerhespenveld (Hombroux & Lodewijckx 1984) sluiten nog dicht aan bij de westelijke traditie, wat minder het geval lijkt te zijn voor de grafveldjes van Grobbendonk (Janssens 1966) (Verbeeck in voorbereiding) of voor de Limburgse complexen zoals onder meer bekend uit As (Claassen 1977), Gruitrode (gemeente Meeuwen-Gruitrode) (Claassen 1976), Hamont (gemeente Hamont-Achel) (Claassen 1973), Maaseik (Janssens 1977), Ophoven (gemeente Kinrooi) (Claassen & Heymans 1974) of Overpelt (Vanderhoeven 1973); te Wijshagen – Plokrooi (gemeente Meeuwen-Gruitrode) kunnen de aangetroffen brandrestengraven iets ouder zijn. (Creemers & Van Impe 1992) Het geheel lijkt aan te sluiten bij meer noordelijke tradities zoals onder andere bekend uit twee grafvelden in het Nederlandse Weert. (Hiddink 2003) In Tienen zijn dan weer brandrestengraven met grotere grafkuilen niet zeldzaam maar is het fenomeen van grafgiften in een aparte nis totaal onbekend. 6 Ook in de zuidwestelijke begraafplaats van Tongeren zijn, zoals al aangehaald, voorbeelden van grote brandrestengraven bekend. (Vanvinckenroye 1963) (Vanvinckenroye 1984)
In Oudenburg werden enkele afwijkende rituelen onderscheiden (Hollevoet 1993). Zo bevatte de nis in enkele gevallen niet enkel de traditionele grafgiften maar ook een stuk verbrand bot, niet zelden van een lang been of van de schedel; fysisch-anthropologisch onderzoek zal moeten uitmaken in welke mate het hier gaat om menselijk bot en of deze stukken afkomstig kunnen zijn van hetzelfde individu waarvan de resten in de eigenlijke grafkuil zijn meegegeven. Opmerkelijk is verder ook dat in sommige nissen aarden vaatwerk voorkwam dat ook relatief grote hoeveelheden verbrand bot bevatte. Ook hier zal eerst uitgemaakt moeten worden of het om menselijke crematieresten gaat en hoe deze zich eventueel verhouden tot de dode in de grafkuil. Ten slotte is er een aantal graven aangesneden waarbij men de indruk kreeg dat het wellicht om crematiegraven ging die om één of andere reden werden heruitgegraven en waarvan het merendeel van het verbrand bot en de brandstapelresten achteraf niet meer in de dezelfde kuil terecht is gekomen; mogelijk werd het verbrand bot in sommige gevallen om bepaalde redenen pas later gerecupereerd en op een andere manier bijgehouden of bijgezet.
Sommige grafvelden hebben resten opgeleverd van heel grote kuilen met brandstapelafval. Vooral bekend is het zgn. massagraf van Destelbergen (De Laet, Toen & Van Doorselaer 1969) (De Laet, Toen & Van Doorselaer 1970), maar het fenomeen is ook geattesteerd te Velzeke (gemeente Zottegem) en misschien ook te Overpelt. (Rogge 1985, 95-98) (Van Doorselaer & Rogge 1985, 159-165) (Van Doorselaer 1998, 21-23) Van kleiner formaat is een aantal kuilen bij tumulusgraven waaraan ook een ritueel karakter wordt gegeven; het meest bekende voorbeeld is hier ongetwijfeld de al aangehaalde structuren onder de tumulus van Berlingen. (gemeente Wellen) (Roosens & Lux 1973, 48) De structuur met brandstapelresten aangetroffen samen met een brandrestengraf onder de middeleeuwse motte De Galooie te Loker, is bij gebrek aan brandsporen in situ, niet als brandstapel te interpreteren; mogelijk kan hier ook sprake zijn van een soort offerkuil tenzij het veeleer zou gaan om een tweede brandrestengraf waarvan de resten, in tegenstelling tot het eerste niet in een houten kist waren meegegeven. (De Meulemeester 1978, 11-12)
Eén van de grootste problemen bij de studie van de Romeinse begrafenisrituelen bij crematiegraven is net dat de resten door het vuur vaak zeer sterk zijn aangetast en herleid worden tot een hoopje gecalcineerd bot en as. In normale omstandigheden levert de verbranding van een volwassen individu tussen anderhalve en 2,5 kg verbrand bot maar dergelijke hoeveelheden worden maar bij uitzondering in een grafkuil aangetroffen. Als ze al bewaard zijn door min of meer gunstige bodemomstandigheden vertegenwoordigen de fragmentjes gecremeerd been soms niet veel meer dan een handjevol splinters verbrand bot. In het verleden is aan dit verband bot te weinig aandacht besteed. De elementaire studie ervan bleef vaak beperkt tot die grafvelden waar P. Janssens bij het onderzoek betrokken was. Pas de jongste jaren is men onder impuls van de spectaculaire resultaten verkregen uit onder meer Groot-Brittannië (McKinley 1994) en Nederland (Smits 2006) meer en meer aandacht gaan besteden aan dat aspect. Dit gebeurde vooralsnog enkel voor een kleine begraafplaats te Huise - ‘t Peerdeken (De Groote e.a. 1999/2000) en voor een geïsoleerd graf in de Antwerpse binnenstad. (Bellens e.a. 2007)
In de regel werden in het republikeinse Rome de doden nagenoeg altijd gecremeerd; het was de alom dominante ritus tot het begin van de 2de eeuw, wanneer het verschijnen van pronkerige sarcofagen het overschakelen naar lijkbegraving blijkbaar gaat promoten. (Toynbee 1971, 40) In onze gewesten vindt de veralgemening van de lijkbegraving niet plaats voor de laat-Romeinse tijd. (Van Ossel 1991) In het repertorium van Van Doorselaer (Van Doorselaer 1964) zijn de Vlaamse voorbeelden op de vingers van één hand te tellen. Het gaat meer bepaald om de Tongerse begraafplaatsen, drie geïsoleerde bijzettingen te Lichtervelde, Harelbeke en Klein-Gelmen (gemeente Heers) en de twijfelachtige context van het vermeende grafveld van Balgerhoeke te Adegem (gemeente Maldegem) (de Clippele 1968); deze laatste gaat mogelijk terug tot de vondst van een Romeinse begraafplaats uit het Hoge Keizerrijk (met brandgraven) aangevuld met laat-Romeinse antiquaria, mogelijk grafvondsten aangekocht in het Rijnland en afkomstig van inhumatiegraven. De door Böhme (Böhme 1974, 293) aangehaalde Körpergräber uit de villa van Neerharen-Rekem (gemeente Lanaken) zijn dan weer mogelijk veel jonger.
Grote aantallen Romeinse inhumaties komen in Vlaanderen enkel voor in stedelijke en/of militaire contexten. De verschillende necropolen van Tongeren hebben er talrijke voorbeelden van opgeleverd en sommige worden door brandgraven oversneden. Opmerkelijk zijn onder meer een geordend groepje laat-Romeinse, mogelijk christelijke bijzettingen zonder grafgiften in de noordoostelijke begraafplaats (Vanvynckenroye1985, 126-129) (Vanderhoeven e.a. 1995/1996) en een aantal militaire graven (Roosens & Mertens 1970) (Böhme 1974, 301-302); andere inhumaties zijn niet echt te linken aan bepaalde deelgroepen of specifieke bevolkingscategorieën. Het laat-Romeinse grafveld van tenminste 216 inhumaties, aangetroffen aan de Kasteeldreef te Oudenburg is dan weer helemaal in verband te brengen met de militaire bezetting van het jongste stenen castellum. (Mertens & Van Impe 1971) De doden waren bijgezet rond de ruïnes van een oudere constructie(Creus 1975) en plaatselijk viel wel een zekere structurering waar te nemen. Zowel kistbegravingen als lijkbegravingen werden aangetroffen. Enkele vrouwen en kinderen getuigen van het familiale leven dat ook in een militaire versterking niet onbrak. Enkele mannen waren in vol ornaat bijgezet, met drieknoppenfibula en kenmerkend gordelbeslag maar zonder hun wapenuitrusting. Bij de vrouwen valt de aanwezigheid op te merken van een aantal meisjes van wellicht Germaanse origine; de sieraden waarmee ze waren getooid, vertonen heel wat gelijkenissen met vondsten uit het Elbe-Weser-gebied. (Böhme 1974, 294-296) Andere elementen wijzen dan weer op invloeden uit Engeland of het Donaugebied. (Sas 2004) Heel wat doden hadden grafgiften mee gekregen. Deze situeerden zich zowel in de kist als erbuiten, enkele waren geplaatst in kleine nissen; de meeste zullen spijs en drank voor de dode hebben bevat. (Gautier 1972) Het geheel dagtekent vooral uit de tweede helft van de 4de en het begin van de 5de eeuw (Mertens 1987). Enkele oudere graven, aangetroffen ten zuiden van het grote grafveld wijzen mogelijk op de aanwezigheid van een tweede laat-Romeinse necropool in deze richting, op de rand van de zandige opduiking. (Mertens 1963: 68; Mertens 1964: 220-221; Mertens & Van Impe 1971, 18; Hollevoet 2004)
Het ouder Oudenburgse grafveld met overwegend crematiegraven uit het Hoge Keizerrijk leverde ook een klein aantal inhumaties op maar hier viel enkel op te maken dat ze wellicht tot de jongere fasen van de begraafplaats moeten gerekend worden (Hollevoet 1992) (Hollevoet 1993); verder leverde het jongste onderzoek langs de Ettelgemsestraat ook enkele geïsoleerde inhumaties op in een zone met uitsluitend off-sitefenomenen uit de 2de-3de eeuw. (Dhaeze, Decorte & Vanhoutte 2008) Laat-Romeins zijn in elk geval een inhumatie die samen met een crematiegraf werd aangetroffen op het tracé van een aardgasleiding te Val-Meer (gemeente Riemst); van een derde bijzetting waren enkel nog een munt, een gesp en een onherkenbaar ijzeren voorwerp in situ bewaard (Pauwels, Vanderhoeven & Vynckier 2002, 311-312). Ook met betrekking tot twee mogelijke inhumatiegraven opgemerkt bij de bouw van een woonst te Overhespen (gemeente Linter) wordt verondersteld dat ze dateren uit de laat-Romeinse tijd. (Lodewijckx 1991, 42-43)
In de uitgestrekte zuidwestelijke begraafplaats van de vicus van Tienen op het Grijpenveld lijken de inhumatiegraven tot alle gebruiksperioden van het grafveld te moeten gerekend worden. Ook hier valt op dat in sommige gevallen de ter aarde bestelling wellicht is gepaard gegaan met bijzondere handelingen en/of rituelen; enkele komen voor in de onderste vulling van de omheiningsgracht en zijn misschien in verband te brengen met inwijdingsrituelen van het grafveld. (Martens 2007,152) Niet zelden wordt bij inhumaties de associatie gemaakt met gestraften aan wie op één of andere manier een normale bijzetting werd ontzegd of aan specifieke offers (Aldhouse Green 2001); andere bestempelen ze dan weer als zgn. noodbegravingen. (Vanvynckenroye 1984, 232-233) Dat is misschien ook het geval geweest bij de twee skeletten die in 1988 in de vulling van een ronde stenen waterput te Velzeke zijn aangetroffen (Rogge 1988); op basis van de 14C-datering kunnen ze gedateerd worden in de late 4de, de 5de of het begin van de 6de eeuw. (Van Strydonck e.a. 2001, 989) Het geheel doet denken aan de oudere vondst, ook in een ronde stenen put, van mogelijk twee Germaanse krijgers met hun uitrusting te Sint-Jans-Molenbeek; ze werden aangetroffen onder een zware steen. (De Loë 1921) (Roosens 1968, 101) Ook in Tongeren is een vergelijkbare maar wellicht oudere context bekend in het horreumcomplex ten zuidwesten van de stadsmuur waar een ronde stenen waterput de resten bevatte van 7 verschillende individuen en een aantal paardenkadavers. De context dateert van na het midden van de 3de eeuw en de menselijke resten waren blijkbaar niet meer in anatomisch verband vermits verschillende lange beenderen oude, post-mortem breuklijnen vertoonden. (Janssens 1975, 52) Vermoedelijk wel van Germaanse oorsprong zijn de enkele inhumatieresten opgegraven in 1985 te Overhespen (gemeenteLinter) (Opsteyn & Lodewijckx 2004, 142-147) en een geïsoleerd vrouwengraf uit de 4de-5de eeuw te Kerkhove; dit laatste was NZ-geörienteerd en bevond zich in de opvulling van de gracht die de oudere site omringde. (Rogge 1996,131)
De skeletvondsten in waterputten brengen ons bij een fenomeen dat de laatste tijd meer en meer aandacht heeft gekregen, namelijk het voorkomen van menselijk skeletmateriaal in zuivere nederzettingscontexten. Voor Nederland beschikt men over een goed overzicht van de oudere beschikbare informatie (Hessing 1993) maar in Vlaanderen staat dit aspect nog in de kinderschoenen. Min of meer volledige skeletten kunnen wijzen op zgn. stichtings- en/of verlatingsrituelen. De jongste jaren komen echter ook meer en meer voorbeelden aan het licht van stukken menselijk bot in nederzettingscontexten zoals gracht- en kuilvullingen of in duidelijke afvalcomplexen. We vermelden hier maar de stukken van tenminste twee menselijk schedels in een waterput te Elewijt (Van Impe e.a. 2005, 298) of een fragment van een bovenarmbeen samen met slachtafval en een stuk elandgewei in een grachtvulling te Oudenburg. (ongepubliceerd, Hollevoet 1992) Verder zijn ook voorbeelden bekend uit Tongeren (Vanderhoeven, Van de Konijnenburg & De Boe 1987, 136 en Vanderhoeven, Vynckier & Vynckier 1993, 179) en uit Tienen. (Vanderhoeven, Vynckier & Wouters 1997/1998, 146) In associatie met een aantal andere aanwijzingen zien sommigen er een indicatie in dat er ook in de Romeinse tijd sprake kan zijn geweest van excarnatie, waarbij de dode langdurig blootgesteld werd aan weer en wind om dan later al dan niet ter aarde te worden besteld. (Aarts & Heeren 2007, 77)
Met de voorbeelden van de put uit Tongeren zijn we ten slotte bij een laatste probleem aanbeland dat onze aandacht verdient bij dit overzicht van het grafveldenonderzoek, namelijk de aanwezigheid van paardengraven in sommige Romeinse begraafplaatsen. Het onderwerp werd al in het verleden aangekaart door Lauwerier en Hesssing voor Nederland (Lauwerier & Hessing 1992) en is ook in Vlaanderen niet onbekend met attestaties in Oudenburg, Tienen en Tongeren. Het fenomeen is genoegzaam bekend in de vroeg-middeleeuwse rijengrafvelden en wordt vaak geassocieerd met de Germaanse leefwereld. 7 8 Te Oudenburg waren de meeste paardengraven wellicht jonger dan het grafveld en misschien in verband te brengen met de laat-Romeinse militaire aanwezigheid in het castellum; één ervan bevatte de resten van een deels verstoord inhumatiegraf. (Hollevoet 1993, 211) Dat is niet het geval bij het grafveld van Tienen waar de drie paardenbijzettingen wel degelijk uit de gebruiksperiode van het grafveld zouden dateren; één werd zelfs in associatie gevonden met een crematiebijzetting. 9 Een paard werd ook bijgezet boven op de kist van het vermoede tumulusgraf. (Martens, Debruyne & Van Den Vonder 2005, 62) Te Tongeren ten slotte was in de zuidwestelijke begraafplaats het skelet van een paard duidelijk verstoord door zeker één inhumatie, door de opgraver gedateerd in de tweede helft van de 3de eeuw. (Vanvinckenroye 1984, 59-60 & Pl. 12)
De voorbije jaren heeft het onderzoek van de Romeinse begraafplaatsen een tweede adem gevonden. Belangrijk hierbij is de vondst en het onderzoek van een grote hoeveelheden grafcontexten uit de tot dan toe nauwelijks gekende Romeinse begraafplaats van de vicus van Tienen. Ook het hernieuwd onderzoek in de Tongerse begraafplaatsen en de vondst van een necropool uit het Hoge Keizerrijk te Oudenburg hebben onze inzichten in het Romeinse begrafenisritueel doen wankelen. Er is meer aandacht voor de ruimere context en het ganse proces van de begraving en ook de natuurwetenschappelijk aspecten van het onderzoek van grafresten worden niet langer uit het oog verloren. Met betrekking tot de biomoleculaire toepassingen wordt wel eens gesproken over een ware revolutie (Collins 2006). Voor de inhumaties zorgt vooral het DNA-onderzoek voor nieuwe perspectieven maar ook het fysisch-anthropologisch onderzoek van gecremeerd beendermateriaal staat niet stil. (Smits 2006 & Vandenbruaene 2008) De nadere studie van de meeverbrande zaden en vruchten (Cooremans 2008) en het anthracologisch onderzoek (Deforce 2005) zullen moeten toelaten beter inzicht te verwerven in de soms bijzonder complexe handelingen die gepaard gingen met het begraven van de doden in de Romeinse tijd. De publicaties van de grafcomplexen van Tienen, Tongeren en Oudenburg kunnen ons op dat vlak heel wat nieuwe elementen aanleveren.
Met de inlijving van onze gewesten in het Romeinse Rijk veranderde het spectrum van bouwtechnieken en het repertorium van gebouwtypes ingrijpend. Zowel in centrale plaatsen als op landelijke nederzettingen voltrok zich een geleidelijk versteningsproces. Dit proces startte lang niet overal op hetzelfde moment en is ook nooit voltooid geraakt. Wat in de regel als Romeinse steenbouw wordt bestempeld is vrijwel altijd een combinatie van steenbouw en hout- en leembouw geweest. Een viertal vernieuwingen heeft een wezenlijke invloed gehad. Op de eerste plaats is er het gebruik van van duurzame, stenen bouwmaterialen voor funderingen, opgaand muurwerk, vloeren en daken (met de daaraan verbonden zoektocht naar en exploitatie van divere steensoorten. Op de tweede plaats situeert zich het gebruik van kalkmortels voor muren, vloeren, binnen- en buitenbepleisteringen (waamee eveneens een grootschalige exploitatie van grondstoffen en brandstof gepaard gaat). Op de derde plaats komt het gebruik van baksteen in zowat alle delen van gebouwen (muren, vloeren, daken, inrichting). Op de vierde plaats is waarschijnlijk de import van kostbare natuursteensoorten voor de monumentale architectuur en wand- en vloerdecoraties van niet gering belang geweest.
In de voor-Romeinse ijzertijd was de architecturale diversiteit beperkt. In feite kan men aan het basisconcept van de plattegronden van (woonstal)huizen en (agrarische) bijgebouwen geen sociale stratificatie afleiden. Mogelijk waren voor de toenmalige bewoners wel grote verschillen te zien aan de wijze waarop deze houtlemen constrcuties aan de binnen- en/of buitenzijde versierd waren. Buiten deze private bouwwerken kan men in de publiek sfeer maar monumentaal geaarde architectuur weervinden in de grootschalig aangelegde verdedigingswerken en mogelijk ook in cultusplaatsen. In de Romeinse tijd verandert dat alles ingrijpend. In de private woningbouw zien we Romeins-mediterrane woonconcepten gestalte krijgen. De meest opvallende aspecten zijn wellicht de aanleg van reeksen vertrekken met specifieke (woon)functies omheen open binnenplaatsen en het van de buitenwereld gescheiden houden van deze schikkingen door middel van portieken. Geheel nieuw is ook het architecturaal vormgeven en benadrukken van sociale status door de bouw van ontvangstruimten en badgebouwen, vaak van vloerverwarmingen voorzien. Even spectaculair is de wijze waarop de publieke ruimte van nederzettingen wordt uitgebouwd en ingericht. In steden zijn de forumbasilicacomplexen daarvan de meest prominente uiting. Andere onderdelen van het Romeinse bouwprogramma als tempels, theaters, amfitheaters, … kan men zowel in legerplaatsen en steden als op het platteland aantreffen en daar zowel in centra als in associatie met (grote) villacomplexen.
Aan de Romeinse steenbouwarchitectuur in onze gewesten is tot nu toe geen specifieke studie gewijd. Wel kunnen publicaties aangewezen worden die deelaspecten belichten. Te denken valt aan de studie van de Romeinse villaplattegronden (De Boe 1971; zie ook Heimberg 2003), de constructiewijze en het voorkomen van vloerverwarmingen (Degbomont 1984), de badgebouwen (Deru 1994) en de Gallo-Romeinse tempels (Derks 1998). Over twee belangrijke Gallo-Romeinse private architectuurvormen, het zogenaamde vicushuis en en de stadwoning, bestaat verspreide literatuur. Voor het vicushuis is in de nederzettingen van Grobbendonk (De Boe 1977 en 1985) en Tienen (Vanderhoeven e.a. 1997/1998; Martens e.a. 2006) de voorbije jaren enig belangrijk opgravingswerk kunnen verricht worden. Voor de recente ontdekkingen van diverse stadswoningen in de civitashoofdplaats Tongeren kan verwezen worden naar Vanderhoeven (2007) en de aldaar geciteerde literatuur.
De voorbije jaren is heel wat baanbrekend werk verricht op het gebied van de provinciaal-Romeinse architectuur. We beschikken over een arsenaal aan vernieuwende inzichten over de wijze waarop publieke ruimtes werden vormgegeven en over de motivaties en de al dan niet onderliggende bedoelingen van deze werkzaamheden. Hetzelfde geldt voor de private architectuur. Het is duidelijk dat de plaatskeuze van woningen, hun bouwconcept, vormgeving en afwerking aan allerhande vereisten van de bewoners hebben voldaan.
Ze moesten niet alleen in materiële behoeften voorzien, maar droegen ook bij tot de uitdrukking van status en andere vormen van identiteit en verkondigden, zoals de publieke bouwwerken, ideologische boodschappen. Deze aspecten (monumentaliteit, symmetrie, symbolisme, propaganda, …) van de Romeinse steenbouwarchitectuur ontcijferen is één van de belangrijke uitdagingen van de provinciaal-Romeinse archeologie van onze gewesten. Waarschijnlijk is dat vooralsnog alleen voor de civitashoofdplaats Tongeren mogelijk. Het lijkt erop dat we voor geenenkel landelijk centrum al over voldoende data beschikken om dergelijke vragstellingen met succes te kunnen aanpakken. Er is dringend nood aan volledig opgegraven plattegronden in dit soort nederzettingen. Ook voor de villa’s ontbreken volledige opgravingsplattegronden.
Studies en overzichtswerken die de houtbouw in onze streken onderzoeken, zijn op één hand te tellen. In het kader van regiogebonden archeologisch onderzoek werden al enkele eerste syntheses uitgewerkt. Hiertoe leenden de grootschalige archeologische lineaire opvolgingen van het laatste decennium zich goed om de ruimtelijke spreiding en geografische differentiëring van de Gallo-Romeinse houtbouwtypes in de rurale gemeenschappen te onderzoeken. Minder gunstig was natuurlijk het segmentaire karakter van dergelijk onderzoek: de lijntracés nemen maar een steekproef van de aangesneden nederzetting en snijden bovendien de huisplattegronden soms maar gedeeltelijk aan. Om een beter inzicht te krijgen in de houtbouw doorheen de Romeinse tijd is er in Vlaanderen duidelijk nood aan meer grootschalige vlakgravingen, zoals bijv. de site Brugge-Refuge en het Kluizendokproject, waarbij (delen van) nederzettingen over een grote oppervlakte kunnen worden onderzocht. Voor referenties wordt vandaag de dag noodgedwongen vooral gekeken bij onze noorderburen waar het multidisciplinaire onderzoekspotentieel van dergelijke grootschalige archeologische nederzettingscampagnes al werd aangetoond. 1
Uit het schaarse onderzoek blijkt dat houtbouw de hele Romeinse tijd een essentieel onderdeel blijft van de rurale nederzettingen en vici. De wanden van de gebouwen waren opgebouwd met takkenvlechtwerk dat bestreken werd met leem of deels afgeslagen was met planken, zoals in Antwerpen werd vastgesteld (Delaruelle, Verbeek en De Clercq 2004). Archeologisch blijven van de houten constructies enkel de paalgaten, paalkuilen of wandgreppels, soms nog met houtrestanten en hutteleembrokken bewaard, afkomstig van de wandbepleistering op een raam van takkenvlechtwerk en van de eenvoudig aangestampte vloerbedekking. Zowel het zadeldak als het schilddak was in gebruik. Als dakbedekking werd waarschijnlijk meestal stro of riet gebruikt. Enkel in de grote handelscentra en in enkele schaarse villa’s werd ook natuur- en baksteen als bouwmateriaal aangewend. De povere restanten uit de kustvlakte duiden op vakwerkbouw, soms afgedekt met een pannendak. (Thoen 1978, 78-79) Voor het Waasland werd door H. Thoen een onderscheid vastgesteld tussen de woningen en de secundaire gebouwen. Werkplaatsen, stallingen en andere bijgebouwen werden uit balk- en vlechtwerk opgetrokken en waren meestal voorzien van een pannendak. De houten woningen lijken opgericht met een fundering uit droog metselwerk met een ingemetselde sokkel met een dikke laag mortel. Als bouwmateriaal werden hoofdzakelijk bakstenen en dakpannen gebruikt. Enkel bij de hoofdgebouwen werd natuursteen aangewend. (Thoen 1966, 100)
G. De Boe onderzocht als eerste in Vlaanderen de chronologische en geografische spreiding van de houtbouwtypes in Vlaanderen, met name voor de Antwerpse Kempen. (De Boe 1988) Vermeulen 1992 analyseerde de gebouwplattegronden in de regio tussen Leie en Schelde. De gedetailleerde status quaestionis van de Gallo-Romeinse houtbouw in Oost-Vlaanderen van W. De Clercq beslaat een deel van de civitas Menapiorum en van de civitas Nerviorum. (De Clercq 2003) In het overzichtsartikel over Zeeland en Noordwest-Vlaanderen in de Romeinse tijd door De Clercq en van Dierendonck (2008) wordt de synthese van de houtbouw in de civitas Menapiorum aangevuld met nieuwe gegevens. In het kader van het archeologisch onderzoek op het HSL-traject werd de houtbouw aangetroffen op de Romeinse sites in de regio ten noorden van Antwerpen onder de loep genomen en in de bredere Romeinse rurale context geplaatst. (Delaruelle, Verbeek en De Clercq 2004) Op dit traject werd ontdekt dat tijdens de vroeg-Romeinse periode verschillende gebouwtypes in zwang waren. Ook via het archeologisch onderzoek van het vTn-project 1997-1998 werden nieuwe gegevens ingewonnen over de geografische variatie van de huizenbouw uit de Romeinse periode. (De Clercq, In ’t Ven, Hollevoet 2005)
Sinds de bronstijd werd in de Noordwest-Europese laagvlakte volgens éénzelfde basisconcept gebouwd: mens en dier werden onder hetzelfde dak gehuisvest. Het traditionele principe van ordening van ruimte voor boer en vee en de nauwe band tussen beide zoals die architecturaal werd vorm gegeven in het “woonstalhuis”, werd in de boerderijen van inheemse traditie uit de Romeinse tijd onveranderd bestendigd. De concrete wijze waarop aan dit basisconcept uitvoering werd gegeven was echter het voorwerp van regionale variatie die wellicht op culturele, sociale of landschappelijke bepaalde parameters gebaseerd was. Dit leidde in de archeologie tot het herkennen en benoemen van verschillende zgn. “gebouwtypes” die onderling sterk regionaal kunnen variëren. Men spreekt dan ook over “huislandschappen”. De gebouwtypes worden vaak onderscheiden op basis van het aantal beuken en in feite dus op basis van de manier waarop het dakgebinte het dakgewicht opving en hoe deze architecturale keuze een materiële neerslag in de bodem heeft nagelaten. Onder de term “gebouwtype” begrijpen we uit archeologisch perspectief dan ook een architecturaal zinvolle configuratie van constructiesporen (paalgaten, paalkuilen, wandgreppels, liggers,…) met gemeenschappelijke vormelijke kenmerken en een duidelijke ruimtelijke en chronologische groepering. Hoe deze gebouwtypen er concreet uitzagen bovengronds weten we niet en in feite zou het zelfs correcter zijn om te spreken van een “plattegrondentypologie” eerder dan een “huizen”- of “gebouwtypologie”. Bovendien is het zeker in het kader van het Romanisatiedebat relevant om de traditionele houtbouw in inheemse traditie te zien als een onderdeel van de materiële cultuur en hoe hierin door inheemse groepen uiting werd gegeven aan tal van vormen van identiteit en transformaties van identiteit. Gerritsen (2003: 39-108) besteedde recent uitgebreid aandacht aan de culturele biografie van pre- en protohistorische huizen in het kader van de constructie van lokale sociale identiteiten en plaatste ze in een perspectief van landschap en tijd-diepte. Roymans (1996, 51 ev.) wees er eerder al op dat de persistentie van inheemse houtbouwtradities tijdens de Romeinse tijd onlosmakelijk verbonden is met een zeer traditionele, pastorale landbouweconomie waarvan de wortels ver in het verleden terugreiken.
Sinds de start van het archeologisch onderzoek in Vlaanderen kwamen delen van houtbouwconstructies zowel in militaire als civiele context aan het licht. Vooral bij opgravingen van boerderijen in inheemse traditie werden voorbeelden van houtskeletbouw aangetroffen. Een grafiek (Fig. 5) resumeert per periode van 10 jaar het aantal volledige huisplattegronden die bij onderzoek van deze erven aan het licht kwamen per regio. Voor wat betreft deze gebouwen, en in feite bij uitbreiding voor de kennis van de Romeinse landelijke bewoning in Vlaanderen, is er een significante, stijgende trend waar te nemen in het aantal huizen dat onderzocht werd. Dit is belangrijk omdat met het toenemende aantal meteen een beter inzicht werd verkregen in de huistypes, hun verspreiding, datering en functie. Alhoewel deze stijgende beweging zich inzette in de jaren 1980 is het toch vooral sinds het begin van de jaren 1990 en wellicht deels door het in voege treden van het Decreet op het Archeologisch Patrimonium (1993) dat de stijging zich doorzette. Echter, zoals uit de grafiek mag blijken, waren die stijgingen in eerste instantie regionaal en vaak instantie- of zelfs persoonsgebonden te noemen en reflecteren ze tot ca. 2000 geen algemene tendens. Waar sommige gebieden duidelijk stijgen, is dat in andere net andersom. Sinds 2000 lijkt hier een voorzichtige verandering in te komen, al blijven sommige gebieden zoals de kustrandzone achter. Als nuance moet hierbij zeker aangegeven worden dat natuurlijk de mate van bodemverstoring en de historische realiteit zelf ook een rol speelt. Bovendien is de momenteel beschikbare basisset aan gebouwen in Vlaanderen natuurlijk al bij al vrij beperkt te noemen, wanneer vergeleken met bijv. Nederland. 2 Een stijgend aantal waarnemingen zal in de nabije toekomst ongetwijfeld de precisie van onze waarnemingen en de herkenning van regionale variaties in de hand werken.
Fig. 5: Evolutie van het aantal ontdekte volledige huisplattegronden in boerderijen in inheemse traditie, verdeeld volgens regio.
Binnen het geheel van voorliggende gebouwtypes werden er sinds het begin van het onderzoek in Noordwest-Europa naar landelijke nederzettingen in inheemse traditie onmiddellijk twee grote bouwtradities voor woonstalhuizen onderscheiden waarvan de verspreiding vooral geomorfologisch bepaald lijkt te zijn. In Noord-Germaans gebied (Elbe-Weser mondingsgebied bijv.) maar ook in het volledige Nederlandse kustgebied overheersten overwegend lange driebeukige gebouwtypen. Sommigen hiervan hadden een zgn. “A-frame” als dakdragende configuratie. (Trier 1969; Modderman 1975; Zimmerman 1992) Op de zand- en leemgronden van Zuid-Nederland, Vlaanderen en het zuiden van Westfalen domineerden de tweebeukige gebouwtypes (Bloemers 1995; De Boe 1988). Deze Romeinse tweeschepige types wortelen in de gebouwtypen uit de ijzertijd. In de midden en late ijzertijd overheerste er vooral het zgn. Hapshuis (Verwers 1972) en varianten. Kenmerkend voor het bouwschema van het Hapshuis is de specifieke krachtenverdeling tussen de nokstaanderrij en de wandpalen, waarbij een groot deel van het dakgewicht rust op de wand. Dit gaf aanleiding tot het plaatsen van twee en soms zelfs drie rijen wandpalen. Het schilddak van deze huizen kwam overigens vrij laag; de ingangen lagen recht tegenover elkaar in de lange zijden en werden vaak van meerdere wandpalen voorzien.
Al in de ijzertijd maar ook in de vroeg-Romeinse tijd voltrok er zich een architecturale (r)evolutie waarbij het gewicht van het dak werd weggetrokken van de wanden en steeds meer op de middenstijlenrij werd teruggevoerd. In de 1ste eeuw komen ten noorden van Antwerpen gebouwen voor die door hun uitgesproken, tegenover elkaar liggende ingangspartijen in het midden van de lange zijde sterk lijken op de gebouwen van het type Haps maar de omvang en diepte van de paalkuilen van de middenstaanders is veel groter (Delaruelle, De Clercq & Verbeeck 2004). Gebouwtypen zoals Oss-Ussen 5A (Schinkel 1998; Jansen & Fokkens 1999) daterend uit de late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd worden al gekenmerkt door diepere en grotere nokstaanders maar hebben wel nog steeds een paarsgewijs geplaatste wandpalen waarbij de binnenste reeks de wanden draagt en de buitenste het dak. Het Oss-Ussentype werd in Vlaanderen voornamelijk aangetroffen in de Antwerpse Kempen, met name op sites zoals Kontich (Verbeeck, Lauwers & De Boe 1986), Wijnegem-Steenakker (Cuyt 1983; 1985; 1991; 1995; 2007), Ekeren (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004a, 189-196) en Brecht-Zoegweg. (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b, 196-235)
Omstreeks het einde van de ijzertijd en in de vroeg-Romeinse tijd kwam een nieuw bouwschema in zwang, het zgn. gebouwtype Alphen-Ekeren. (Van der Sanden 1977; De Boe 1988; Slofstra 1991, 137-143) Huizen van dit type zijn tijdens de gehele hoge keizertijd wijd verspreid in de Belgische en Nederlandse Kempen, in het Nederlands rivierengebied ten zuiden van de Rijn en in zuidelijk Westfalen. Het werd in Vlaanderen voor het eerst aangetroffen in de jaren 1970 in Ekeren (Ibens 1976) en veel vroeger al in de jaren 1930 in Nederland te Alphen, nota bene door een leerling van Van Giffen die zijn leermeester aan het werk had gezien bij de eerste opgravingen van terpen en goed bewaarde houten boerderijgebouwen in Friesland en Drenthe. (Van der Sanden 1977: 111-112) Het basisconcept van het Alphen-Ekeren gebouwtype wordt gekenmerkt door een enkelvoudige rij van enkele zware en diep ingegraven nokstaanders en een enkelvoudige wandpalenrij. Deze huizen hadden een zadeldak. Doordat de krachten vrijwel volledig door de nokbalkdragers werden gedragen, hoefde de wand niet zo stevig gefundeerd te zijn zoals dat bij het Haps of Oss-Ussentype het geval was. Vaak worden van deze huizen dan ook maar de centrale, diep ingegraven paalsporen van de middenstijlen teruggevonden. Het type werd in Vlaanderen initieel herkend in het noordelijk deel van deze civitas, ondermeer in Ekeren (Ibens 1976), Oelegem (De Boe & Lauwers 1979; 1980), Grobbendonk (De Boe 1984), en Kontich (Verbeeck, Lauwers & De Boe 1986), maar later ook in Tongeren zelf. (Vanderhoeven, Vynckier & Vynckier 1992) Als houten voorlopers van villadomeinen werden ze geattesteerd in Neerharen-Rekem (De Boe 1983a; 1985; De Boe, De Bie & Van Impe 1992; Vanderhoeven & Janssen 1976), Donk (Van Impe 1983) en Rosmeer (De Boe & Van Impe 1979). Recenter werd het nabij Tongeren gevonden in Veldwezelt (Pauwels et al 2003; Vanderhoeven 2006; Wesemael 2006), kwam het zuidelijker aan het licht in Vilvoorde (In ’t Ven et al. 2005) en westelijker in Sint-Denijs-Westrem (Vermeulen 1992; 1993), Aalter (De Clercq & Mortier 2003) en Brugge (pers. comm. Y. Hollevoet). De voorliggende verspreiding lijkt er op te wijzen dat dit een vrij uniform gebruikt gebouwtype is geweest, althans in de 1ste eeuw na Chr. Enkele voorbeelden uit Brecht-Zoegweg, Ekeren-Het Laar (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b, 231) of Varsenare-d’Hooghe-Noene (Hollevoet 1997/1998) lijken eerder tot een overgangsvorm tussen Oss-Ussen en Alphen-Ekeren te behoren die een evolutie naar de kenmerkende zwaardere middenpalen vertoont. Het overgangstype Oss-Ussen/Alphen-Ekeren-variant lijkt vooral in de 1ste eeuw in gebruik in Vlaanderen en werd ook geattesteerd in Noord-Brabant in Nederland.
De architecturale evolutie in het bouwschema zette zich gedurende de Romeinse tijd verder. De Boe (1988,51 ev.) noteerde de trend waarbij men er door aanpassingen in het dakgebinte naar streefde om de binnenruimte van de Alphen-Ekeren huizen nokstaandervrij te krijgen, met andere woorden om het huis éénbeukig te maken. Dat éénschepige gebouwen een evolutie vormden vanuit de tweeschepige constructies werd eerder al door Trier vooropgesteld (Trier 1969, 133) en vindt in de evolutie van het Alphen-Ekeren type bevestiging. Met uitzondering van de centrale palen in de korte zijden tekent er zich volgens De Boe immers een verschuiving af waarbij gradueel steeds meer nokpalen verdwijnen en de krachtenopvang per verdwenen middenstaander gecompenseerd werd door twee zwaardere, tegenover elkaar gelegen wandpalen die een gebinte bestaande uit een dwarsbalk met ankerbalken en noksteunen ondersteunden. De redenen voor deze evolutie zijn onduidelijk. Het kan een logische zoektocht zijn naar maximale benutting en vrijmaking van plaats binnenin het huis; er kan ook een nood naar een steviger zolderverdiep aan gekoppeld zijn.
Feit is alleszins dat ondertussen gebleken is dat de wijze waarop de “ontdubbeling” van de nokpalen zich voltrok erg regionaal verschillend is en soms zelfs niet werd doorgevoerd. In bepaalde gebieden in Nederland bijvoorbeeld is er zelfs sprake van gebouwen die één- en tweeschepigheid of twee- en drieschepigheid combineren (H. Hiddink, pers.meded.). Sommige variaties op bouwschema’s kunnen zelfs vrij lokaal genoemd worden. Een voorbeeld hiervan zijn de zgn. steunberen die in Brecht werden gevonden bij de lange zijden van meerdere grote woonstalhuizen. (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004b: 196-235) In het noorden van Antwerpen werd vanaf het begin van de 2de eeuw een evolutie vastgesteld naar alsmaar langere gebouwen en grotere paalkuilen van de middenstaanders. (Delaruelle, Verbeek en De Clercq 2004)
Gebouwen met ‘uitstaande nokstaander’ gevonden in Oostwinkel en aan de Antwerpse Heirweg die te vergelijken zijn met constructies uit Brugge Refuge (Hollevoet & Hillewaert 1998/1999), Brugge Molendorp 3 (Hillewaert 2000) en Merelbeke (De Clercq et al. 2001/2002) lijken een regionale evolutie te reflecteren van volledige tweeschepigheid naar éénschepigheid. Dit gebeurde via een ontdubbeling van de centrale nokpalen. Later werden de nokpalen in de korte wand minder zwaar en kwamen er meer dragende palen. De evolutie naar éénschepigheid, vaak samen met het ontstaan van ondiepe stalgedeelten, deed zich in het noordelijk zandgebied al voor in de Flavische tijd (De Clercq, In ’t Ven, Hollevoet 2005) en werd ook vastgesteld voor de regio tussen Leie en Schelde. (Vermeulen 1992, 200-201) De eenbeukigheid lijkt een basiskenmerk te zijn voor de gebouwen in West- en Oost-Vlaanderen; tweebeukigheid voor de constructies in Noord-Brabant. Aan de Maaskant is zelfs een gedeeltelijk driebeukige indeling op te merken (Delaruelle, Verbeek en De Clercq 2004). Ook Vermeulen (1992, 204) stelt vast dat de houtbouwtraditie van één- en tweeschepige constructies grosso modo door de Rijn en het Helinium wordt gescheiden van de regio waar overwegend drieschepige woonstalhuizen voorkomen.
De regionale variatie kan eventueel aanleiding geven tot een verdere differentiatie in de gebouwtypologie en de aflijning van een nieuw gebouwtype indien dit in voldoende mate werd vastgesteld. Zo werd in het Gentse en Brugse herhaaldelijk vastgesteld dat de evolutie naar éénbeukigheid zich opvallend genoeg doorzette door kruisvormige configuraties te maken van zware palen met steeds één zware wandpaal in het midden van de korte zijden en één, twee of drie zware dragende palen voor de gebinten in de lange zijde. De centrale nokpalen werden dus als het ware “ontdubbeld”. De evolutie naar éénschepigheid valt vaak samen met het ontstaan van ondiepe stalgedeelten (potstal) en deed zich in het noordelijk zandgebied al voor in de Flavische tijd (De Clercq, In ’t Ven, Hollevoet 2005) en werd ook vastgesteld voor de regio tussen Leie en Schelde. (Vermeulen 1992, 200-201) (De Clercq 2003, 167-169) Omtrent de exacte reconstructie voor dit bouwschema bestaat nog onduidelijkheid. Immers, enkele configuraties suggereren ondubbelzinnig dat de zware nokdragende palen aan de korte zijden soms buiten het eigenlijke huis stonden; de kleine wanddragende paaltjes van de korte zijden situeerden zich immers niet in dezelfde lijn als de nokpaal maar op duidelijke afstand ervan en binnenwaarts het huis gelegen. In één huis uit Knesselare werd er zelfs nog een kleine aanbouw gezet die de vrijstaande nokpaal met de korte wand van het huis verbond (De Clercq & Thoen 1998; 54). Gebouwen van dit type met “kruisvormige krachtenverdeling” werden ondermeer frequent gevonden op de zandgronden rond Brugge (Hollevoet & Hillewaert 1997/1998 (2002); Hillewaert 1996; 1997; Hollevoet 1999/2000(2002)) en Gent zoals te Merelbeke (De Clercq et al. 2001/2002), Zomergem (De Clercq & Thoen 1998) Oostwinkel (De Clercq & Kneuvels 1998; De Clercq 2005) en Sint-Denijs-Westrem. (Hoorne et al. 2008) Het werd recent herkend op leemgrond in Velzeke (Deschieter 2003), Erembodegem (M. Vandevijver & W. De Maeyer, pers. meded.), Houtem (In ’t Ven et al 2005c) en zelfs als bijgebouwtype op twee villadomeinen in de Condroz. (Van Ossel & Defgnée 2001; Lefert 2002; 2006)
Een derde gebouwtype in hout dat in Vlaanderen wel eens aangetroffen werd is het zgn. ligbalktype waarbij een houtskelet voor vakwerkbouw op de horizontale, van inkepingen voorziene ligbalken werd gemonteerd. Dit bouwschema lijkt vooral populair geweest te zijn in militaire context maar werd in Grobbendonk (De Boe 1984; 1988) ook in civiel milieu gevonden. In Menen (Dhaeze & Verbrugghe 2007, 55-60) werden zeer recent dergelijke ligbalken overigens als hergebruikt en weggegooid hout in een waterput van een boerderij in inheemse traditie aangetroffen, wat er zou kunnen op wijzen dat deze zeer ondiep gefundeerde bouwtechniek wel eens vaker werd aangewend in civiel milieu dan gedacht maar helaas weinig sporen nalaat in de grond.
Daarnaast komen ook enkele uitzonderlijke gebouwtypen voor. Terwijl de woongebouwen meestal tweebeukig zijn, werd in Eke-molen een klein éénschepig gebouw uit de 2de eeuw opgegraven met wandgreppel met rechthoekig grondplan en ingang in de korte zijden (Rogge & Vermeulen 1983; Vermeulen 1992: 197-198), wat volgens F. Vermeulen een voortzetting is van een IJzertijd-traditie. Sinds zijn opgraving werd dit gebouwtype niet meer aangetroffen op een andere locatie in Vlaanderen maar wel veel noordelijker, in Tiel. (Heeren 2007, 237-239) In de vicus Kruishoutem werd een houtskeletbouwstijl opgemerkt uit de Claudische tijd. Deze stijl omvat één- en tweeschepige constructies met dakdragende wandpalen die soms een houten kelder of grote kelderkuilen in de westelijke helft van de binnenruimte vertonen. (Vermeulen 1992, 201, 204) Volgens F. Vermeulen sluit deze stijl aan bij de vroeg-Romeinse houtarchitectuur vastgesteld in sommige Noordgallische burgerlijke en militaire vici. In Aalter kwam een driebeukig gebouw uit de 3de eeuw aan het licht (De Clercq & Mortier 2001, 152) dat ook geen parallellen kent in Vlaanderen.
Een bijzonder aspect van de woonstalhuizen op de zandgronden van Zuid-Nederland, de Kempen en de regio tussen Brugge en Gent is het voorkomen van verdiepte staldelen, ook wel potstallen genoemd. Omtrent de terminologie en tafonomie van deze structuren bestaat onduidelijkheid. Het zou enerzijds kunnen gaan om een éénmalig gegraven kuil. Een “potstal” zoals die tot in subrecente tijden in de Kempen nog steeds in gebruik was, werd immers intentioneel uitgegraven om er nadien gestoken grasplaggen in te leggen. Bedoeling was om de stalmest te absorberen en die vervolgens als bemesting te gebruiken op de akkers. Een tweede interpretatie ziet het tot stand komen van deze grondsporen eerder als een geleidelijk proces waarbij door het herhaaldelijk uitmesten steeds meer grond werd meegeschept waardoor uiteindelijk een steeds diepere kuil ontstond. Wat ook de ontstaansredenen moge zijn, feit is dat in beide scenario’s het een staldeel betreft en we wensen de termen potstal en verdiept staldeel beiden dan ook in die zin te gebruiken.
Het Alphen-Ekeren huis uit Ekeren “De Wilgenhoeve” dat Ibens (1976) publiceerde is het eerste in Vlaanderen waarin een dergelijke potstal werd herkend. Later werden ze aangetroffen in Oelegem (De Boe & Lauwers 1980), Donk (Van Impe 1983), Brugge (Hollevoet & Hillewaert 1997/1998 (2001), Nieuwkerken (Van Roeyen 1998b); Sint-Gillis-Waas (Van Hove 1998; Vermeulen et al. 1998; Vermeulen 2001); Merelbeke (De Clercq et al. 2001/2), Beernem (Y. Hollevoet pers. com.), Brecht (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004, 196-235), Wijnegem (Annaert 1995; Cuyt 2007, 205-207), Ekeren (Bellens 2006), Berlare (De Clercq et al. 2005), Kruibeke (Van Vaerenberg, Van Roeyen en Van Hove 2007), Kluizen (Laloo et al. 2008), Sint-Denijs-Westrem (Hoorne et al. 2008), Sint-Martens-Latem (Vermeulen 1989, 41-43, maar daar niet alsdusdanig herkend), Merelbeke (site Dijsegem: info W. De Clercq), Aalter (info W De Clercq) en mogelijk Damme. (In ’t Ven et al. 2005b, 48)
Men treft deze structuren meestal aan als rechthoekige of afgerond rechthoekige, sterk humeuze vlekken die oorspronkelijk tot ca 1m diep onder loopvlak konden uitgegraven zijn. Ze tekenen zich doorgaans af in het noordelijk of noordoostelijke deel van het huis, weg dus van de overheersende windrichtingen en tegen de koudste windrichting aan. De functie staat niet meer ter discussie, alhoewel men ooit zelfs sprak van “vertrappelde grond” of “loopvlak” (Vermeulen 1989, 41-43) of, “ingegraven kamer of stal” (Van Impe et al. 1992: 561). Dat het hier staldelen betreft hoeft echter weinig betoog meer. Onderzoek van twee potstallen uit Brecht maakte duidelijk dat er vee in stond, o.a. door de hoge concentraties aan fosfor en schimmels die respectievelijk op mest en op grasplaggen wijzen (Langohr, Mikkelsen & Vansweefelt 2004). Soms zijn de wanden van het huis rond de potstal zelfs extra stevig gemaakt of bakenden enkele paaltjes de scheiding tussen de ruimten voor mens en dier af. De potstal van Merelbeke werd door een grachtje gedraineerd. (De Clercq et al. 2001/2)
Hoger werd al gewezen op het gebruik van houtskeletbouw op ligbalken in militaire en civiele context. In het Romeinse castellum van Oudenburg bleef de binnenbebouwing gedurende de gehele occupatieperiode van ca. 200 tot begin 5de eeuw na Chr. in hoofdzaak uit houtbouw vervaardigd. Voor het optrekken van de gebouwen werden drie constructietechnieken aangewend. De constructie met paalkuilen lijkt maar sporadisch aangewend. De meest gebruikte methode is deze met standgreppels waarin palen werden geheid. Onder andere het valetudinarium uit de tweede fortperiode werd met een funderingstechniek van standgreppels met liggers gebouwd (Vanhoutte 2007) De afwezigheid van wandgreppels of paalkuilen rond afgelijnde zones kan mogelijk verklaard worden door het gebruik van niet ingegraven liggers. De grote hoeveelheid dakpanfragmenten wijst op pannendaken en de fragmenten vensterglas op de aanwezigheid van kleine glasvensters. (Vanhoutte 2007) Steenbouw was vermoedelijk enkel voorbehouden voor de officiële gebouwen, zoals de steenbouw uit de latere 3de eeuw aangetroffen in het noordelijk deel van het fort dat opgetrokken was in Doornikse kalksteen en hetzelfde metselwerk vertoonde als de verdedigingsmuur. (Mertens 1979, 463; Vanhoutte 2007) Tot de laatste fortperiode uit de 4de eeuw behoort een hypocaustumvloer die onderdeel moet geweest zijn van een stenen badhuis met lineair grondplan. (Vanhoutte 2007) In het castellum van Maldegem bestonden de barakken uit gewone houtskeletbouw. (oa Thoen 1991) Het betrof voor het opgegraven deel twee éénschepige barakken van 33 op 6.5m en één zgn. dubbelbarak, bestaande uit een één- en tweeschepige constructie van telkens 33m lang. Een doorgang tussen beide bevond zich in het midden van de lange zijden. Het betreft wellicht een stal- en voederopslagplaats voor paarden. Recent onderzoek van de opgravingsplannen bracht nog twee bijkomende barakken en enkele centraal gelegen gebouwen aan het licht. (Dhaeze, in voorbereiding) De toegangspoort van het castellum bestond uit een zware houten constructie van het type portae cum turribus. Twee van dergelijke poorttorengebouwen kwamen ook aan het licht in de gepalissadeerde versterking van Knesselare-Kouter. (De Clercq, Hoorne & Van Hee 2006a,b; De Clercq, Hoorne & Van Hee 2007) Ook de landelijke nederzetting van Destelbergen-Eenbeekeinde zou een palissade en toegangspoort gehad hebben (De Laet, Thoen & Bourgeois 1986, 20); plannen ervan werden echter nooit gepubliceerd.
Voor een idee van de weinig bekende landelijke architectuur uit de laatromeinse periode is men vooral aangewezen op het synthesewerk van Van Ossel (1992). P. Van Ossel geeft een oplijsting van rurale sites uit de laatromeinse periode in Noord-Gallië. Het repertorium dat sites uit Duitsland, België, Frankrijk, Groothertogdom Luxemburg en Nederland omvat, werd geanalyseerd op chronologie, uitzicht en aard, geografische verspreiding, architecturale kenmerken en ambachtelijke activiteiten. Voor Vlaanderen geeft de auteur de sites Donk, Neerharen-Rekem, Asper, Sint-Martens-Latem en Kerkhove-Avelgem op. Wat betreft de physionomie van de gebouwen van deze sites kan algemeen voor Vlaanderen een verarming en regressie vastgesteld worden ten opzichte van de eeuwen ervoor. In Donk werd het merendeel van de houtbouw uit het Hoge Keizerrijk verlaten en bestond de aangetroffen 4de-eeuwse occupatie uit enkele hutkommen, een gedeeltelijke renovatie van een ouder gebouw en de uitgraving van een kuil op de plaats van een oudere potstal. In Neerharen-Rekem werden alle gebouwen van de oudere villa opgeheven en omvatte de aangetroffen bewoning 30 hutkommen van het type met 6 posten (Wandpfostenhaus) variërend van 2,9 op 2,4 m tot 4,8 op 3,6 m, de meeste per 2 gegroepeerd en enkele houten constructies naast de oudere gebouwen. Een grote rechthoekige constructie werd aangetroffen van 29 op 8 m met 2 zijgangen dat een driebeukig gedeelte en een kleiner tweebeukig gedeelte omvat. Een tweede constructie is een kleiner éénbeukig gebouw van 10 op 7 m, met paalfunderingen gemaakt met dakpannen. Verder werden nog twee 6-postenconstructies onderscheiden. Voor wat de site van Asper betreft, dateert een kleine houtbouw van ca. 6 op 6 m tot de tweede helft van de 4de eeuw. In Sint-Martens-Latem verschijnen twee hutkommen in de plaats van een oudere bewoning. De hutkommen uit Neerharen-Rekem, Donk en Sint-Martens-Latem zijn van de twee klassieke types: hetzij de Giebelpfostenhaüser (met twee palen op de korte zijden), hetzij de Wandpfostenhaüser (met drie palen op de korte zijden) (Van Ossel 1992, 97). De vondst van enkele grote tweedelige structuren in Neerharen-Rekem toont aan dat hutkommen niet de enige bewoning vormden in de tweede helft van de 4de eeuw – 5de eeuw, maar dat er ook constructies waren die doen denken aan de grote woonstalhuizen die bekend zijn ten noorden van de Rijn.
Lange tijd lijkt het belang van de provinciaal-Romeinse beeldhouwkunst in steen of metaal in onze streken onderschat te zijn. Gezien het geringe aantal fragmenten dat de voorbije jaren aan het licht gekomen is, is dat niet verwonderlijk. Anderzijds weten we van elders dat in centra als legerplaatsen, provincie- en civitashoofdplaatsen complexe iconografische programma's werden uitgevoerd. (bijv. Von Hesberg 1991) Inmiddels is ook duidelijk dat dit al in de Augusteïsche tijd startte, zoals bleek uit de fundamenten op het forum van Waldgirmes en de fragmenten van een levensgroot verguld ruiterbeeld aldaar (Von Schnurbein 2002 en 2003) of uit de resten van de monumenten voor Gaius en Lucius Caesar die in diverse, ook Noord-Gallische civitashoofdplaatsen werden opgericht. (Heinen 1984; Vassileiou 1982) Initiatieven konden uitgaan van de keizer, van militaire en civiele bestuurders of van de lokale aristocratie. Cultusplaatsen, of ze nu voor officiële of voor private doeleinden werden opgericht, werden in de loop der jaren verzamelplaatsen van beelden en gesculpteerde wijaltaren. Beeldhouwwerk voldeed ook in behoeften die in de private levenssfeer te situeren zijn, als statussymbool, met religieuze functies of als onderdeel van het grafbestel.
Hoe relatief gering in aantal de sculptuurfragmenten uit onze streken ook mogen zijn, hun verspreiding over vrijwel het gehele grondgebied en alle types van vindplaatsen toont aan dat ze in de oudheid letterlijk een beeldbepalende invloed hebben gehad. Beeldhouwwerk komt in kleine aantallen voor in kleinere of minder belangrijke nederzettingen, in grotere aantallen in grote en belangrijke nederzettingen of in grote aantallen op plekken waar secundair verplaatst materiaal geconcentreerd ligt, hetzij door natuurlijke processen, zoals bijv. de altaren voor de godin Nehalennia te Colijnsplaat (Stuart & Bogaers 2001), hetzij door de mens veroorzaakt, zoals de hergebruikte fragmenten te Buzenol (Mariën 1943-1944; Mertens 1958) en Arlon (Lefebvre 1975; Mariën 1945; Mertens 1967) of het materiaal dat in grote aantallen aan de Maasbrug van Maastricht is aangetroffen. (Panhuysen 1996) Vindplaatsen van dit laatste type zijn in onze streken vooralsnog niet bekend. Wel heeft de Romeinse stad Tongeren in de loop der jaren als grote nederzetting een hoeveelheid sculptuurfragmenten opgeleverd. Deze fragmenten bevinden zich over vele vindplaatsen in de stad verspreid. Doorgaans gaat het om geïsoleerde vondsten. In 1977 verscheen een verspreidingskaart van de toenmalig bekende stukken. (Mertens 1977) Tweemaal zijn grotere aantallen aan het licht gekomen, een eerste maal aan de tempel in de noordelijke periferie van de stad (Bauchens 1974; Cahen-Delhaye 1979; Cahen-Delhaye & Smeesters 1981; Mertens 1980a, 1982 en 2000; Mertens & De Boe 1982; Noelke 1981) en een tweede maal tijdens de opgravingen in de O.L.V.-basiliek (Arts e.a. 2006a, 2006b, 2007 en 2008; Van den Hove 2006; Van den Hove e.a. 2002). Geïsoleerde fragmenten van beelden in steen of brons werden de voorbije jaren gemeld te Belsele (Dewulf 1971), Bree (Faider-Feytmans 1979), Eisden (Aerts 2003, 118-132), Grobbendonk (Mertens 1972), Oudenburg (Dhaeze 2008), Stokkem (Mertens 1974; Roosens 1969), Tienen (De Clerck 1983; Martens e.a. 2002) en Vliermaal-Zammelen (Bogaers 1971). Een aparte categorie vormen de bronzen beeldjes, die naar hun functie eerder vergelijkbaar zijn met de terra cotta-beeldjes. Nieuwe vondsten werden gemeld voor Eke-Semmerzake (Vermeulen & Bauters 1988), Kortrijk (Vierin 1971), Kruishoutem (Parent 1986a en 1986b; Rogge & Braeckman 1996; Rogge e.a. 1995; Vermeulen & Rogge 1991 en 1993; Vermeulen e.a. 1993), Oudenburg (Hollevoet 1986), Ronse (Cambier 1966-67; Deconinck 1968; Mertens 1966). Een bespreking van een deel van dit materiaal vindt men bij Swennen (2002)
Samengevoegd met de oudere vondsten moet het mogelijk zijn met het beschikbare bestand aan sculptuurfragmenten een overzicht te krijgen van de diverse aspecten van de samenleving die deze materiaalcategorie kan belichten:
Aerts Th. 2003: Feresne langs de heerbaan, Borgerhout.
Bauchens G. 1974: Zur Entstehung der Jupitergigantensäulen. Archäologisches Korrespondenzblatt 4, 359-364.
Bogaers J.E. 1971: Vliermaal-Zammelen: een aan Juppiter gewijd monument. Archeologie, 1971, 1, 19-20.
Cahen-Delhaye A. 1979: Le cavalier aux géants anguipèdes et trois autres statues gallo-romaines de Tongres, Archaeologia Belgica 219, Brussel.
Cahen-Delhaye A. & Smeesters J. 1981: Tongeren: Romeins beeldhouwwerk. Archaeologicum Belgii Speculum XII, Brussel.
Cambier A. 1966-67: De laatste opgravingen onder en rond de St. Hermeskerk. Annalen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Ronse 15, 153-182.
De Boe G. 1981: Hout- en steenbouw in het oosten van het Romeinse Tongeren. Conspectus MCMLXXX, Archaeologia Belgica 238, Brussel, 32-36.
De Clerck M. 1983: Vicus Tienen. Eerste resultaten van een systematisch onderzoek naar een Romeins verleden, Tienen.
Deconinck J. 1968: Vondsten in de St. Hermeskerk te Ronse. Annalen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Ronse 17, 65-70.
Despriet P. 1984: Bronzen Gallo-Romeinse beeldjes. In: Despriet P. (ed.), Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen. Resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen. Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk, 43-45.
Dewulf M. 1971: Stelt de gelauwerde marmeren kop van Belsele de beeltenis voor van een Menapische gladiator of van een dito sportman, Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas 74, 1-2, 9-23.
Dhaeze W. 2008: In het land van de Menapiërs, Zeeuws Tijdschrift 2008, 3-4, 35-44.
Faider-Feytmans G. 1979: Le Jupiter “de Bree” (Limbourg, Belgique). In: S.N. (ed.), Bronzes hellenistiques et romains. Tradition et renouveau. Actes du Ve colloque international sur les bronzes antiques, Lausanne, 8-13 mai 1978, Cahiers d’Archéologie Romande 17, 181-184.
Ferris I. 2007: A severed head. Prolegomena to a study of the fragmented body in Roman archaeology and art. In: Hingley R. & Willis S (eds), Roman finds. Context and theory, Oxford, 116-127.
Heinen H. 1984: Augustus in Gallien und die Anfänge des römischen Trier. In: Trier. Augustusstadt der Treverer. Stadt und Land in vor- und frührömischer Zeit, Mainz.
Hollevoet Y. 1986: Een bronzen Mercuriusbeeldje uit Oudenburg, Westvlaamse Archaeologica 2, 3, 77-79.
Koegler K. 1988: Een zeskantige sokkel in Tongeren, Onuitgegeven scriptie Rijks Universiteit Leiden, Leiden.
Lefebvre L. 1975: Les sculptures gallo-romaines du Musée d’Arlon, Extrait du Bulletin de l’Institut Archéologique du Luxembourg.
Mariën M.E. 1943-1944: Les monuments funéraires de Buzenol, Extrait du Bulletin des Musées d’Art et d’Histoire.
Mariën M.E. 1945: Les monuments funéraires de l’Arlon romain, Annales de l’Institut Archéologique du Luxembourg 76.
Martens M., Hanut F., Ervynck A., Lentacker A., Cosyns P., Van Heesch J. & Debeenhouwer J. 2002: Ensemble détritique ou contexte cultuel? Etude du matériel archéologique et des restes fauniques d’une grande fosse (S 082) du vicus de Tirlemont (Tienen, Belgique), Revue du Nord 348, 43-89.
Mertens J. 1958: Sculptures romaines de Buzenol, Archaeologia Belgica 42, Bruxelles.
Mertens J. 1966: Ronse (O.-Vl.): romeins beeldhouwwerk, Archeologie, 1966, 2, 72.
Mertens J. 1967: Nouvelles sculptures romaines d’Arlon, Archaeologia Belgica 103, Bruxelles.
Mertens J. 1972: Grobbendonk: Romeins tempelcomplex, Archeologie 1972, 1, 22-23.
Mertens J. 1974: Stokkem. In: Bogaers J.E. & Rüger C.B. (eds.), Der niedergermanische Limes, Kunst und Altertum am Rhein 50, Köln, 152-153.
Mertens J. 1977: Korte bijdrage tot het Romeins stadsplan van Tongeren. In: Brabantse Oudheden opgedragen aan Gerrit Beex, Bijdragen tot de Studie van het Brabantse Heem XVI, Eindhoven, 143-148.
Mertens J. 1980: Romeins beeldhouwwerk uit Tongeren, Archeologie 1980, 1, 37.
Mertens J. 1982: Réflexions à propos du “Cavalier aux géants anguipèdes” de Tongres, Revue Archéologique de l’Est et du Centre-Est 33, 47-53.
Mertens J. 2000: Interférences culturelles aux confins des provinces de la Germania Inferior et de la Belgica: Tongres et la sculpture provinciale au IIé siècle. In: Walter H. (ed.), La sculpture d’époque romaine dans le nord, dans l’est des Gaules et dans les régions avoisinantes: acquis et problématiques actuelles. Actes du colloque international qui s’est déroulé à Besançon les 12, 13 et 14 mars 1998, à l’initiative des Universités de Franche-Comté et de Bourgogne, Collection Annales Littéraires 694, Art et Archéologie 45, Paris, 35-48.
Mertens J. & De Boe G. 1982: Le cavalier aux géants et autres colonnes de Jupiter., Archeologie 1982, 1, 48-49.
Noelke P. 1981: Die Jupitersäulen und -pfeiler in der römischen Provinz Germania Inferior, Beiheft der Bonner Jahrbücher 41, Köln-Bonn.
Panhuysen T.A.S.M. 1996: Romeins Maastricht en zijn beelden. Een wetenschappelijke proeve op het gebied van de letteren, Corpus Signorum Imperii Romani. Corpus van de Romeinse Beeldhouwkunst. Nederland – Germania Inferior – Maastricht, Maastricht – Assen.
Parent J.-P. 1986: Kruishoutem (O.-Vl.): Romeinse bronzen beeldjes, Archeologie 1986, 2, 109-111.
Parent J.-P. 1986: Romeinse bronzen beeldjes te Kruishoutem, VOBOV-info 22-23, 9-10.
Rogge M. & Braeckman K. 1996: Kruishoutem-Kapellekouter: cultusplaats en woonsite vanaf de Romeinse tijd tot in de Middeleeuwen ca. midden 1ste eeuw - Late Middeleeuwen. In: Van Roeyen J.-P. (ed.), Uit Vlaamse bodem. 10 archeologische verhalen. Sint-Niklaas: 88-102.
Rogge M., Vermeulen F. & Moens L. 1995: Ein Bemerkenswerter fund Römischer Bronzestatuetten aus Kruishoutem (Ostflandern), Archäologisches Korrespondenzblatt 25, 193-207.
Roosens H. 1969: Stokkem: Romeinse bouwfragmenten, Archeologie 1969, 2, 84-86.
Stuart P. & Bogaers J.E. 2001: Nehalennia: römische Steindenkmäler aus der Oosterschelde bei Colijnsplaat, Corpus Signorum Imperii Romani 2, Collection of the National Museum of Antiquities of Leiden 11, Germania Inferior 2, Leiden.
Swennen B. 2002: Bronzen en terracotta godenbeeldjes gevonden in de civitas Tungrorum, Licentiaatsverhandeling RUG, Gent.
Vanderhoeven A., Nouwen R. & Vynckier G. 1992: Tongeren. In: Willems W.J.H. (ed.), Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn, Kunst und Altertum am Rhein 136, Mainz, 387-402.
Vassileiou A. 1982: La dédicace d’un monument de Reims élevé zn l’honeur de Gaius et Lucius Caesar, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 47, 119-130.
Vermeulen F. & Bauters L. 1988: Een Gallo-Romeins beeldje uit Eke-Semmerzake, VOBOV-info 31, 1-6.
Vermeulen F. & Rogge M. 1991: Kruishoutem-Kapellekouter. Van Romeinse Heiligdom tot Roomse bidplaats? Gentse Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde XXIX (1990-1991), 41-56.
Vermeulen F. & Rogge M. 1993: De Gallo-Romeinse vicus. In: Vermeulen F., M. R. & Van Durme L. (eds.), Terug naar de bron. Kruishoutem archeologisch doorgelicht, Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone Reeks 2, Gent, 115-130.
Vermeulen F., Rogge M. & Van Durme L. (eds.) 1993: Terug naar de bron. Kruishoutem archeologisch doorgelicht, Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone Reeks 2, Gent.
Vierin J. 1971: Témoignages sur la découverte de la "Vénus de Courtrai", Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk NR XXXVIII, 236-238.
Von Hesberg H. 1991: Die Monumentalisierung der Städte in den nordwestlichen Provinzen zu Beginn der Kaiserzeit. In: Eck W. & Galsterer H. (eds), Die Stadt in Oberitalien und in den nordwestlichen Provinzen des Römischen Reiches. Deutsch-Italienisches Kolloquium im intalienischen Kulturinstitut Köln, Kölner Forschungen 4, Köln, 179-199.
Von Schnurbein S. 2002: Augustus in Germanien. Neue archäologische Forschungen, Vierentwintigste Kroonvoordracht, Amsterdam.
Von Schnurbein S. 2003: Augustus in Germania and his new ‘town’ at Waldgirmes east of the Rhine, Journal of Roman Archaeology 16, 93 e.v.
Wemans G. 1998: De opgravingen in het Grijpenveld te Tienen, Ons Landens Erfdeel 21, 54, 21-24.
Op heel wat Romeinse sites in Vlaanderen worden beschilderde pleisterfragmenten aangetroffen. Muurschilderingen komen zowel op militaire als op burgerlijke sites voor en worden daar in contexten van zowel publieke als private bouwwerken aangetroffen. In Tongeren is bovendien de vondst van een vermoedelijk laat-Romeins beschilderd graf bekend. De overgrote meerderheid van de opgegraven pleisterstukken is echter niet gepubliceerd of wordt maar summier in het opgravingsrapport behandeld. In het meest gunstige geval beperkt men zich tot een opsomming van het aantal fragmenten, de decoratiepatronen en het gebruikte kleurenpalet. Het aantal studies dat uitsluitend aan in Vlaanderen opgegraven Romeinse muurschilderingen gewijd is, is zeer beperkt.
Vanaf de jaren 1980 groeide enige interesse voor deze vondstcategorie. Delplace (1983) maakte het eerste overzichtswerk voor ons land en stelde een catalogus van alle haar tot dan toe uit België bekende fragmenten van muurschilderingen op. Verder werd ook een licentiaatsthesis aan de Gallo-Romeinse wandschilderingen in België gewijd. (Meeus 1986) Niet alleen de muurschilderingen maar ook de gebruikte grondstoffen kregen in de jaren 1980 enige aandacht. Een selectie van Romeins mortel, pleister en vloerbeton werd in het kader van een licentiaatsverhandeling micromorfologisch onderzocht. (Mestdagh 1990; Mestdagh 1991) Ondermeer stukken van de Romeinse sites van Oudenburg, Wenduine, Kruishoutem, Kerkhove, Kooigem, Tiegem, Belsele en Tielrode werden in deze verhandeling geanalyseerd.
In 1988 deden Van Dierendonck, Swinkels, De Kind en De Mol een voorstel tot systematische beschrijving en studie van de Romeinse muurschilderingen in Noordwest-Europa, en tot onderzoek van deze vondsten in relatie tot hun archeologische, chronologische en geografische context. (Van Dierendonck e.a. 1991) Het voorstel concentreerde zich vooral op 1ste-eeuwse muurschilderingen. De doelstelling was te komen tot inzicht in alle aspecten van het voorkomen en de verspreiding van muurschilderingen en in de invloed van de Romeinse cultuur en maatschappij in de noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk. In 1990 waren binnen dit project voor het Belgische grondgebied de pleistervondsten van 130 Belgische vindplaatsen geïnventariseerd, waarbij de aard van één derde van de vindplaatsen ongekend was. Van 90 Belgische sites werd in de literatuur vaak alleen de aanwezigheid van muurschilderingen vastgesteld, zonder in te gaan op het decoratiesysteem.
In 1993 werd een iets meer uitvoerige bespreking van het decoratieschema van een aantal aan de Veemarkt te Tongeren gevonden ensembles gepubliceerd. Wegens tijdsgebrek kon daar echter geen systematische beschrijving en reconstructie in opgenomen worden. (Van Dierendonck 1993) Het betrof twee paneeldecoraties, het voor onze streken meest karakteristieke decoratiepatroon. Een eerste interdisciplinaire aanpak werd in 2001 op een ensemble van bijna 1300 fragmenten uit een kuil van de villa van Hoegaarden-Goudberg toegepast. (Cleeren 2001) Hierbij werd een macroscopische en microscopische analyse uitgevoerd om tot een karakterisering van de gebruikte materialen (mortel, pigmenten) en technieken te komen, in combinatie met een typologisch onderzoek naar het decoratiepatroon. Ook hier leverde de reconstructie van de pleisterwanden een paneeldecoratie op.
Twee uitzonderlijk grote vondstcomplexen die de voorbije jaren aan het licht zijn gekomen verdienen hier bijzondere aandacht. Het betreft materiaal uit Tongeren en Oudenburg. In beide gevallen gaat het om vele tienduizenden fragmenten. Ze zijn daarmee de grootste vondstensembles van hun soort in Vlaanderen.
Tijdens de opgravingen die sinds het midden van de jaren 1990 tot heden in de O.L.V.-basiliek van Tongeren werden uitgevoerd zijn grote aantallen Romeinse muurschilderingen geborgen. Ze maken deel uit van een grote domus die vanaf het einde van de 1ste eeuw tot in de tweede helft van de 3de eeuw bewoond was. De stadswoning heeft diverse verbouwingsfasen gekend en is ook tweemaal afgebrand. Van alle bewoningsfasen zijn muurschilderingen bewaard gebleven. Soms bevonden ze zich nog in situ op de muren, soms waren de wanden omgevallen en werden ze als puinlaag aangetroffen. In een aantal gevallen ging het om deposities van grote aantallen fragmenten, afkomstig van eenzelfde muur. Tot slot werden nog talloze geïsoleerde stukken geborgen. Van de bergingswerken van dit materiaal verscheen een aantal rapporten. (Groetembril, Allonsius & Guilbaud 2005; Groetembril & Amadei 2005; Groetembril et al. 2006; Groetembril & Allonsius 2007; Groetembril & Laken 2007; Groetembril & Laken 2007; Groetembril, Pedroso & Laken 2007) De restauratie, reconstructie en studie van de wanddecoraties moeten echter nog plaatsvinden. Op dit ogenblik wordt een poging ondernomen een restauratiesubsidie te verkrijgen voor dit uitzonderlijk complex. Door de complexe stratigrafie van de site kan de uitwerking ervan immers belangrijke inzichten in de chronologische evolutie van Romeinse interieurdecoraties in onze streken opleveren.
Tijdens de opgravingscampagne van 2001-2005 op de zuidwesthoek van het Romeinse castellum in Oudenburg werden de restanten gevonden van een groot gebouwencomplex uit de eerste helft van de 3de eeuw dat vermoedelijk dienst deed als valetudinarium of militair hospitaal. (Vanhoutte 2007) Het gebouw was uitgerust met beschilderde pleisterwanden met paneeldecoratie. De collectie van enkele tienduizenden pleisterfragmenten wordt momenteel gereinigd en geïnventariseerd. Ook hier worden de mogelijkheden onderzocht voor een grondige studie. Chronologisch is dit materiaal een belangrijke aanvulling van het gepubliceerde materiaal van het nabijgelegen Aardenburg. (Van Dierendonck & Swinkels 1983; Van Dierendonck 1987)
De voorbije decennia zijn op andere opgravingsterreinen in Tongeren nog talrijke collecties van beschilderde pleisterfragmenten geborgen, naargelang de site variërend van enkele tientallen tot vele duizenden fragmenten. Ze dekken vrijwel de gehele Romeinse periode, van de eerste helft van de 1ste eeuw tot de 4de eeuw. Daar deze opgravingen nooit het stadium van een publicatie gehaald hebben, ligt het materiaal op dit ogenblik onbestudeerd in de vondstdepots. Het verdient echter een gedegen studie, met aandacht voor de chronologische en ruimtelijke spreiding en alle mogelijke aspecten van productie en consumptie, zodat de Romeinse stad Tongeren in dat opzicht vergelijkbaar kan worden met de naburige Rijnlandse civitashoofdplaatsen als Xanten (Jansen e.a. 2001) en Keulen (Thomas 1993 en 2004), of met de Noordfranse steden als Bavay (Groetembril & Thollard 1999; Vibert-Guigue 2005), Reims (Allag 2007), Soissons (Defente 1987 en 1991; Allag 2007) en Metz (Heckenbenner & Perichon 1987), waarvan de voorbije jaren wel studies van muurschilderingen zijn verschenen. Op dit ogenblik is één Tongers ensemble van het Vrijthof geïnventariseerd en grotendeels uitgewerkt, maar nog niet gepubliceerd.
Daarnaast hebben we weet van talrijke grotere en kleinere complexen van muurschilderingen uit vici, villae en de overige verspreide landelijke bewoning. Een onbekend aantal is niet in de literatuur vermeld, van een aantal bestaat enkel een vondstmelding en van een beperkt aantal hebben we een korte beschrijving. Zo kunnen we melding maken van vondsten te Belsele-Waas (Bourgeois & Thoen 1986), Hoegaarden-De Kluis (Meurrens 1981, 24 en Meurrens & Claes 1881, 85 en afb. 2.52), Hoegaarden-Goudberg (Maes e.a. 1999; Cleeren 2001), Kruishoutem (Rogge 1982), Kumtich (Cramers 1984, 128 en pl. III), Leest (De Boe 1983 en De Cock 1985), Nevele (De Clercq & Thoen 1997, 17-109 en fig. 3,14 en De Clercq e.a. 1998), Muizen (De Cock 1987 en De Cock & Hombroux 1984, 16-17), Sint-Lievens-Esse (De Swaef 1983), Tiegem (De Cock 1988, 78-79), Vechmaal-Middelpadveld (Vanvinckenroye 1997, 191), Velzeke (Deschieter & De Mulder 2005), Wange (Lodewijckx 1991, 46 en 1996, 212) en Zegelsem-Brakel. (Rogge 1984) Willen we inzicht krijgen in de sociale en culturele betekenis van de muurschilderingen in Romeins Vlaanderen, dan zal een uitbreiding van de in 1991 door Vandierendonck e.a. voorgestelde studie nodig zijn (Van Dierendonck e.a. 1991). Los van het nog relatief bescheiden ensemble van Hoegaarden-Goudberg (Cleeren 2001) ontbreken vooralsnog uitgewerkte ensembles, vergelijkbaar met nabijgelegen, maar buiten Vlaanderen gelegen, recent verwerkte complexen als Champion (Delplace & Van Ossel 1987: Delplace 1991-1992), Kerkrade (Laken 2005), Maasbracht (Swinkels 1987; Van Dierendonck e.a. 1987) of Vichten (Krier 2002; Groetembril 2002; Pedroso & Zaccaria 2002). Een regionale studie als bijv. door Gogräfe (1999) voor het noordelijke deel van Germania Superior werd uitgevoerd, ontbreekt eveneens. Het is op dit ogenblik dan ook niet geweten hoe de Vlaamse regio bij de beter gedocumenteerde aangrenzende gebieden aansluit (zie bijv. het ogenschijnlijk lege gebied in de overzichtskaarten van Barbet. (1987)
Tot slot kennen we uit Tongeren één beschilderd, waarschijnlijk laat-Romeins graf. Het betreft een 19de-eeuwse vondst die lange tijd in een Luiks museum bewaard werd, maar recent naar Tongeren is teruggekeerd. Naar aanleiding daarvan is een rapport over deze bijzondere vondst opgesteld. Het Gallo-Romeins Museum van Tongeren plant een uitgebreide publicatie over dit graf.
Werktuigen en grondstoffen voor het aanbrengen van Romeinse muurschilderingen zijn in Vlaanderen afgaande op de literatuur nog maar zelden teruggevonden of herkend. Wel werd aan de Kielenstraat in Tongeren een schaaltje met rode kleurstof in de brandlaag van de Batavenopstand (69/70 n.Chr.) opgegraven. (Vanderhoeven, Vynckier & Vynckier 1991)
Anders dan de muurschilderingen zijn Romeinse mozaïeken tot nu toe in Vlaanderen een zeldzaamheid. Stern (1960) meldt voor de regio maar 10 fragmenten, waarvan een aantal op het ogenblik van zijn inventariseringswerk al weer verloren was gegaan. 20 jaar later kan Darmon (1981) in zijn overzicht geen vooruitgang melden. Sindsdien zijn twee mozaïeken opgegraven. In Kumtich is men erin geslaagd aan de hand van een substantieel aantal fragmenten een vloer uit het badgebouw van een villa te reconstrueren. (Cramers 1984) In 1989 kon in Tongeren een vloer van ca. 3 m x 19 m opgegraven worden. Ongeveer een kwart van de originele decoratie was bewaard gebleven (Vanderhoeven e.a. 1992a; met vondstmeldingen in Vanderhoeven e.a. 1989 en 1990, literatuurmeldingen in Christophe 1990-1991, 163, Blanc-Bijon 1994-1995, 130-131 en Morlier 1999, 134 en besprekingen in Creemers 1999, De Boe & Thoen 1990, Vanderhoeven e.a. 1992b en Mertens 1996). Daarnaast zijn ook enkele losse fragmenten tijdens diverse noodopgravingen aangetroffen. Eén fragment is uit Kortrijk bekend. (Christophe & Stern 1978, 88; De Boe 1975, 227; Mertens 1970, 59) In de vicus van Tienen werd in het puin van een badgebouw een klein aantal fragmenten gevonden. In een fundering van één van de afwateringskanalen bevond zich bovendien nog een groot aantal losse mozaïeksteentjes. (Vanderhoeven e.a. 1997/1998) Recent kwam ook in de O.L.V.-basiliek van Tongeren in een puinlaag van een Romeinse stadswoning een fragment aan het licht. Af en toe wordt de vondst van losse mozaïeksteentjes gemeld.
Dat in onze streken zo weinig mozaïeken zijn gevonden heeft natuurlijk te maken met de zeldzaamheid van dit soort vloeren in de oudheid, maar ook met de eerder geringe schaal waarop hier tot nu toe opgravingswerk wordt uitgevoerd. In de ons omringende provincies zijn ze immers frequent op Romeinse vindplaatsen aanwezig (Stern 1957, 1960 en 1963; Darmon 1981; Ling 1997) Nochtans verdient deze vondstcategorie onze bijzondere aandacht. Ze is immers bijzonder geschikt om sociale en culturele veranderingsprocessen te bestuderen. (Wightmann 1985, 138; Dunbabin 1999, 304-316) Zelfs de vondst van een los fragment of van een individueel steentje heeft daarom bijzondere betekenis. Het is dan ook aangewezen tijdens de opgraving bijzonder alert te zijn voor dit soort materiaal en desnoods gericht bouwpuin uit te zeven. Mogelijk loont het ook de moeite in de vondstdepots een systematische zoektocht naar losse steentjes te ondernemen. Ten slotte zou aan de Tongerse mozaïek een grondige studie moeten gewijd worden, met oog voor zowel de technologische als de sociale en culturele aspecten van deze vondst. Recent verschenen Zwitserse studies kunnen daarbij als voorbeeld dienen. (zie bijv. Schmid 1993; Delbarre-Bärtschi S. 2002)
Nog zeldzamer dan mozaïeken zijn fragmenten van wand- of vloerplaten in marmer of andere gesteenten. Welliswaar meldt Mariën (1980) dat fragmenten opus signinum in villa's voorkomen, maar bij het doornemen van de literatuur van de voorbije decennia is alleen voor Kruishouten een vondst vermeld (Rogge 1982). Dit heeft misschien te maken met de eerder kleinschaligheid, waarmee villa's en vici in Vlaanderen tot nu toe zijn onderzocht. In de Romeinse stad Tongeren zijn inmiddels wel substantiële hoeveelheden stenen wand- en vloerdecoratiefragmenten aangetroffen. Op het terrein van de Kielenstraat betreft het zelfs productieafval. Op het terrein van de O.L.V.-basiliek is een aanzienlijk aantal fragmenten in de puinlaag van de vroegmiddeleeuwse kerk weergevonden. Het gaat naar alle waarschijnlijkheid om hergebruikt materiaal uit de laat-Romeinse basilica. Tot slot is er nog de vondst te melden van de hypocaustumvloer in opus signinum van een badhuis in de zuidwesthoek van het Romeins castellum van Oudenburg, ontdekt tijdens het onderzoek 2001-2005. De aangetroffen fragmenten leisteenplaten met restanten van opus signinum zijn vermoedelijk afkomstig van het oorspronkelijk vloerniveau in de badinrichting. (Vanhoutte 2007)
Allag C. 2007: Le décor peint dans les villes du Nord à l’époque romaine: deux exemples. In: Hanoune R. (red.), Les villes romaines du Nord de la Gaule, Revue du Nord. Hors Série. Collection Art et Archéologie 10, Lille, 467-476.
Barbet A. 1987: La diffusion des Ier, IIième et IIIième styles pompéians en Gaule. In: Pictores per provincias, Cahiers d’Archéologie Romande 43 = Aventicum 5, Avenches, 7-27.
Bourgeois J. & Thoen H. (met bijdrage van Gautier A.) 1986: Opgravingen op het “Steenwerk” te Belsele-Waas (1967-1971). Nederzettingssporen uit de late Bronstijd, de IJzertijd en de Romeinse tijd, Bijdragen van de Archeologische Dienst Waasland I. Buitengewone uitgaven van de Koninklijke Oudheidkundige kring van het Land van Waas 19, Sint-Niklaas, 15-101.
Cleeren N. 2001: De Gallo-Romeinse villa van Hoegaarden-Gouberg. Binnenzicht met wandschilderingen. In: Schrijvers A. & Van Impe L. (red.), Op het spoor van het verleden. Archeologie op de hogesnelheidslijn, 107-110.
Cramers D. 1984: Het badgebouw van de villa te Kumtich (Tienen). In: S. Thomas (ed.), Liber amicorum Paul De Walhens. Bijdragen tot de geschiedenis van Tienen, Tienen, 111-138.
De Boe G. 1983: Leest: Romeinse villa, Archeologie 1983, 2, 102.
De Clercq W. & Thoen H. 1997: Archeologie in een serre. Proefopgravingen op een Romeinse steenbouw te Nevele, VOBOV-Info 46, 15-23.
De Clercq W., Deschieter J., Hageman B., Thoen H. & Vermeulen F. 1998: Recent Romeins archeologisch onderzoek in de vallei van de Kale, grondgebied Land van Nevele: sites en structuren. In: Een kijk op het archeologisch verleden van het Land van Nevele. Themanummer, VOBOV-info 47, 28-33.
De Cock S. 1987: Muizen (Antw.), Archeologie 1987, 1, 35.
De Cock S. 1988: Onderzoek van een Gallo-Romeinse villa te Tiegem (gemeente Anzegem). Westvlaamse Archaeologica 4, 3, 76-83.
De Cock S. & Hombroux C. 1984: La-Tène en Romeinse bewoning te Mechelen en te Muizen, Aspecten van de Archeologie in Brabant 1984, 16-19.
Defente D. 1987: Peintures murales romaines de Soissons. In: Pictores per provincias, Cahiers d’Archéologie Romande 43 = Aventicum 5, Avenches, 167-180.
Defente D. 1991: Nouvelles trouvailles au Chateau d’Albatre à Soissons. In: Naumann-Stecker F. & Thomas R. (eds), 4. Internationalen Kolloquium zur römischen Wandmalerei, Köln, 20. – 23. September 1989, Kölner Jahrbuch zu Uhr- und Frühgeschichte 24, 235-253.
Delplace C. 1983: Les peintures romaines en Gaule Belgique, un essai de corpus.
In: Barbet A. (ed.), La peinture murale romaine dans les provinces de L’Empire, journées d’étude de Paris 23-25 septembre 1982, BAR International Series 165, Oxford 1983, 113-140.
Delplace C. 1991-1992: Les décors peints du frigidarium du complexe thermal de la villa gallo-romaine de Champion-Emptinne (Hamois). Note sur la frise de perles et pirouettes, Annales de la Société Archéologique de Namur 67, 257-266.
Delplace C. & Van Ossel P. 1991: Les apports de l’étude des enduits peints à l’architecture du complexe thermal de la villa gallo-romaine de Champion à Emptinne (Namur) en Belgique. In: Naumann-Stecker F. & Thomas R. (eds), 4. Internationalen Kolloquium zur römischen Wandmalerei, Köln, 20. – 23. September 1989, Kölner Jahrbuch zu Uhr- und Frühgeschichte 24, 261-268.
Deschieter J. & De Mulder G. 2005: Het archeologisch onderzoek van de vicus te Velzeke in 2003-2004. Sporen van een baanpost in de zuidoostelijke sector, Handelingen van het Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde XII, 169-218.
De Swaef W. 1983: Sint-Lievens-Esse (O.-Vl.), Archeologie 1983, 2, 111.
Gogräfe R. 1999: Die römische Wand- und Deckenmalerei im nördlichen Obergermanien, Archäologische Forschungen in der Pfalz 2, Neustadt.
Groetembril S. 2002: La restitution du décor complèt, Archeologia 395, 48-51.
Groetembril S., Allonsius C. & Guilbaud C. 2005: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport de fouille, Soissons.
Groetembril S. & Amadei B. 2005: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’intervention, Soissons.
Groetembril S., Laken L., Amadei-Kwifati B., Lemoigne L. & Vibert-Guigue C. 2006: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’étude et de traitement des enduits peint. Ensembles I et II, Soissons.
Groetembril S. & Allonsius C. 2007: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport de fouille. Werkput 27, vlak 11, spoor 143 en vlak 14, spoor 318, Soissons.
Groetembril S. & Laken L. 2007: Tongres, basilique Notre-dame. Limbourg, Belgique. Inventaire des enduits peints entrposés à Soissons et à Tongres, Soissons.
Groetembril S. & Laken L. 2007: De Romeinse muurschilderingen uit de O.L.V.-basiliek te Tongeren: opgraving en reconstructie. In: Bosman A., Corbiau M.-H., De Clercq W. & Hoevenberg J. (red.), Journée d’Archéologie Romaine – Romeinendag 21 04 2007, Namen, 99-103.
Groetembril S., Pedroso R. N. & Laken L. 2007: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’intervention. Déposes des enduits Werkput 27, vlak 9, Soissons.
Groetembril S. & Thollard P. 1999: Fouilles sur le forum de Bavay (1993-1998), Revue du Nord LXXXI, 23-64.
Heckenbenner D. & Perichon D. 1987: Peintures murales de la Rue Marchant à Metz. In: Pictores per provincias, Cahiers d’Archéologie Romande 43 = Aventicum 5, Avenches, 181-185.
Jansen B., Schreiter Ch. & Zelle M. 2001: Die römischen Wandmalereien aus dem Stadtgebiet der Colonia Ulpia Traiana I. Die Funde aus den Privatbauten, Xantener Berichte. Grabung – Forschung – Präsentation 11, Mainz.
Krier J. 2002: Fouilles, études et restauration. Peintures romaines de Vichten, Archeologia 395, 44-47.
Laken L. 2005: Fragmenten van beschilderd pleisterwerk. In: Tichelman G. (red.), Het villacomplex Kerkrade-Holzkuil, ADC Rapport 155, Amersfoort, 289-295.
Lodewijckx M. 1991: Preliminary report on the Roman and early medieval period in the region of the Kleine Gete at Landen and Linter (Central Belgium), Acta Archaeologica Lovaniensia 30, 41-47.
Lodewijckx M. 1996: Essay on the issue of continuity and discontinuity applied to the northern Hesbay region (Central Belgium). In: M. Lodewijckx (ed.), Archaeological and historical aspects of West-European societies, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 202-220.
Maes M., Oost T., Schryvers A. & Vanbrabant K. 1999: Romeinen op het (HST)spoor. De villa van Hoegaarden-Goudberg. In: Thoen H., Vermeulen F., De Boe G., Lodewijckx M. & Rogge M. (eds), Romeinendag 24 maart 1999, Gent, 37-40.
Meeuws C. 1986: Bijdrage tot de studie van Gallo-Romeinse wandbeschilderingen op Belgisch grondgebied, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling VUB 1985-1986, Brussel.
Mestdagh H. 1990: Inleiding tot de micromorfologische studie van mortel-, pleister- en vloer-betonfragmenten in de Civitas Menapiorum, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, Gent.
Mestdagh H. 1991: Micromorfologische studie van mortel-, pleister- en vloerbetonfragmenten in de Civitas Menapiorum, Westvlaamse Archaeologica 7/3, 77-84.
Meurrens M. 1981: Hoegaarden: de Romeinse villa’s op het Kluisveld en in Overlaar-Goudberg. In: Provoost A. (red.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 22-25.
Meurrens M. & Claes B. 1981: Hoegaarden: Kluisveld. In: Provoost A. (red.), Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant, Leuven, 77-94.
Pedroso R.N. & Zaccaria M. 2002: La restauration des peintures, Archeologia 395, 52-55.
Rogge M. 1982: Kruishoutem (O.-Vl.): Romeinse nederzetting, Archeologie 1982, 2, 87.
Rogge M. 1984: Zegelsem-Brakel (O.-Vl.): nederzettingssporen uit de ijzertijd en de Romeinse periode, Archeologie 1984, 2, 96-97.
Swinckels L.J.F. 1987: A gladiatorum munus depicted in a Roman villa at Maasbracht. In: Pictores per provincias, Cahiers d’Archéologie Romande 43 = Aventicum 5, Avenches, 191-195.
Thomas R. 1993: Römische Wandmalerei in Köln, Kölner Forschungen 6, Köln.
Thomas R. 2004: Römische Wohnhäuser und ihre Wandmalereien an der Breite Strasse in Köln, Kölner Jahrbuch zu Uhr- und Frühgeschichte 37, 569-698.
Van Dierendonck R.M. 1987: The Roman wall-paintings and the character of the Roman settlement at Aardenburg. In: Pictores per provincias, Cahiers d’Archéologie Romande 43 = Aventicum 5, Avenches, 197-199.
Van Dierendonck R.M. 1993: De muurschilderingen, in Vanderhoeven A., Vynckier P. et al., Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Veemarkt te Tongeren,Eindverslag 1988, Archeologie in Vlaanderen III, 127-205.
Van Dierendonck R.M. & Swinkels L.J.F. 1983: Wall-painting fragments found in the Roman settlement at Aardenburg, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 33, 153-196.
Van Dierendonck R.M., Swinkels L.J.F., De Kind R.E.L.B., De Mol J.H.A.C. 1991:
Roman wall-paintings in North-western Europe: Distribution and Context. Presentation and Preliminary Results of a Research Project. In: Naumann-Steckner F. & Thomas R. (red.), 4. Internationales Kolloquium zur Römischen Wandmalerei Köln, 20.-23. September 1989, Kölner Jahrbuch für Vor- Und Frühgeschichte 24, Berlin, 227-232.
Van Dierendonck R.M., Swinkels L.J.F. & Willems W.J.H. 1987: Rijke hereboeren uit Maasbracht. In: Stuart P. & De Grooth M.E.Th. (eds), Langs de weg, Heerlen-Maastricht, 62-67.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1991: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren. Interimverslag 1987, Archeologie in Vlaanderen I, 107-124.
Vanhoutte S. 2007: Het Romeinse castellum van Oudenburg (prov. West-Vlaanderen) herontdekt: de archeologische campagne van augustus 2001 tot april 2005 ter hoogte van de zuidwesthoek. Interim-rapport, Relicta. Archeolgie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen 3, 199-236.
Vanvinckenroye W. 1997: De Romeinse villa op het “Middelpadveld” te Vechmaal (Heers), Limburg – Het Oude Land van Loon 76, 2, 179-192.
Vibert-Guigue Cl. 2005: Présence picturale et perception architecturale, un essai de restitution du cryptoportique peint de Bavay. In: Illusions d'antique. Notions croisées d'héritage romain et d'approches contemporaines 3, Bavay, 78-87.
Blanc-Bijon V. (red.) 1994-1995: Bibliographie 1993 et complément des années antérieures, Bulletin de l’Association Internationale pour l’Etude de la Mosaique Antique 15, 1-334.
Christophe J. (red.) 1990-1991: Bibliographie 1988-1989 et complément des années antérieures, Bulletin de l’Association Internationale pour l’Etude de la Mosaique Antique 13, 1-350.
Christophe J. & Stern M.H. 1978: Bibliographie des années 1974, 1975 et 1976 et complément des années antérieures, Bulletin de l’Association Internationale pour l’Etude de la Mosaique Antique 7, 1-253.
Creemers G. 1999: Het verleden bevraagd: nieuwe afdelingen in het Gallo-Romeins Museum, Archeologie in Limburg 81, 33-35.
Darmon J.P. 1981: Les mosaïques en occident I. In: Temporini H. & Haase W. (eds), Aufstieg und Niedergan der Römischen Welt II, 12, 2, 266-319.
De Boe G. 1975: Belgique romaine 1968-1970, l’Antiquité Classique 44, 219-240.
De Boe G. & Thoen H. 1990: In een uithoek van het Romeins Imperium. In: Vlaamse archeologie, opgravingen in binnen- en buitenland, Vlaanderen 231, 39, 177-184.
Delbarre-Bärtschi S. 2002, Les mosaïques de l’insula 10 à Avenches, Bulletin de l’Association Pro Aventico 44, 137-146.
Dunbabin K.M.D. 1999: Mosaics of the Greek and Roman world, Cambridge.
Ling R. 1997: Mosaics in Roman Britain: discoveries and research since 1945, Britannia XXVIII, 259-295.
Mertens J. 1970: Chronique archéologique, Archeologie 1970, 2, 58-59.
Mertens J. 1996: Scavi urbani a Tongeren. Una ricca residenza urbana emerge dal sottosuole della cità, Archeo 12, 135, 11.
Morlier M. (red.) 1996: Bibliogtraphie 1996-1997 et complément des années antérieures, Bulletin de l’Association Internationale pour l’Etude de la Mosaique Antique 17, 43-386.
Schmid D. 1993: Die römischen Mosaiken aus Augst und Kaiseraugst, Forschungen in Augst 17, Augst.
Stern H. 1957: Recueil général des mosaiques de la Gaule I. Gaule belgique 1. Partie ouest, Xe Supplément à Gallia, Paris.
Stern H. 1960: Recueil général des mosaïques de la Gaule I. Province belgique 2. Partie Est, Xe Supplément à Gallia, Paris.
Stern H. 1963: Recueil général des mosaiques de la Gaule I. Gaule belgique 3. Partie sud, Xe Supplément à Gallia, Paris.
Engelen F. 1990: Opgravingen Hondsstraat Tongeren, Limburgensia, Archeologie in Limburg 44, 304.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1989: Opgravingen aan de Hondsstraat te Tongeren, Museumfax 1989, 3, 3-4.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1990: Opgravingen aan de Hondsstraat te Tongeren (vervolg), Museumfax 1990, 2, 3.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1990: Tongeren (Limb.): noodopgraving aan de Hondsstraat, Archeologie 1990, 56-57.
Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1992: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Hondsstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1989, Archeologie in Vlaanderen II, 65-88.
Vanderhoeven A., Nouwen R. & Vynckier G. 1992: Tongeren. In: In: Willems W.J.H. (red.), Speurwerk. Archeologische monumentenzorg in de Euregio Maas-Rijn, Kunst und Altertum am Rhein 136, Mainz, 387-402.
Wightman E.M. 1985: Gallia Belgica, London.
Mariën M.E. 1980: Belgica antiqua. De stempel van Rome, Antwerpen.
Rogge M. 1982: Kruishoutem (O.-Vl.): Romeinse nederzetting, Archeologie 1982, 2, 87.
Het aardewerk uit provinciaal Romeinse vindplaatsen is meestal heel divers in soorten, vormen en herkomstgebieden. Bovendien komt het meestal in grote aantallen voor. In grote tegenstelling tot de eerdere perioden wordt de Romeinse tijd gekenmerkt door een hoge connectiviteit van mensen en goederen. Door een wijd vertakt netwerk van handelswegen konden allerhande goederen zoals aardewerk en in sommige gevallen de inhoud ervan (bijv. wijn of olijfolie) sterk verspreid geraken. Een aardewerkensemble uit een bepaalde Romeinse vindplaats opgegraven in Vlaanderen zal dan ook vrijwel zeker in wisselende kwantitatieve verhouding samengesteld zijn uit een lokale of regionale component enerzijds en uit een supraregionale component anderzijds. Net door zijn vaak sterk mondiaal getinte samenstelling betekent dit dan ook dat de moderne studie van Romeins aardewerk ingebed is in een internationaal kader van studie, vraagstelling en vergelijking en dat de methodiek in Vlaanderen zich dan ook conform moet ontwikkelen. Daarbij speelt de studie van baksels (infra) een belangrijke rol. Zoals elk soort onderzoek onderging ook het onderzoek van Romeins aardewerk in Vlaanderen een evolutie in de tijd. Het is in deze context niet de bedoeling en ook onmogelijk om alle artikels op te sommen waarin Romeins aardewerk tot nu toe werd besproken. Wel wordt op basis van de publicaties die het beschrijvende niveau overstijgen, getracht een status quaestionis te produceren.
Aardewerk is bij uitstek een materiaalcategorie met een bijzonder groot onderzoekspotentieel. De verschillende vraagstellingen en de gekozen methodologie vereisen duidelijke theoretische uitgangspunten. De mogelijkheden om verschillende vraagstellingen te benaderen zijn afhankelijk van het potentieel van de context zelf (tafonomie, samenstelling, situering,…), de manier van opgraven en registreren en de manier van het aardewerkonderzoek, de registratie en de methode van analyse van data. Hoe kunnen verschillende variabelen van aardewerkonderzoek indicatoren zijn voor verschillende aspecten van het dagelijkse leven? Zonder dit soort onderzoek van het aardewerk zijn deze kennispotentiëlen vaak volledig ontoegankelijk. De studie van de vormen, de samenstelling en de productietechnieken zouden echter geen doel op zich mogen zijn, maar eerder een middel om onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Voor een succesvolle studie van Romeins aardewerk van een opgraving van een Romeins site moeten bovendien een aantal basisvereisten voorhanden zijn. Het is ten eerste belangrijk om de verschillende baksels van het op een site voorkomend aardewerk te herkennen, ook al is de productieplaats nog onbekend. Ten tweede zijn er goede typologische studies nodig om alle voorkomende aardewerkgroepen te klasseren en te identificeren. Ten derde is het belangrijk dat de determinatie niet los gezien wordt van de functie, de archeologische context en diens tafonomie Een vierde vereiste is een goed en uniform systeem om het aardewerk te kwantificeren, te registreren en te vergelijken.
In de jaren 1990 groeide in Vlaanderen bij een aantal onderzoekers o.a. door de grootschaligheid van de preventieve opgravingen de behoefte om onderzoeksvragen te beantwoorden die met de traditionele –daterende en repertoriërende- benadering van aardewerkonderzoek niet konden worden opgelost. In de meeste publicaties heeft het onderzoek van aardewerk tot doel om enerzijds sites of sporen te dateren en anderzijds om het aandeel van importaardewerk te bepalen, wat op zich relevante vragen kunnen zijn, maar vaak niet volstaat. Sommige contexten zijn door hun samenstelling, aard, historische situering of geografische ligging immers bruikbaar voor verdergaande wetenschappelijke analyse. Om een antwoord op de onderzoeksvragen te bieden gaat men er soms van uit dat een snelle ‘screening’ of beperkte studie van de randen van aardewerk volstaat. Voor een goede beantwoording en formulering van nieuwe wetenschappelijke onderzoeksvragen is het echter essentieel om na een determinatie en telling van baksels en vormen het aardewerk per archeologische context (archeologisch spoor of laag) te bestuderen en om dit op een uniforme wijze te doen, conform de internationale methodes. Het gebruik van databanken voor de registratie van aardewerk per laag en per spoor is een nieuw en hoogst interessant instrument in deze benadering.
(Martens 2006)
De studie van de functie van aardewerk kan op verschillende manieren benaderd worden. Enerzijds is er de studie van organische residu’s en van oppervlaktebewerking zoals organische coatings. (Moorhouse 1986, 110-111) Ook de fysische eigenschappen van aardewerksamenstellingen kunnen onderzocht worden om hun geschiktheid voor verschillende functies te testen. (Orton, Tyers & Vince 1993, 20-21) Een systematisch onderzoek van gebruikssporen en sporen van verbranding van bepaalde types van potten kan ook redelijk zekere identificaties van functies van bepaalde types mogelijk maken. (Orton, Tyers & Vince 1993, 20-21) Eénzelfde vorm kan in verschillende modules verschillende functies hebben, zoals bijv. miniaturen in graven / offers. (Lintz 1994, 297-299; Dufaÿ, Barat & Raux 1997, 122) Normale bekers bijv. zijn drinkbekers; de grotere maten hebben eerder de functie van flessen. Ook de eenvoudige analyse van de verhouding tussen aandelen van aardewerk voor opslag, bereiding en consumptie in en tussen aardewerkgroepen kan interessante informatie opleveren over het gebruik van aardewerk.
Moeilijker benaderbaar is de culturele biografie van aardewerk. Immers, een pot kan doorheen zijn levensloop verschillende functies uitoefenen die sterk contextueel bepaald zijn. Zo is aardewerk uit graven in de eerste plaats aardewerk voor de doden en niet van de doden en werd het soms meegegeven met andere betekenissen dan die uit het dagdagelijkse gebruik bij leven. Recent werd bij de brandrestengraven het fenomeen herkend waarbij op vrij systematische wijze een kookpot in handgevormd aardewerk op de brandstapel werd bijgezet. (De Groote e.a. 1999/2000)
Veel types werden gekopieerd van één centrum naar het andere. Het succes van een product van een centrum kan leiden tot het kopiëren door andere centra. Het is daarom de grote verantwoordelijkheid van de opgravers van productiecentra dat zij hun producten karakteriseren zodat ze elders kunnen geïdentificeerd worden, niet alleen typologisch doch ook bakselmatig. Het grote aantal misbaksels kan soms overweldigend zijn waardoor belangrijke informatie met vertraging of helemaal niet verspreid wordt. Wat zijn de verschillende manieren van distributie?
Nog steeds blijft Romeins aardewerk een vrij goed dateringsinstrument. Helaas kan dit tot cirkelredeneringen leiden waarbij niet wordt geïnvesteerd in andere dateringsmiddelen. De volledige occupatietijd van een site is niet noodzakelijk gereflecteerd in het teruggevonden aardewerk en combinaties met andere dateringsinstrumenten leveren soms boeiende en verrassende inzichten op (De Clercq & Vanstrydonck 2007). Een tweede gevaar voor cirkelredenering is het systematisch teruggrijpen naar de bestaande literatuur, waardoor het dateringspotentieel van verschillende groepen binnen de context zelf genegeerd wordt.
Door de grote massa aan aardewerk uit Romeinse vindplaatsen, maar ook door de noodzaak om een goed en internationaal uniform kwantitatief vergelijkingskader uit te bouwen, drong sinds de jaren 1980 een grotere gelijkschakeling in de verschillende tellingsmethoden zich op. Bovendien groeide steeds meer het besef dat een onderscheid gemaakt diende te worden tussen het aantal scherven en het werkelijk aantal aanwezige potten. Een eerste belangrijke stap in de bijstelling van de kwantificatiemethodologie werd gezet in 1989 met de publicatie van het protocol van Bibracte. (Arcelin & Tuffreau-Libre 1989) Recent werden op afdoende wijze de pro’s en contra’s van de verschillende in gebruik zijnde technieken afgewogen. (Symonds & Haynes 2007)
In Vlaanderen blijkt eveneens geen uniformiteit te heersen wat betreft de tellingsmethoden bij de keramiekverwerking. Meestal wordt een specimen- of anders gezegd scherventelling ondernomen waarbij alle scherven per aardewerkcategorie worden geteld. Dit is de gemakkelijkste methode, maar heeft het nadeel dat meer breekbare en/of grotere potten zoals amforen en voorraadpotten kwantitatief worden bevoordeeld. Experimenteel onderzoek door Symonds en Haynes heeft wel aangetoond dat scherventelling betrouwbaarder is dan eerst werd gedacht. (Symonds en Haynes 2007) De tweede meest gebruikte telwijze in Vlaanderen is de berekening van het MAI (minimum aantal individuen) of MAE (minimum aantal exemplaren). Dit gebeurt op basis van de diagnostische fragmenten. Als diagnostische fragmenten worden in de ene studie enkel de randen gerekend, daarmee het protocol van Bibracte volgend, in andere publicaties worden hiervoor zowel randen, bodems, oren als versierde wandscherven beschouwd. Deze laatste techniek heeft als voordeel dat het werkelijk aantal aanwezige potten dichter wordt benaderd dan bij de eenvoudige randtelling. De individu-telling heeft echter als nadeel dat typologisch sterk ontwikkelde groepen, zoals de terra sigillata, vaak oververtegenwoordigd zijn. Deze kwantificatiemethode vereist echter wel een herberekening bij het combineren van ensembles bij het groeperen van contexten in perioden of fasen. Op de voor- en nadelen van beide tellingsmethoden werd al gewezen door Delaruelle, Verbeek en De Clercq (2004) en door Vanhoutte, Dhaeze en De Clercq (in druk). Het wegen van scherven heeft vooral nut voor vergelijkingen van specifieke types binnen ensembles en bij amfoorstudies. (Symonds en Haynes 2007) Belangrijk is vooral dat om de contra’s die elke techniek heeft weg te werken, er minstens twee verschillende technieken worden aangewend. 1 Op deze manier kan er minstens interpretatief een callibratie uitgevoerd worden. Evenzeer van belang is dat aangegeven wordt welke technieken werden aangewend en dat vergelijkingen van kwantificaties gebeuren tussen op eenzelfde wijze tot stand gekomen datagroepen. (De Clercq 2007)
Onder invloed van Binford’s New Archaeology deden antropologische en etnografische invalshoeken hun intrede in de late jaren 1970. Theoretische modellen werden aan de hand van vergelijking met overlevende pre-industriële samenlevingen getest en ook de natuurwetenschappen maakten hun intrede in dezelfde tijd. Mineralogie en petrografie worden in het aardewerkonderzoek goed en wel geïntroduceerd door Picon bij de vergelijkende studie van “italische” terra sigillata van Arezzo, Pisa en Lyon en in Peacock’s Pottery in the Roman world (1982) waarin hij zowel wetenschappelijke analyses, etnografische data als economische modellen trachtte te combineren, een onderzoekslijn die later in de zgn. ceramic ecology of ceramic etno-archaeology werd verdergezet. Uit beide genoemde studies bleef voornamelijk de studie van baksels een belangrijke invloed uitoefenen op de methodologie en het potentieel van het aardewerkonderzoek als kennisinstrument voor het verleden.
Een baksel 2 kan omschreven worden als de gebakken samenstelling van klei en eventueel toegevoegde verschralingscomponenten waaruit een pot is gemaakt. Naast de studie van vorm en versiering is het onderzoek van baksels in de jongste decennia tot een evenwaardige component in het aardewerkonderzoek uitgegroeid. Door middel van macroscopisch, petrografisch en geochemisch onderzoek wordt de kleisamenstelling van aardewerk onderzocht, dit om bijv. de herkomstregio van de pot of de technologische kennis van de pottenbakkers te onderzoeken. Daarbij worden zowel economische als sociaal-culturele vraagstellingen benaderd.
Deze technologische aanpak kende initieel vooral in Groot-Brittannië en Frankrijk navolging. In Groot-Brittannië leidde deze methodologie tot de ontwikkeling en publicatie van de National Roman Fabric Reference Collection. (Tomber & Dore 1998) Dit onderzoek waaide over naar onze gebieden en leidde tot de uitwerking van de International Fabric Reference Collection (Brulet en Vilvorder 1999). Het zwaartepunt van de indeling van aardewerk volgens bakselgroepen lag daarbij in het Centre Régional de l’Archéologie Nationale (CRAN) van de UCLouvain, waar een referentiecollectie voor vele productieplaatsen/regio’s werd en wordt aangelegd. In Vlaanderen is daarbij het werk van De Paepe baanbrekend geweest die initieel kleinere samplegroepen onderzocht (De Paepe 1987) en later op grotere schaal en in een systematisch onderzoeksprogramma het laat-Romeins/Germaans aardewerk uit verschillende Vlaamse vindplaatsen (De Paepe & Van Impe 1991). Deze methode werd in Vlaanderen op ruimere schaal toegepast op mortaria van de site Zijdelingsestraat in Tienen (Willems, Vilvorder & Vanderhoeven 2000; Willems 2000) en later uitgebreid met wrijfschalen en andere groepen gewoon aardewerk voor de civitas Tungrorum (Willems 2005) en op het materiaal van het pottenbakkerscentrum van Tienen (Degryse 2003). Ondanks enkele methodologische verschillen, voornamelijk in nomenclatuur van categorieën van aardewerkgroepen, groeit in Vlaanderen stilaan het besef dat natuurwetenschappelijk onderbouwd en internationaal ingekaderd bakselonderzoek een volwaardig kennisinstrument is in de beantwoording en de ontwikkeling van wetenschappelijke onderzoeksvragen. (Hartoch & Martens 2001; Martens & Willems 2002; De Clercq 2004; De Clercq & Degryse 2008; Borgers 2008)
Bewust werd ervoor gekozen om hier de exhaustiviteit niet na te streven dan wel om bepaalde tendensen te onderstrepen die naar voren komen in de belangrijkste literatuur m.b.t. Romeins aardewerk gepubliceerd in Vlaanderen sinds de jaren 1960.
De in de jaren 1960 gepubliceerde materiaalstudies van de Henegouwse necropool van Blicquy waaronder de afzonderlijke gepubliceerde aardewerkcategorieën handgevormd (De Laet 1964), zeepwaar (De Laet 1966), Belgische Waar (De Laet & Thoen 1968) en Pompeïaans rood aardewerk (De Laet & Thoen 1969), vormden ook en vooral voor Vlaanderen voor het eerst de aanzet tot een systematische studie van aardewerkcategorieën van Noordgallische herkomst. Voorheen, maar ook nog in de jaren 1970 bleven de meeste artikels echter vooral beperkt tot een melding of catalogering van aanwezige vormen en aardewerksoorten op een opgegraven site, vaak zonder contextuele studie of vraagstelling. (cfr bijv. De Laet & Nenquin 1953; Mertens 1964; Thoen 1967; Goeminne 1970; Creus 1975; Rogge 1976, 1978) Uitzondering hierop vormt o.a. de studie van enkele contextuele vondstgroepen uit Destelbergen (De Laet, Van Doorselaer & Thoen 1969, 1970; De Laet e.a. 1969). Parallel met deze publicaties werden ook enkele productieplaatsen onderzocht (zie infra: aardewerkproductie). De studie van terra sigillata in Vlaanderen sloot beter aan bij de internationale contemporaine tendensen wat uitmondde in enkele omvangrijke determinaties. (zie bijv. Thoen 1966, 1968, 1978; Vanderhoeven 1975, 1977, 1979; Rogge 1972, 1977) M. Vanderhoeven maakte in 1975 in een inleiding voor de publicatie van sigillatastempels in Tongeren een goede status quaestionis van welke onderzoeksvragen met de studie van terra sigillata kunnen behandeld worden.
Voor wat betreft de ontwikkeling van syntheses en typochronologie van Romeinse aardewerkgroepen in Vlaanderen was de studie van Vanvinkenroye uit 1967 (herzien in 1991) een belangrijke mijlpaal. Vanvinckenroye publiceerde in 1967 ‘Gallo-Romeins aardewerk van Tongeren’. Deze publicatie en de update ervan uit 1991 biedt een uniek overzicht van het gewone aardewerk dat in onze streken en de civitas Tungrorum in het bijzonder voorkomt. De types die erin opgenomen zijn, sluiten over het algemeen goed aan bij de meest voorkomende vormen die doorgaans in de Romeinse ateliers in Vlaanderen en omstreken werden geproduceerd en ook de courante importproducten worden er in weergeven. Het wordt nog altijd vaak gebruikt als typologisch referentiewerk, al is de bruikbaarheid voor de regionale aardewerksoorten in Menapisch en Nervisch territorium beperkter omdat het aardewerkspectrum aparte kenmerken vertoont, die eerder aansluiten bij het Noord-Franse gebied dan het Maas- en Rijngebied. Daarom was en is men in genoemde civitates ook aangewezen op aparte studies over verschillende aardewerkgroepen, zoals de hoger vermelde studies die voorvloeiden uit de opgravingen in Blicquy of enkele opgravingsverslagen. Thoen (1978, 1987) en Vermeulen (1992) ondernamen pogingen tot de ontwikkeling van een typologie voor delen van dit noordelijk gebied. Voor de beschrijvingen in actuele publicaties van opgravingen van importaardewerk en van vormen die niet in Vanvinckenroye en andere Vlaamse overzichtspublicaties opgenomen zijn, wordt gerefereerd naar courante buitenlandse overzichtspublicaties en standaardtypologieën.
Vanaf het midden van de jaren 1980 werd in enkele publicaties getracht tot een regionaal gebaseerd overzicht te komen van de aardewerkvoorziening op een site doorheen de tijd of de studie van een welbepaalde materiaalgroep waarbij ook de handelsrichtingen aan bod kwamen. (Thoen 1978, 1985, 1992; Vermeulen 1992a) De studies van P. Monsieur - ondersteund door mineralogisch onderzoek - (bijv. 1995, 1998, 2003, 2004) brengen inzicht in de aanvoer van amforen en hun inhoud naar onze gebieden. Contextuele analyses met ruimere vraagstelling bleven echter beperkt tot enkele artikels. (Vanderhoeven & Vynckier 1992; Vermeulen 1992b) Baanbrekend waren evenwel de petrografische studies ondernomen door De Paepe. (1987; De Paepe & Van Impe 1991)
Door een vergroting van de groep Vlaamse onderzoekers ten gevolge van het stijgende aantal preventieve opgravingen tegen het einde van de jaren 1990 steeg de expertise en ook de behoefte van Vlaamse onderzoekers om de regionale aardewerkgroepen in kaart te brengen en deze in hun internationale wetenschappelijke onderzoekscontext en vraagstelling te plaatsen. (Hartoch en Martens 2001; Martens en Willems 2002; De Clercq 2004; Willems 2005; De Clercq en Degryse 2008; Borgers 2008) Daarbij werd het natuurwetenschappelijk onderzoeksaspect d.m.v. petrografisch en geochemisch onderzoek verder uitgebouwd (Degryse 2003; De Clercq & Degryse 2008) en wordt gezocht naar andere directe en indirecte dateringsmogelijkheden als alternatieven voor de klassieke typo-chronologieën d.m.v. 14C. (De Clercq & Van Strydonck 2007) Parallel aan theoretische evoluties in het romanisatiedebat werd ook meer en meer aandacht besteed aan het inheems aardewerk, zowel op typo-chronologisch als socio-cultureel vlak. (Vermeulen 1992b; Hanut & Thoen 2001; De Clercq 2004) Functionele en sociale interpretaties van aardewerkgebruik komen ook meer aan bod. (Martens e.a. 2002 ; Martens 2004; De Clercq e.a. 2005; De Clercq 2004)
Belangrijke aardewerkensembles vormden tijdens het laatste decennium meer en meer het onderwerp van doorgedreven onderzoek, zoals bijv. enkele contexten uit Destelbergen en Bredene (Thoen & Hanut 2001a-b), het aardewerk uit een enclosure in Tienen (Martens, Debruyne & Vanderhoeven 2002), de Belgische Waar uit een Augusteïsch-Tiberisch ensemble in Aalter (De Clercq, Deru & Mortier 2007), de 3de eeuwse site te Zele (De Clercq e.a. 2005) en de verschillende ceramische horizons in de vicus Velzeke. (De Mulder, Deschieter, Hanut & De Clercq 2001; De Mulder, Deschieter & De Graeve 2003) De ontdekking van het mithraeum in Tienen met heel wat cultus- en rituele ceramiek leidde bovendien tot een internationaal colloquium (Martens 2004a) en een tentoonstelling waarin deze ceramiek in een bredere context werd geplaatst. (Martens 2004b) Enkele lineaire infrastructuuringrepen boden de kans om verschillende aardewerkgroepen uit verschillende gebieden als in een dwarsdoorsnede door het landschap te bekijken. De Romeinse rurale sites op het HSL-traject in Antwerpen leverden aanzienlijke ensembles op die voor het eerst de kans boden om een gedetailleerd inzicht te krijgen in het repertorium en de evolutie van het Gallo-Romeinse aardewerk in de regio ten noorden van Antwerpen. Dit resulteerde eveneens in functionele inzichten. (Delaruelle, Verbeek & De Clercq 2004) Ook voor Vlaams-Brabant werd het aardewerk gevonden op het HSL-traject onderzocht en geplaatst in het ruimere aardewerkgamma in onze contreien. (Schrijvers & Van Impe 2001, 82-87, 160) De keramiek aangetroffen op de Romeinse sites aangesneden tijdens de opgraving van het traject van de aardgasleiding in 1997-1998 die Vlaanderen van west naar oost doorkruist, leidde tot inzichten in verspreiding van importen en regionale producties terwijl ook functionele aspecten aan bod kwamen. (De Clercq, In ’t Ven & Hollevoet 2005)
Tot slot neemt de studie van het laat-Romeinse aardewerk en de Germaanse component een aparte plaats in binnen het aardewerkonderzoek. Niet in het minst speelt de opvallende schaarste aan laat-Romeinse aardewerkgroepen hierin een rol. Als uitgangspunt geldt nog steeds het grafveld van Oudenburg. (Mertens & Van Impe 1971) Door het recente onderzoek op de zuidwesthoek van het castellum van Oudenburg komt hierin echter verandering. (Vanhoutte, Dhaeze & De Clercq 2008; Vanhoutte e.a. 2009) De germanisering van onze gewesten die aanvangt in de 3de eeuw en toeneemt vanaf de 4de eeuw, vertaalt zich ook in de introductie van handgemaakt Germaans aardewerk. Van Doorselaer en Rogge onderzochten de laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse handgevormde waar uit de Scheldevallei en het kustgebied uit de periode eind 4de eeuw – midden 6de eeuw die in verband kan gebracht worden met verschillende fasen van deze Germaanse landname. (Van Doorselaer & Rogge 1991) Een Nederlandse vertaling van dit referaat op het Saksensymposium uit 1986 werd al in 1990 voorgesteld in Westvlaamse Archaeologica (Van Doorselaer & Rogge 1990); een korte samenvatting verscheen in 1987. (Van Doorselaer & Rogge 1987) Uit de regio tussen Leie en Schelde onderzocht F. Vermeulen de laatromeinse handgevormde ensembles uit de periode eind 4de eeuw-5de eeuw uit Asper, Kruishoutem en Sint-Martens-Latem. (Vermeulen 1986; 1989) De handgevormde waar uit deze sites werd ook petrografisch onderzocht in vergelijking met andere sites, telkens op aardewerk uit de laatste Romeinse occupatie gevonden in relatie tot 4de-eeuwse bewoningssporen, zoals te Donk en Kontich voor Vlaanderen en Liberchies-Brunehaut en enkele sites uit Nederland en Duitsland. De resultaten wezen op zowel geïmporteerd als lokaal geproduceerd materiaal. (De Paepe & Van Impe 1991) De Clercq en Taayke (2004) publiceerden een groep Germaans aardewerk uit een 3de-eeuwse context uit Zele en gaven een kort vergelijkend overzicht van het tot dan gevonden Germaans aardewerk in Vlaanderen.
Een overzichtspublicatie van de productieplaatsen van Gallo-Romeins aardewerk in Vlaanderen is onbestaande, met uitzondering van een eerste poging. (Thoen & Nouwen 1997) Op vele plaatsen in Vlaanderen werden Romeinse pottenbakkersovens aangetroffen. 1 Totnogtoe werd echter enkel voor de Tiense productie een typologie opgesteld. (Martens 2004) Deze studie werd ondersteund door onderzoek naar de geologie van de omgeving van de ovens en een petrografische, mineralogische en chemische analyse van de mogelijke grondstoffen en het aardewerk zelf. (Degryse 2003) Naast een overzicht van de verschillende vormen en de verschillende soorten aardewerk en hun evolutie in de tijd worden ook hun mogelijke functies besproken. De studie van de functies van het aardewerk wordt ondersteund door een analyse van de gebruikssporen en de resultaten van onderzoek naar organische resten. (Kimpe, Martens & Jacobs 2002; Smith & Craig 2001) De karakterisatie van het aardewerk en het onderzoek naar grondstoffen heeft geleid tot de mogelijkheid om Tiens aardewerk relatief gemakkelijk te onderscheiden van aardewerk van andere productieplaatsen. Voor de Tongerse productie werd nog geen volledige typologie opgesteld, maar wel een beschrijving van het baksel en van de veel voorkomende vormen. (Martens & Willems 2002; Willems 2005)
Bepaalde regio’s leverden tot dusver nog geen pottenbakkersovens op, maar worden wel gekenmerkt door een distinctieve keramiekgroep die zeker aan een lokale of regionale productie toe te schrijven is. Het handgevormd tot traag afgedraaid aardewerk dat voortbouwt op de lokale pottenbakkerstradities uit de ijzertijd, bleef in bepaalde regio’s nog lange tijd in gebruik, onder meer in de civitas Menapiorum. (Vermeulen 1992b; Hanut & Thoen 2001; De Clercq 2004) Het betrof geen gecentraliseerde producties aangezien geografische en chronologische variaties in vorm, decoratie en baksel wijzen op regionale producties. Zo vormt de handgevormde waar uit het gebied tussen de monding van de Schelde in het noorden, de kustvlakte in het westen en het noordelijk deel van Zand-Vlaanderen in het zuiden en het oosten een groep die in afwachting van verdere studie en mineralogische karakterisatie gespecifieerd kan worden als ‘Noord-Menapisch’. Ze kent ook een gedraaide variant. Ze werd in de eerste helft van de 20ste eeuw ‘potérie ménapienne’ genoemd en verkeerdelijk gedateerd in de late IJzertijd. (zie Thoen 1978, 96 voor bibliografie) In de jaren 1970 werd dit aardewerk bestempeld als ‘Vlaams-Romeins’ aardewerk door Trimpe-Burger (Trimpe-Burger 1971) en als ‘Kustaardewerk’ door Thoen (Thoen 1978) die er een eerste typologie van uitwerkte (Thoen 1978, 179-187). De Paepe voerde in het kader van deze studie mineralogisch onderzoek uit. (Thoen 1978, 207-209) Ook Hanut en Thoen bespreken deze Menapische keramiek van ‘inheemse traditie’ aan de hand van de ensembles uit sleutelcontexten van sites, zowel ruraal, civiel als militair, verspreid over de civitas Menapiorum (Hanut & Thoen 2001). De Clercq (2004; 2005) onderzocht deze handgevormde waar uit de civitas Menapiorum, waarbij hij focuste op de regio van het Schelde-estuarium en achtereenvolgens de technologische, de kwantitatieve en chronologische, en de typologische en functionele aspecten van deze traditie doorheen de hoge keizertijd toelichtte. Deze Noord-Menapische groep, zowel de handgevormde als de gedraaide variant, kon ondertussen al verder onderzocht worden op de ensembles ontdekt tijdens noodonderzoek in Zandvoorde-Plassendale (Vanhoutte & De Clercq 2006) en uit het Romeinse castellum van Oudenburg. (Vanhoutte, Dhaeze & De Clercq 2008)
Een aparte groep binnen het handgemaakt aarderwerk wordt gevormd door de zoutcontainers en het aardewerk geassocieerd met de productie van zout (briquettage aardewerk). Dit wordt in detail besproken bij de zoutwinning (ambachtelijke activiteiten).
Naast het handgevormd aardewerk konden nog enkele andere geografisch bepaalde aardewerkgroepen gedefinieerd worden. In de jaren 1990 werd de groep van de Scheldevallei-amforen of ‘rode’ amforen gedefinieerd door van der Werff, Thoen en van Dierendonck (1997) als een lokale productie uit de 2de en 3de eeuw die in de Scheldevallei gesitueerd kan worden. De concentratie in dit gebied kan echter ook een reflectie zijn van de commerciële handel. (De Clercq 1995) Over de inhoud van sommige van deze kruiken die vaak een coating dragen op de binnenzijde en duidelijk als transportmiddel voor een specifieke inhoud bestemd waren, tast men nog in het duister. Wel werden argumenten aangevoerd voor het vervoer van een lokale honingdrank of bier. (van der Werff, Thoen & van Dierendonck 1997; Thoen & Nouwen 1997) Ondertussen blijkt na mineralogisch onderzoek een deel van deze groep te behoren tot de Low Landsgroep (infra) terwijl een ander deel dat duidelijk niet is. Verschillende bakselvarianten lijken te wijzen op meerdere productieplaatsen. Dit maakt duidelijk dat mineralogisch onderzoek noodzakelijk is om tot een goed gefundeerde aflijning van een aardewerkgroep over te kunnen gaan.
Een verwant probleem stelde zich dus bij een verzameling van verschillende aardewerksoorten die uiteindelijk na petrografisch en geochemisch onderzoek als één homogene productie werd gedefinieerd. Deze regionale productie is de recentelijk als ‘Low Lands Ware’ gedefinieerde groep, die vroeger werd aangeduid met heel wat verschillende benamingen, waaronder ‘blauwgrijs’, ‘Rupeliaans, ‘terra-nigra-achtig’ of ‘Waaslands’ aardewerk. Na petrografisch en geochemisch onderzoek werd deze initieel heterogene groep dus als een mineralogisch en homogene eenheid herkend die gebruik maakte van de mica-rijke formatie van Tegelen. Deze dagzoomt op de zgn. Brabantse Wal (NL) en in de Kempische cuesta (B). Op basis van enkele vondsten en de geografische aspecten mogen ondermeer productiesites in de Bergen-op-Zoom-regio worden verondersteld. (De Clercq en Degryse 2008) Dit onderzoek maakt duidelijk dat de naamgeving van regionale aardewerkproducties niet altijd bepaald mag zijn door een welbepaalde of grote dichtheid aan deze aardewerksoort, vermits deze ook het gevolg kan zijn van handelsacticiviteiten of goede transportmogelijkheden. De LLW-groep verschijnt ten tonele in de Flavische tijd en lijkt zich te handhaven tot in het laatste kwart van de 3de eeuw. Deze kwantitatief en typologisch belangrijke groep met verspreiding van de Britse ZW-kusten tot Noord-Nederland, de Rijn en Noord-Frankrijk omvat naast de typische en wijd verspreide transportcontainer Holwerda 139-142 - ook bekend als ‘Arentsburgpot’ -, vooral een zeer divers gamma aan vormen zoals mortaria, drinkbekers, borden, (kook)potten, kruiken, kannen,… De productie lijkt in Vlaanderen grotendeels verantwoordelijk te zijn voor de terugdringing van het handgevormd aardewerk vanaf de vroege 2de eeuw in de beneden-Scheldevallei.
Vuurbokken in aardewerk werden in Vlaanderen voor het eerst herkend en gepubliceerd in 1975 (De Laet 1975) en worden sindsdien frequent aangetroffen in de valleien van Leie en Schelde, maar ook sporadisch daarbuiten. Vuurbokken zijn keramische elementen die in paarsgewijze opstelling beide zijden van het haardvuur flankeren. Ze zijn vaak met de gestileerde voorstellingen van dieren versierd aan de voorzijde. De flanken zijn geprofileerd, meestal aan één zijde verbrand en hebben verschillende doorboringen waar een soort van rooster of grill in moet zijn bevestigd geweest. Aan de achterzijde bevond zich soms een haardplaat in aardewerk. Recent werden deze objecten gerepertorieerd en bestudeerd in het kader van de romanisatieprocessen van materiële cultuur. (De Clercq 2007) Waar vroeger werd aangenomen dat het fenomeen een betekenisloze doorleving van pre-Romeinse tradities betrof zonder veel iconografische of religieuze waarde (Bourgeois 1983), wordt nu wel aangenomen dat deze merkwaardige aardewerken objecten als regionale gedifferentieerde media fungeren waarop verschillende religie-gebonden diervoorstellingen zoals bijv. everzwijnen figureerden. (De Clercq 2007)
Antieke bronnen geven aan dat in onze contreien op grote schaal aan textielproductie werd gedaan. Een synthetiserende studie van de met textiel verbonden aardewerken objecten die op verschillende plaatsen aan het licht kwamen, ontbreekt vooralsnog. Het gaat hierbij om weefgewichten en spinschijfjes. Deze laatste zijn doorboorde ronde schijfjes die vooral gemaakt werden uit gerecupereerde aardewerkscherven of dakpanfragmenten. Voor een overzichtsstudie van het Romeinse textiel in Noordwest-Europa kan men terecht bij Wild 1970.
Bouwkeramiek (tegulae, imbrices, tubuli, testae en hypocaustumtegeltjes) vormt zelden een aandachtspunt in een rapport of studie en deze vondstgroep werd ook zelden systematisch bestudeerd in Vlaanderen, dit in tegenstelling tot het buitenland. (zie bijv. Darvill 1984; Le Ny 1988) Wel werd door Graff (1968) en De Poorter (1989) een repertorium van de gestempelde stukken opgesteld. Waar de meeste hiervan van civiele makelij zijn, werden er ook militaire dakpanstempels herkend, ondermeer van de Classis Germanica te Rumst: CGPF (Sevenants 1991) en Rijmenam (Lauwers 1973) en wellicht ook van een andere eenheid te Antwerpen PRIMCORS (Oost 1976). Productieplaatsen met ovens werden opgegraven in Roeselare (Goderis 1992; Vanbrabant & Goderis 1997) en Temse. (Van Roeyen 1996) Op de site van Zomergem kon productie worden verondersteld door de grote hoeveelheid aan mis- en onderbakken en aanéén klevende stukken (De Clercq & Thoen 1998). De site van Pellenberg (Boschmans 1964) is minder zeker. (Lesenne 1984)
Onder invloed van de Romeinse integratie begon men in Noordwest-Europa terracotta-beeldjes te vervaardigen. Het zijn kleine afbeeldingen van vooral goden, mensen en dieren. Na een eerste materiaalopname in de licentieverhandeling van J. Dheedene in 1958, werd in 1986 een nieuw onuitgegeven repertorium voor België samengesteld door J. De Beenhouwer. In 2005 werd de vondstopname door dezelfde auteur aangevuld en werd het onderzoek opengetrokken naar de productiegebieden in Midden-Gallië en het Rijnland. Opmerkelijk is de toename van het aantal vondsten in de loop van die periode. In 1959 waren voor Vlaanderen 237 objecten bekend afkomstig van 8 sites. In 1986 klom dit aantal tot 520 objecten van 23 sites. Op dit ogenblik zijn niet minder dan 834 objecten gerepertorieerd, afkomstig van 32 Vlaamse sites. Deze opmerkelijke toename is deels te wijten aan de ontdekking van een aantal grote depotvondsten als die van Harelbeke-Halleberg in de loop van de jaren zestig en zeventig en die van Asse-Kalkoven in de tachtiger jaren. Niet alleen het aantal objecten is sterk toegenomen, ook het aantal sites is sinds 1958 verviervoudigd. Deze toename kan deels verklaard worden door het toenemende aantal opgravingen en de betere opgravingstechnieken, maar is ook deels te wijten aan de systematische studie van deze categorie archaeologica. Hierdoor zijn de opgravers zich beter bewust van de mogelijkheden die terracotta’s kunnen bieden voor de interpretatie van de vindplaatsen en worden ze zo sneller gesignaleerd en onderzocht. Deze cijfers illustreren duidelijk het belang van een systematische materiaalstudie.
Een belangrijke eigenschap van de Vlaamse terracotta’s is dat zij op het raakpunt liggen van de economische invloedssfeer van de Midden-Gallische import en de Rijnlandse import. (De Beenhouwer 1993) Het gevolg hiervan is een ongewone rijkdom van het typenrepertorium en een unieke kans om beiden met elkaar te confronteren. (De Beenhouwer 2005) Het is dan ook niet te verwonderen dat Vlaamse terracotta’s als parallellen terug te vinden zijn in repertoria zowel uit Zwitserland als uit Duitsland en Nederland (Lange 1994; Schauerte 1985; Van Boekel 1987, 1989a, 1990 en 1996; Von Gonzenbach 1995) of in thematische artikels. (Van Boekel 1989b)
De onderzoeksmethode is in de loop der jaren geëvolueerd van een beschrijvende, meer kunsthistorische benadering tot een veelzijdig onderzoek waarbij naast de iconografische aspecten ook de archeologische contexten en de eigenschappen van het aardewerk worden bestudeerd. (De Beenhouwer 1996a en b) Belangrijk is daarbij dat de beeldjes niet meer als op zichzelf staande creaties worden beschouwd, maar wel als serieproducten, die door afvorming in mallen werden gereproduceerd. (Lange 1994) Het besef groeit dat de reconstructie van dat productieproces belangrijke informatie kan bieden op chronologisch vlak, maar ook op het domein van de studie van de ateliers en de iconografische evolutie. (De Beenhouwer 2005)
Ook aan de archeologische contexten wordt in toenemende mate aandacht geschonken. Een goed voorbeeld zijn de grafvondsten. In heel Vlaanderen zijn veertien graven bekend met terracotta’s. Van de oudste vondsten is doorgaans geen informatie bekend over het graf of de grafritus. Van de recentere vondsten zoals te Destelbergen (De Laet e.a. 1969, 38-41), Oudenburg, Gors-Opleeuw (Lux & Roosens 1971, 22) en Tongeren-Hazelereik (Creemers e.a. 1991, 24-25) zijn wel bijzonderheden bekend over de grafritus, het antropologisch onderzoek (Destelbergen en Gors-Opleeuw), de grafgiften en de positie van de beeldjes in het graf. Dit leverde interessante gegevens over de betrokkenheid van de terracottabeeldjes bij de grafritus en over de relatie tussen geslacht en leeftijd van de overledene en de figuurtjes. Met zekerheid kan nu worden vastgesteld dat er geen relatie hoeft te zijn tussen vrouwelijke voorstellingen in graven en het geslacht van de overledene. Ook kon worden vastgesteld dat zij in brandrestengraven deel uitmaakten van de grafritus en dat de meestal gebroken en onvolledige resten met zorg werden bijgezet. Door het geringe aantal graven met beeldjes kunnen wij niet spreken van een algemeen funerair gebruik, maar eerder van een uitzonderlijk voorkomen van terracotta’s in graven.
Een belangrijk aandeel van de Vlaamse terracottavondsten wordt gevormd door grote depots, die niet alleen uitblinken in aantal, maar ook in kwaliteit van bewaring en in rijkdom van het typenrepertorium. Het terracottadepot van Tongeren dat al bekend was van de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw werd opnieuw bestudeerd, waarbij vooral de herkomstproblematiek centraal stond. (De Beenhouwer 1991a en b) In 1967 werd in Harelbeke bij grondwerken een context verstoord waarin naast luxevaatwerk en glas een grote hoeveelheid terracotta’s werd aangetroffen (Despriet 1970, 1973, 1973-1974, 1974, 1975a en 1979; Ooghe e.a. 1979; De Meulemeester e.a. 1984; Viérin 1987). De beeldjes en de andere voorwerpen werden verspreid over de omliggende velden en gedurende de daaropvolgende jaren door plaatselijke geïnteresseerden ingezameld. Jammer genoeg zijn geen gegevens bekend over de kenmerken van de context en de precieze lokalisatie ervan. Hetzelfde geldt voor de vondsten van Asse-Kalkoven. Bovenop de al gekende paardenbeeldjes die er in de 19de eeuw werden ontdekt, kwam in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw opnieuw een depot aan het licht met een vergelijkbaar typenrepertorium van hoofdzakelijk paardenbeeldjes. (Geubels 1987; Lens 1989; Scheltens 1981) Enkele beperkte opgravingscampagnes tussen 1982 en 1986 werden uitgevoerd in opdracht van de gemeente Asse en later voor de vereniging Agilas, waarbij de leiding van de opgraving wisselde in de loop van de campagnes. Van dit onderzoek kan weinig meer gezegd worden dan dat de beeldjes uit een homogene kuilvulling afkomstig waren. De omgeving van de kuil werd niet opgegraven en zelfs de kuilranden werden nooit bereikt. Dit voorbeeld illustreert het belang van een goede coördinatie van de opgraving en het bepalen van de doelstellingen. De nieuwe vondsten dragen in grote mate bij tot de kennis van het typenrepertorium en de handelsrelaties. Anderzijds illustreren zij een lacune in het onderzoek. Geen enkele van deze belangrijke vondsten is gekaderd binnen de site, erger nog, de archeologische contexten van de nieuw ontdekte depots blijven onbekend. Op dit vlak is er geen vooruitgang geboekt tegenover de situatie in het begin van de twintigste eeuw.
Voor de toekomst zouden volgende aspecten dan ook prioritair behandeld moeten worden:
Amand M. 1971: A propos d’une figurine de genius cucullatus découverte à Tournai, Latomus 30, 142-145.
Braeckman K., De Mulder G. & Rogge M. 1997: Opgravingen in de Gallo-Romeinse vicus te Velzeke. Een interimverslag 1995-1996, Handelingen van het Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde 8, 199-211.
Creemers G., Nouwen R., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1991: Gallo-Romeinse vondsten in privé-bezit, Tentoonstellingscataloog, Tongeren.
Van Rechem H. & Vynckier G. 2006: Tongeren: Sint-Truidersteenweg. In: G. Creemers & A. Vanderhoeven (red.), Archeologische Kroniek Limburg 2001, Limburg – Het Oude Land van Loon 85, 1, 57-60.
Creus I. 1975: De Gallo-Romeinse nederzetting onder het laat-Romeins grafveld van Oudenburg, Archaeologia Belgica 179, Brussel.
Bogaert C. 1971-1972: De Gallo-Romeinse vicus van Elewijt (Brabant), Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, Gent.
De Beenhouwer J. 1986: De Gallo-Romeinse statuetten in terracotta gevonden in België, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling KUL, Leuven.
De Beenhouwer J. 1991a: Terrakotten aus Kölner Werkstätten. Der depotfund von Tongeren, Kölner Jahrbuch für Vor- und Frühgeschichte 24, 395-412.
De Beenhouwer J. 1991b: Roman terracotta statuettes from a close find at Tongeren and their relation to the Köln, Trier and central-Rhine production centres, Acta Archaeologica Lovaniensia 30, 61-93.
De Beenhouwer J. 1993: Répartition des figurines en terre cuite trouvées en Belgique. In: C. Bémont, M. Jeanlin & C. Lahanier (red.), Les figurines en terre cuite gallo-romaines, Documents d’Archéologie Française 38, Paris, 228-239.
De Beenhouwer J. 1995: Fragment van een moedergodin in terracotta uit K 119. In: P. Deschieter, Romeins Kortrijk III. De zuidwijk. Vondsten uit de Abdij van Groeninge 1988-1992, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 32, Kortrijk, 124-128.
De Beenhouwer J. 1996: De Gallo-Romeinse tempel van Hofstade - Steenberg (Prov. O.-VL.). In: M. Lodewijckx (red.), Archaeological and historical aspects of West -European Societies. Album Amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 153-163.
De Beenhouwer J. 1996: Onderzoek van terracotta-statuetten: problematiek en methodologie. In: H. Thoen & F. Vermeulen (red.), Romeinendag 13 maart 1996, Gent, 17-19.
De Beenhouwer J. 1998: Drie fragmenten van terracottabeeldjes uit Merendree (Nevele, Oost-Vlaanderen), VOBOV-Info 47, 54-58.
De Beenhouwer J. 2000: Terracottabeeldjes van Venus en Minerva op het Gallo-Romeinse heiligdom van Kontich-Kazerne (Antwerpen, België), Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie 1, 38-52.
De Beenhouwer J. 2001: Terracotta statuettes depicting Venus and Minerva in the Roman sanctuary of Kontich-Kazerne (B, Prov. Antwerpen). In: M. Lodewijckx, Belgian Archaeology in a European Setting II, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 13, Leuven, 207-216.
De Beenhouwer J. 2005: De Gallo-Romeinse terracottastatuetten van Belgische vindplaatsen in het ruimer kader van de Noordwest-Europese terracotta-industrie, Doctoraal proefschift KUL, Leuven.
De Beenhouwer J. 2007: Résultats et potentialités de la base de données des figurines en terre cuite gallo-romaines du nord-ouest de l’Europe, SFECAG. Actes du Congrès de Langres, Marseille, 209-222.
De Boe G. 1970: Belgique romaine 1966-1967, l’ Antiquité Classique 39, 178-197.
De Boe G. 1966: De Gallo-Romeinse nederzetting op de Steenakker te Mortsel (Antwerpen), Archaeologia Belgica 94, Brussel.
De Clerck M. 1983: Vicus Tienen. Eerste resultaten van een systematisch onderzoek naar een Romeins verleden, Tienen.
De Laet S. J., Van Doorselaer A., Desittere M. & Thoen H. 1970: Het Gallo-Romeins grafveld van Destelbergen, Oudheidkundige Opgravingen en Vondsten in Oost-Vlaanderen 5 (1969), 2, 23-189.
De Meulemeester J., De Paepe P., Derycke Th., Despriet P., Devliegher L., De Vos W., Ferfers F., Janssens P., Janssens D.M., Lesage R., Ooghe R., Raveschot P., Van Hoonacker E., Vanmoerkerke J., Verhaeghe F. & Verhaest M. 1984: Bodemschatten uit Zuid-West-Vlaanderen: resultaten van 25 jaar oudheidkundige opgravingen, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 10, Kortrijk.
Despriet P. 1970: Harelbeke-Stasegem: vicus, Archeologie 1970, 1, 15 en pl. I-II.
Despriet P. 1973: Het oudheidkundig bodemonderzoek in het arrondissement Kortrijk in 1972, De Leiegouw 15, 256-258.
Despriet P. 1973-1974: Gallo-Romeinse terracottabeeldjes van Harelbeke, Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk 40, 3-59.
Despriet P. 1974: Enkele algemene beschouwingen aangaande de stand van het oudheidkundig bodemonderzoek in Harelbeke, In: J. Smeesters, Archeologisch congres – Tongeren. Handelingen, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 19, Tongeren, 31-41.
Despriet P. 1975a: Romeins Harelbeke, De Leiegouw 17, 195-211.
Despriet P. 1975b: Wervikse archeologica, Verslagen en Mededelingen van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik 10, 29-37.
Despriet P. 1979: Enkele kleine Gallo-Romeinse vondsten in Harelbeke-Stasegem, De Leiegouw 21, 371-374.
Geubels P.-P. 1987: Asse-Kalkoven in de Romeinse periode, Onuitgegeven licentiaatstverhandeling RUG, Gent.
Lamarcq D. & Rogge M. 1996: De taalgrens van de oude tot de nieuwe Belgen, Leuven.
Lange H. 1994: Die koroplastik der Colonia Claudia Ara Agrippinensium. Untersuchungen zur Typologie, Technik, Werkstattfunden, Betrieben, Signaturen und Produktionszeit, Kölner Jahrbuch 17, 117-309.
Lauwers F. 1966: Opgravingen te Kontich, Archeologie 1966, 2, 62-63.
Lens A. 1989: Gallo-Romeinse terracottafigurines gevonden te Asse-Kalkoven I en II, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, Gent.
Lux G.V. & Roosens H. 1971: Een Gallo-Romeins grafveld te Gors-Opleeuw, Archaeologia Belgica 128, Brussel.
Mariën M.E. 1980: Belgica Antiqua. De stempel van Rome, Antwerpen.
Martens M. 2001: De gunsten van de goden: offerrituelen in de vicus van Tienen, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen 2001, 1, 22-24.
Martens M., Hanut F., Ervynck A., Lentacker A., Cosyns P., Van Heesch J. & De Beenhouwer J. 2002: Ensemble détritique ou contexte cultuel? Etude du matériel archéologique et des restes fauniques d'une grande fosse (S 082) du vicus de Tirlemont (Tienen, Belgique), Revue du Nord. Archéologie de la Picardie et du Nord de la France 84, 348, 43-89.
Mertens J. 1987: Oudenburg Romeinse legerbasis aan de Noordzeekust, Archaelogicum Belgii Speculum IV, Brussel.
Ooghe R., Debrabandere F. & Despriet P. 1979: Harelbeke, Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen 1, 28-49.
Renier J.-P. (red.) 1993: Wervick. Het verhaal van een grensstad. Récit d’une ville frontière, Wervik.
Rogge M. 1978: Kataloog van de vondsten uit de Gallo-Romeinse nederzettingen van Zottegem - Velzeke, Oudheidkundige opgravingen en vondsten in Oost-Vlaanderen VIII, Cultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, Bijdragen. Nieuwe Reeks 6, 65-128.
Rogge M., Thoen H. & Vermeulen F. 1990: Oost-Vlaanderen in de Romeinse tijd, VOBOV-Info 38-40, 55-70.
Rogge M. & Van Doorselaer A. 1976: De Gallo-Romeinse nederzetting op de Tomberg in Beveren-Leie. De opgravingen van 1972-1973, De Leiegouw 18, 353-395.
Schauerte G. 1985: Terrakotten mütterlicher Gottheiten. Formen und Werkstätten rheinischer und gallischer Tonstatuetten der römischen Kaiserzeit, Beihefte der Bonner Jahrbücher 45, Köln.
Scheltens E. (red.) 1981: Asse waar de Romeinen thuis waren: Romeinse aanwezigheid te Asse, Tentoonstellingscataloog, Asse.
Swennen B. 2001-2002: Bronzen en terracotta godenbeeldjes gevonden in de civitas Tungrorum, Onuitgrgeven licentiaatsverhandeling RUG, Gent.
Thoen H. 1967: De Gallo-Romeinse nederzetting van Waasmunster-Pontrave, Oudheidkundige Repertoria. Reeks B: De Verzamelingen III, Brussel.
Van Boekel G.M.E.C. 1987: Roman Terracotta Figurines and Masks from the Netherlands, Groningen.
Van Boekel G.M.E.C. 1989a: Terracottabeeldjes van de Scheveningseweg. Romeinse vondsten uit s’Gravenhage II. Gemeente s’Gravenhage, Afdeling Verkeer en Vervoer, Openbare Werken en Monumentenzorg, Sectie Archeologie, Reeks 3, 's Gravenhage.
Van Boekel G.M.E.C 1989b: Roman terracotta horse figurines as a source for the reconstruction of harnessing. In: C. Van Driel-Murray C. (red.), Roman Military Equipment: the Sources of Evidence. Proceedings of the Fifth Roman Military Equipment Conference, British Archaeological Reports. International Series 476, Oxford, 75-121.
Van Boekel G.M.E.C. 1990: Romeinse terracottabeeldjes uit Valkenburg (Z.H.). In: E.J. Bult & D.P. Hallewas (red.), Graven bij Valkenburg III. Het archeologische onderzoek in 1987 en 1988, 101-116.
Van Boekel G.M.E.C. 1996: Romeinse terracotta’s, Museumstukken 6, Nijmegen.
Van Bogaert A.-J. 1964: Kelten, Galliërs, Romeinen in de “Durme- en Scheldehoek”, Sint-Niklaas.
Vanderhoeven A., Vynckier G., Cooremans B., Ervynck A., Lentacker A. & Van Neer W. 2007: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de de Schaetzengaarde te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2004, Relicta 3, Brussel, 159-182.
Verbeeck M. 1994: Vijf opgravingscampagnes te Erps-Kwerps (1987-1991). Een bewoningscontinuïteit van de Prehistorie tot de Middeleeuwen, Acta Archaeologica Lovaniensia 33, 67-87.
Viérin J. 1987: Vijfentwintig jaar bodemprospektie, Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk 53, 5-101.
Von Gonzenbach V. 1995: Die Römischen Terracotten in der Schweiz: Untersuchungen zu Zeitstellung, Typologie und Ursprung der mittelgallischen Tonstatuetten, Band A, Tübingen - Basel.
Warmenbol 1999: Fragment van beeldje. In: H. Willems & W. Clarysse (eds.), Keizers aan de Nijl, Tentoonstellingscataloog, Leuven, 323
Binnen de studie van de Romeinse materiële cultuur in Vlaanderen neemt het glasonderzoek voorlopig nog een zeer bescheiden plaats in. Glas is noch in Vlaanderen, noch in Wallonië al het voorwerp geweest van gedetailleerd syntheseonderzoek. Hoewel glasvondsten van zowel oude als recente opgravingen meestal wel een plaats kregen in publicaties binnen de beschrijving van het vondstenrepertorium, bleef tot op heden het verdere onderzoek beperkt tot onopvallende initiatieven ter aanvulling van de globale opgravingsresultaten. Anders geformuleerd, archeologisch glas wordt nog teveel beperkt tot een opsomming in lijsten om het opgravingsverslag te vervolledigen. De glasvondsten worden nauwelijks vanuit enige wetenschappelijke vraagstelling of diepgang bestudeerd zoals dit gebeurt bij aardewerk. Uitzondering vormen enkele topvondsten (bijv. Despriet 1972; Fontaine-Hodiamont 1994; Cosyns, Vanderhoeven en Vynckier 2004; Massart & Fontaine-Hodiamont 2004; Cosyns et al. 2005; Cosyns 2007) of specifieke categorieën, zoals het zwarte glas (Cosyns & Hanut 2005; Cosyns et al. 2006) of het vaatwerk met slangdraadversiering (Hanut 2006b) die het onderwerp vormden van een aparte publicatie. Dat tot op heden het glasonderzoek nooit tot een volwaardig agendapunt geëvolueerd is binnen de materiaalstudie, is voornamelijk te wijten aan de relatief kleine hoeveelheden binnen de kleinschalige noodopgravingen, maar ook door de veelal grote fragmentatie van de glasvondsten, waardoor ten onrechte wordt gedacht dat te weinig archeologisch waardevolle informatie uit de glasstudie te concluderen valt.
Wat betreft de antieke geschreven bronnen omtrent glasproductie en glasconsumptie is Plinius de Oudere met zijn Naturalis Historia veruit de belangrijkste gegevensbron. Daarnaast zijn heel wat opschriften en vermeldingen van allerhande antieke auteurs zoals Flavius Josephus, Seneca, Martialis, Petronius welbekend. (Trowbridge 1930; Forbes 1966, Stern 2007)
Een reeks publicaties over het glazen vaatwerk van de grotere sites zoals Trier (Goethert-Polaschek 1977), Avenches (Bonnet Borel 1997), Augst (Rütti 1991) of Krefeld-Gellep (Pirling 1966-2006) kunnen als voorbeeld fungeren voor glasonderzoek in Vlaanderen. In dit rijtje sites zouden de glasensembles opgegraven in Tienen, Tongeren of Oudenburg – met hun internationaal belang – niet misstaan. De verwerking of publicatie ervan laat echter op zich wachten. Daarenboven ligt het glasmateriaal van heel wat kleinere sites onaangeroerd in de depots, hoewel dit materiaal een meerwaarde kan bieden aan de archeoloog.
Een eerste aanzet voor de studie van het Romeins glazen vaatwerk in Vlaanderen waren de museumcatalogi van het glas van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren en van het Grand Curtius te Luik van de hand van Michel Vanderhoeven. (Vanderhoeven 1958; 1961; 1962) Het standaardreferentiewerk voor het onderzoek van glazen vaatwerk is nog steeds de synthese van Clasina Isings, die het toen bekende Vlaams/Belgisch glasmateriaal verwerkt heeft in haar ‘Roman glass from dated finds’ (1957). Buiten het glasmateriaal van enkele grotere ensembles, zoals dat van het grafveld van Oudenburg (Mertens en Van Impe 1971) en Tongeren (Vanvinckenroye 1984) is het opgegraven glas heel versnipperd opgenomen in tal van publicaties, veelal beperkt tot die in de reeks Archaeologia Belgica van de voormalige Nationale Dienst voor Opgravingen. Het betreft vooral grafcontexten.
Recentelijk zijn op bescheiden manier enkele pogingen ondernomen om een synthese op te stellen van het Romeins glasspectrum in België in het algemeen en in Vlaanderen in het bijzonder (Vanderhoeven 1989; Hanut 2003; Cosyns 2005b; Hanut 2006a; Cosyns 2008a). Dit onderzoek is maar van regionale omvang. Verder zijn enkele glasensembles onderzocht in het kader van een licentiaatsverhandeling, zoals één van Velzeke (Leenknegt 2002) of dat van Tienen, Grijpenveld (Cosyns, ongepubliceerd).
Wat betreft glazen sieraden is onze kennis nog veel geringer dan wat betreft het vaatwerk. Terwijl de kralen amper aan bod komen – uitzonderingen zijn alweer de publicaties van de grafvelden van Oudenburg (Mertens & Van Impe 1971) en Tongeren (Van Vinckenroye 1984), zijn er wel een paar onderzoeken uitgevoerd naar de glazen armbanden (De Witte 1977; Cosyns 2003). Romeinse gemmen waren het onderwerp van de licentiaatsverhandeling van K. Sas (1992) en een onderdeel van haar doctoraatsproefschrift (Sas 1999), wat uitmondde in enkele publicaties. (Sas 1993a, b, c; Sas 1994; Sas 1997) Rond vingerringen, pendentieven en haarpinnen is amper gepubliceerd. Wel werden heel wat vondsten opgenomen in de tentoonstellingscatalogus van Schone Schijn. (Sas en Thoen 2002) Dergelijke vondsten worden ook deels opgenomen in een lopend projectonderzoek aan de VUB. 1
Het Romeinse vensterglas in Vlaanderen is nauwelijks onderwerp geweest van onderzoek, maar daarin komt geleidelijk aan verandering. Korte, algemene overzichten zijn recent gepubliceerd (Cosyns 2005a; 2008a; 2008b), welke ook enkele invalshoeken aankaarten voor verder vernieuwend onderzoek.
Naar aanleiding van de tentoonstelling ’Schone Schijn’ (Sas en Thoen 2002) en een themanummer van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen (Cosyns 2001) kregen de glasvondsten van de site Tienen-Grijpenveld enige aandacht. In het kader van een internationaal symposium rond glasonderzoek werden voor Germania Inferior interregionale vergelijkingen onderzocht en recent glasonderzoek voorgesteld (Creemers, Demarsin en Cosyns 2006), waaronder de studie van het Romeins glas van Rumst (Sevenants en Cosyns 2006) en Tienen. (Cosyns, Martens, Debruyne 2006)
Bovenstaand overzicht toont aan dat de studie van het Romeinse glas in Vlaanderen nog in haar kinderschoenen staat. In de toekomst is vooral nood aan:
Het is duidelijk dat een nieuwe impuls noodzakelijk is om de huidige achterstand binnen het Romeins glasonderzoek in Vlaanderen weg te werken ten opzichte van het internationale forum, temeer daar hele collecties nog ongepubliceerd materiaal een meerwaarde kunnen bijbrengen op het internationale platform. Op middellange termijn zou men in staat moeten zijn om te komen tot een eerste grote synthese bruikbaar voor elke archeoloog in Vlaanderen geconfronteerd met Romeinse sites.
Bonnet Borel F. 1997 : Le verre d’époque romaine à Avenches - Aventicum. Typologie générale, Documents du Musée Romain d’Avenches 3, Avenches.
Cool H.E.M. & Baxter M.J. 1996 : Quantifying glass assemblages. In : Annales du 13e Congrès de l’Association Internationale pour l’Histoire du Verre (Pays-Bas 1995), Lochem, 93-101.
Cosyns P. 2001 : ‘Het glas’ in Stedelijk Museum “het Toreke”, Tienen, Openbaar Kunstbezit Vlaanderen 1, 15-16.
Cosyns P. 2002 : Un four de verrier romain du IIe siècle à Tirlemont (Belgique), Bulletin de l'Association Française pour l’Archéologie du Verre 2001, 8.
Cosyns P. 2003 : Romeinse glazen armbanden, gevonden in België. In: Journée d'archéologie romaine-Romeinendag 2003, 15-19.
Cosyns P. 2005a : Le verre plat romain en Belgique. In : De transparentes spéculations. Vitres de l’Antiquité et du Haut Moyen Âge (Occident-Orient), exposition temporaire au Musée départemental de Bavay 1/10 – 31/12/2005, 49-51.
Cosyns P. 2005b : Romeins glas in België (deel 1), AVRA Bulletin 5, 41-52.
Cosyns P. 2007 : An early Roman Composite Ribbed Bowl with Base-Ring in the Archaeological Museum of Grobbendonk, Belgium, Journal of Glass Studies 49, 259-261.
Cosyns P. 2008a : Romeins glas in België (deel 2), AVRA Bulletin 8, 31-38.
Cosyns P. 2008b : Le verre à vitre en Belgique à l’époque gallo-romaine, Colloque International 'Verre et Fenêtre', Paris 13-15/10/2005. (on-line)
Cosyns P. in voorbereiding : De productie en het gebruik van Romeins zwart glas in het Romeinse Rijk van de 1ste tot de 5de eeuw. Een archeologische, historische en archeometrische benadering, Doctoraal proefschrift VUB.
Cosyns P. & Hanut F., 2005 : Black Glass of second to third-century date in northern Gaul: a preliminary survey, Annales du 16e Congrès de l'Association Internationale pour l'Histoire du Verre, London 2003, Nottingham, 113-118.
Cosyns P, Janssens K., Vander Linden V. & Schalm O. 2006 : Black glass in the Roman Empire : a work in progress. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P., (eds), Roman Glass in Germania Inferior. Interregional Comparisons and Recent Results, International colloquium Tongeren, 13/05/2005, Atuatuca 1, Hasselt, 30-41.
Cosyns P. & Martens M. 2003 : Un four de verrier romain du 2e s. à Tirlemont (Belgique), Bulletin de l'Associationo Française pour l’Archéologie du Verre 2002-2003, 34-37.
Cosyns P., Martens M. & Debruyne T., 2006 : Contextual analysis of glass in the Roman vicus Tienen. Preliminary results. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (eds), Roman Glass in Germania Inferior. Interregional Comparisons and Recent Results, International colloquium Tongeren, 13/05/2005, Atuatuca 1, Hasselt, 98-105.
Cosyns P., Vanderhoeven A. & Vynckier G., 2004 : Twee fragmenten van glazen bekers met Griekse inscripties uit de Kielenstraat te Tongeren. In: Journée d'archéologie romaine - Romeinendag 2004, 13-19.
Cosyns P., Vanderhoeven A., Vynckier G., Janssens K., Schalm O. & Vander Linden V. 2005 : Two Fragments of Mold-Blown Glass Beakers with Greek Inscriptions from Tongeren (Belgium). Journal of Glass Studies 47, 179-183.
Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (eds) 2006 : Roman Glass in Germania Inferior. Interregional Comparisons and Recent Results, International colloquium Tongeren, 13/05/2005, Atuatuca 1, Hasselt,.
De Clerck M., Moreau G., Verbeeck M. 1987 : Bierbeek 30 cm dieper: archeologische inventaris van 15 jaar prospectie en opgravingen, Bierbeek.
De Meulemeester J. 1974 : De verzamelingen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas in het Museum te Sint-Niklaas (van de Bronstijd tot de Merovingische tijd), Oudheidkundige Repertoria-Répertoires Archéologiques. Série B,VIII, Brussel.
De Schaetzen P. 1950 : La tombe belgo-romaine de Riempst, Bulletin de l’Institut Archéologique Liégeois 67, 37-60.
de Schaetzen P. & Vanderhoeven M., 1955 : Twee Romeinse graven uit Tongeren, Het Oude Land van Loon 10, 101-113.
Despriet P. 1972 : Prismafles in de Jacob Van Maerlantstraat, De Leiegouw XIV, 4, 1972, 429-431.
De Witte H. 1977 : Glazen armbanden uit de voorromeinse en romeinse periode, gevonden in België, Ongepubliceerde MA-thesis UG, Gent.
Fontain-Hodiamont C. 1994 : Une technique particulière pour la fabrication des coupes en verre mosaïque de Hollogne-aux-Pierres (Belgique). Le témoignage de Pline l’Ancien (Histoire Naturelle, XXXVI, 199), Bulletin van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis 65, 27-63.
Forbers R.J. 1966 : ‘Glass’. In: Forbes R.J. Studies in ancient technology 5, Leiden, 112-216.
Goethert-Polaschek K. 1977 : Katalog der römischen Gläser des Rheinischen Landesmuseums Trier, Trierer Grabungen und Forschungen 9, Mainz.
Gyselinck F., De Smedt F. & Scheltens E. 1981 : Een Gallo-Romeins grafveld te Asse. In: Scheltens E. (ed.), Asse waar de Romeinen thuis waren. Romeinse aanwezigheid te Asse, Asse, 31-44.
Hanut F. 2003 : Périodisation de la verrerie au Ier siècle ap. J.-C. dans le Nord de la Gaule, Bulletin de l’Association Française pour l’Archéologie du Verre 2002-2003, 27-34.
Hanut F. 2006a : La verrerie dans la Cité des Tongres au Haut-Empire: un aperçu général. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (eds), Roman Glass in Germania Inferior. Interregional Comparisons and Recent Results, International colloquium Tongeren, 13/05/2005, Atuatuca 1, Hasselt, 10-28.
Hanut F. 2006b : La vaisselle à décor vermiculaire en Belgique: chronologie et utilisation. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns P. (eds), Roman Glass in Germania Inferior. Interregional Comparisons and Recent Results, International colloquium Tongeren, 13/05/2005, Atuatuca 1, Hasselt, 114-124.
Isings C. 1957 : Roman glass from dated finds, Archaeologica Traiectina 2, Groningen/Djakarta.
Isings C. 1964 : Glass from Ulpia Noviomagus, Bulletin van de vereeniging tot bevordering der kennis van de antieke beschaving te ‘s-Gravenhage 39, 174-179.
Janssens D. 1977 : Een Gallo-Romeins grafveld te Maaseik, Archaeologia Belgica 198, Brussel.
Leenknegt E. 2002 : Het Romeins glazen vaatwerk van Velzeke en Kruishoutem, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling UG, Gent.
Leva C. & Coene G. 1969 : Het gallo-Romeins grafveld in de Moenstraat te Kortrijk, Archaeologia Belgica 114, Brussel.
Lux G.V. & Roosens H. 1971 : Een Gallo-Romeins Grafveld te Gors-Opleeuw, Archaeologia Belgica 128, Brussel, 5-53.
Mertens J. 1955 : Gallo-Romeins in Vlaams Brabant, Archaeologia Belgica 23, Brussel.
Mertens, J. 1952 : Une riche tombe gallo-romaine découverte à Tirlemont, Archaeologia Belgica 7, Brussel, 39-73.
Mertens J. & Van Impe L. 1971 : Het Laat-Romeins grafveld van Oudenburg, Archaeologia Belgica 135, Brussel.
Mariën M.-E. 1994 : Quatre tombes romaines du IIIe siècle. Thorembais-Saint-Trond et Overhespen, Monographie d’Archéologie Nationale 8, Brussel.
Martens M., Hanut F., Ervynck A., Lentacker A., Cosyns P., Van Heesch J. & De Beenhouwer, J. 2003 : Ensemble détritique ou contexte cultuel? Etude du matériel archéologique et des restes fauniques d'une grande fosse (S082) du vicus de Tirlemont (Tienen, Belgique), Revue du Nord (Archéologie de la Picardie et du Nord de la France) 84, 348, 43-89.
Massart C. & Fontaine-Hodiamont C., 2004 : Les unguentaria du tumulus gallo-romain de Vorsen (com. De Montenaken, prov. De Limbourg) : restauration, marques et contenus, Bulletin de l’Institut Royal du Patrimoine Artistique 30, 2003, 119-142.
Pirling R. 1966 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 2, Berlin.
Pirling R. 1974 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep 1963-1966, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 8, Berlin.
Pirling R. & Hollstein E. 1979 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep 1964-1965, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 10, Berlin.
Pirling R. & Hundt H.-J. 1989 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep 1966-1974, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 13, Wiesbaden.
Pirling R. 1997 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep 1975-1982, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 17, Stuttgart.
Pirling R. & Siepen M. 2000 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep 1983-1988, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 18, Stuttgart.
Pirling R. & Siepen M. 2003 : Das römisch-fränkische Gräberfeld von Krefeld-Gellep 1989-2000, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, Die Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 19, Stuttgart.
Pirling R. & Siepen M. 2006 : Die Funde aus den römischen Gräbern von Krefeld-Gellep: Katalog der Gräber 6348-6361, Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit Serie B, De Fränkischen Altertümer des Rheinlandes 20, Stuttgart.
Raepsaet G. & Raepsaet-Charlier M.-Th. 1975 : Gallia Belgica et Germania Inferior. Vingt-cinq années de recherches historiques et archéologiques. In: Temporini H. & Haase W. (eds), Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II, 4, Berlin – New York, 3-299.
Roosens H. & Lux G.V. 1973 : Grafveld met Gallo-Romeinse tumulus te Berlingen, Archaeologia Belgica 147, Brussel.
Rütti, B., 1991 : Die römischen Gläser aus Augst und Kaiseraugst, Forschungen in Augst 13, 1-2, Augst.
Sablerolles Y. 2006 : Marks on Glass Vessels from the Netherlands and Flanders (Belgium). In Foy D. & Nenna M.-D. (eds.), Corpus des signatures et marques sur verres antiques 2, Aix-en-Provence - Lyon, 15-68.
Sas K. 1992 : Studie van de Romeinse gemmen – intaglio’s en cameeën - in België. Ongepubliceerde licentiaatsverhandeling RUG, Gent.
Sas K. 1993 : A study of Roman engraved gemstones - intaglios and cameos - in Belgium, Helinium XXIII/1, 108-137.
Sas K. 1993 : De Romeinse gemmen van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Bulletin van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis 64, 271-292.
Sas K. 1993 : De Romeinse gemmen van de vicus Velzeke, Handelingen van het Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde VI, 213-223.
Sas K. 1994 : De gem van Kontich en de Romeinse gemmen in België (samenvatting lezing AVRA 16.2.1994), Jaarboek 1994. Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie, 10-15.
Sas K. 1997 : Les gemmes romaines de Belgique. In: Moulin J. & Cahen-Delhaye A. (eds), 1997. La parure dans nos régions de la Préhistoire au Moyen Age, Vie Archéologique 48, 81-86.
Sas K. 1999 : Juwelen en juwelierskunst in Romeins België: Bijdrage tot de studie van de Romeinse sierkunst, Ongepubliceerde doctoraatsverhandeling RUG, Gent.
Sas K. & Thoen H. (eds) 2002 : Schone Schijn/Brillance et Prestige. Romeinse juweelkunst in West-Europa/La joaillerie romaine en Europe occidentale, Leuven.
Schuermans H. 1863 : Exploration de quelques tumulus de la Hesbaye. II. Fouilles dans les Dry Tommen à Frésin. Bulletin des Commissions Royales d’Art et d’Archéologie 2, 125, 129, 194.
Schuermans H. 1865 : Exploration de quelques tumulus de la Hesbaye. III. Fouilles dans la Tombe Hémava à Montenaken. Bulletin des Commissions Royales d’Art et d’Archéologie 4, 367-376 en 431-432
Sevenants W. & Cosyns P. 2006 : Roman Glass from Rumst. In: Creemers G., Demarsin B. & Cosyns, P. (eds), Roman Glass in Germania Inferior. Interregional Comparisons and Recent Results, International colloquium Tongeren, 13/05/2005, Atuatuca 1, Hasselt, 106-112.
Stern E.M. 2007 : Ancient Glass in a Philological Context, Mnemosyne 60, 341-406.
Trowbridge M. L. 1930 : Philological studies in ancient glass, University of Illinois Studies in Language and Literature 13, 3-4.
Vanderhoeven M. 1958 : Verres romains tardifs et mérovingiens du Musée Curtius, Liège.
Vanderhoeven M. 1961 : Verres romains (Ier-IIIème siècle) des Musées Curtius et du Verre à Liège, Liège.
Vanderhoeven M. 1962 : De Romeinse glasverzameling in het Gallo-Romeins museum te Tongeren, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 2, Tongeren.
Vanderhoeven M. 1989 : Van de prehistorie tot het einde van het Romeinse Keizerrijk. In: Engen L. (ed.), Het glas in België: van oorsprong tot heden, Antwerpen, 11-21.
Vander Linden V., Cosyns P., Schalm O., Cagno S., Nys K., Janssens K., Jablonka K., Wagner B. & Bulska, E. (in druk) : The use of EPMA-analysis and LA-ICP-MS in the recognition of different iron-sources employed in the production of Roman black glass, Archaeometry 2008-6.
Vanvinckenroye W. 1984 : De Romeinse zuidwest begraafplaats van Tongeren (Opgravingen 1972-1981), Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 29, Tongeren.
Vanvinckenroye W. 1987 : Onderzoek van de gallo-romeinse tumulus van Gutschoven, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins museum te Tongeren 35, Hasselt.
Vanvinckenroye W. 1988 : De Romeinse villa op de Sassenbroekberg te Broekem, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 38, Hasselt.
Vrijwel elke Romeinse site in Vlaanderen levert metalen vondsten op, hetzij in de vorm van slakkig materiaal, hetzij als voorwerpen uit ijzer, koperlegering of lood. Het is vaak een ‘vergeten’ categorie die meestal gedoemd is tot een stille dood in het depot. Aanzienlijke metaalensembles kunnen ons nochtans unieke informatie verschaffen die niet uit andere materiaalcategorieën te halen valt. De ijzeren, koperlegering- en lood-vondsten kunnen een licht werpen op de zaken van alledag en bieden ons een kijkvenster op het dagelijkse leven. Alle Romeinse sites leveren wel ijzeren nagels op, vaak in verschillende variëteiten. Alhoewel we hun archeologische waarde zeker niet mogen onderschatten (Guillaume 2005); (in druk), zijn het vooral andere metaalcategorieën die inzichten bieden in de activiteiten die plaatsvonden op de locatie van de vondsten. Zoals de nagels, kunnen ook beslagfragmenten en bevestigingselementen voor verschillende doeleinden zijn gebruikt. Heel wat metalen objecten horen echter in specifieke domeinen thuis: keukengerei, kledijaccessoires en sieraden, messen, recipiënten, schrijfgerei, sleutels en sloten, toiletgerei en medische instrumenten, verlichting, onderdelen van vervoersmiddelen, wapens en militaria, werktuigen. Daarnaast is er nog de belangrijke categorie van metaalvondsten die te maken heeft met industrie en productie.
De hierna volgende status quaestionis van onze bibliografische kennis over Romeins metaal in Vlaanderen is zeker niet exhaustief. Het spreekt voor zich dat niet alle vondstmeldingen worden opgenomen. Dergelijke nota’s brengen ons bovendien weinig bij over onze kennis over de Romeinse metalen artefacten. Enkel werken die een ruimere aandacht schenken aan deze vondstcategorie komen in volgend overzicht aan bod. De juwelen worden apart besproken.
In de Romeinse tijd bestond in ons land een belangrijke ijzerindustrie in de gebieden waar toen rijke ijzerertslagen dagzoomden, namelijk in de streek rond Luik, in Zuid-Luxemburg en vooral in het gebied tussen Samber en Maas. Het grote aantal slakkig materiaal op vele sites in Vlaanderen bewijst echter dat er ook hier een intense activiteit van smederijen was. Deze ambachtelijke productie maakte gebruik van aangevoerd ruwijzer, maar ook van arm moeraserts dat in de Zandstreek te vinden was. De Laet en Van Doorselaer brachten deze lokale ijzerwinning in westelijk België en de aangewende procédés in kaart, waarbij vondsten uit Temse, Elewijt, Huise, Destelbergen en Belsele werde bestudeerd en aan analyse werden onderworpen. (De Laet & Van Doorselaer 1979) Van Doorselaer had al eerder deze sporen van lokale ijzerwinning aan het licht gebracht. (Van Doorselaer 1971) (Van Doorselaer 1977) Thoen onderzocht de restanten van lokale ijzerwinning voor het Waasland (Thoen 1964, 267-273) (Thoen 1966, 101-102) en stelt een eigen ijzerproductie voor voor elke nederzetting. Hiervoor zou limoniet zijn gebruikt dat in het Waasland voorkomt onder de vorm van ijzeroer of rogsteen, moerasijzeroer, limonietknollen en limoniet-zandsteen.(Thoen 1966, 101-102)
De grondstof voor brons (koper en tin) moest worden ingevoerd. Toch worden op verschillende sites smeltkroesjes aangetroffen die wijzen op een lokale bronsgietersactiviteit. In zijn artikel Artisanat et Industrie gaf Thoen een bondig overzicht van de tot dan toe bekende sporen van metaalindustrie in België, waarbij hij Velzeke en Tongeren vermeldt als vindplaatsen van bronsgietersactiviteit (Thoen 1977). Ondertussen werden nog smeltkroesjes gevonden in het Kortrijkse (Despriet 1987) (Despriet 1991), in Harelbeke (Despriet:1969) (Despriet 1984a), Tongeren (Coolen 2002), ... Tijdens de opgravingscampagne van 2001-2005 binnen de kampmuren van het Romeinse castellum in Oudenburg werd een ambachtelijk kwartier met ateliers uit de latere 3de eeuw n.Chr. vrijgelegd, waar metaalverwerking gebeurde met o.a. de productie van fibulae in koperlegering. (Vanhoutte 2007)
Een overzicht van de algemene bibliografie met betrekking tot de ontginning van mineralen en de ateliers van Gallia Belgica en Germania Inferior kan men terugvinden. (Raepsaet & Raepsaet-Charlier 1975) Enkele gepubliceerde nota’s en korte artikels geven een idee van de regionale verspreiding van de ateliers in Vlaanderen (Thoen 1977). (Dewulf 1964) (met een latere aanvulling Despriet 1966) en (Despriet 1984b) schetsen een overzicht van de ijzerproductie in hun streek, respectievelijk van het Waasland en van Zuid-West-Vlaanderen. (Janssen 1979) en (Verbeeck 1990) weiden uit over de indicaties voor metaalbewerking in respectievelijk Opgrimbie en Kontich.
Vanaf de jaren 1990 verschenen meer werken over siderurgie. De archeometallurgie in Vlaanderen werd enkele keren onderzocht in het kader van een licentiaatsthesis (Rondelez 1993) (Schuerman 1994) (Schuerman 1996) (Van den Bosch 2004). Schuerman nam later in 1997 de ijzersmederijen in Velzeke onder de loep (Schuerman 1997). Bonenfant en Defosse (Bonenfant & Defosse 1993), en Polfer (Polfer 1999) die zich toespitsen op de herkomst van de ijzermetallurgie in onze contreien en de publicaties van Mathieu (Mathieu 1993) (Mathieu 1994) (Mathieu et al. 2004a en b) over de siderurgie op verscheidene Romeinse sites in België, bieden een goede referentie. Voor een algemener kader kan men terecht bij Domergue die de metallurgie in Gallië bespreekt. (Domergue 2006)
Het hiernavolgend overzicht van de status quaestionis over onze bibliografische kennis over metalen voorwerpen kan als aanvulling gezien worden op het basiswerk (Raepsaet & Raepsaet-Charlier 1975) dat voor de Arts du métal een repertorium voor Gallia Belgica en Germania Inferior opgeeft, zowel wat betreft bronzen beelden, als vaatwerk, fibulae, militaria, oogheelkundige instrumenten en andere objecten.
De oudste werken focussen vooral op een bespreking van bronzen beeldjes. (De Loë 1898) (Renard 1904) (De Loë 1937). De eerste studies en overzichtspublicaties over Romeins metaal verschenen in de jaren 1950 en 1960. Collon–Gevaert geeft een overzicht van de geschiedenis van het metaal (Collon-Gevaert 1950); Faider-Feytmans wijdt een werk aan de wagenuitrusting gevonden in Asse. (Faider-Feytmans 1955) Exhaustieve catalogi of publicaties over de ijzeren en bronzen objecten van Romeinse sites waren nagenoeg onbestaande, met uitzondering van de besprekingen van de grafinhoud van rijke graven. (Mertens 1952) (De Laet 1955) (Mariën 1974) Sporadisch werd een individueel object bestudeerd, zoals bijv. de steelpan uit Hamme. (De Laet 1961) Spitaels was de eerste die een specifiek vondsttype, namelijk de geëmailleerde fibulae, aan een grondige studie onderwierp. (Spitaels 1958)
De publicatie door Mertens en Van Impe van het laat-Romeinse militaire grafveld van Oudenburg is één van de eerste werken waarin de studie van de metalen vondsten werd geïntegreerd in het onderzoek naar chronologie en herkomst. (Mertens & Van Impe 1971) (Mertens 1972) (Mertens 1982) Hierbij lag de nadruk op de verschillende soorten fibulae, het gordelbeslag, de armringen, maar ook het vaatwerk en de messen kwamen algemeen aan bod. Enkele topstukken, zoals het gordelbeslag, werden later opgenomen in gespecialiseerde buitenlandse studies (Simpson 1976) (Bishop & Coulston 2006) In 1979 verscheen van de hand van Faider–Feytmans het overzichtswerk ‘Les bronzes romaines de Belgique’ dat nog steeds het standaardreferentiewerk voor bronzen figuratieve voorwerpen in Vlaanderen is. (Faider-Feytmans 1979) In zijn overzichtswerk over de Belgische kustvlakte in de Romeinse tijd geeft Thoen een korte studie van de fibulae en enkele andere vondsten in koperlegering gevonden op Romeinse sites in de kustvlakte. (Thoen 1978, 188-192)
Belangwekkende vondsten uit musea en opgravingen mondden vanaf de jaren 1970 uit in artikels gaande van uitgewerkte nota’s tot publicaties waarin de vondst in een ruimer kader wordt geplaatst. De aandacht gaat hierbij vooral uit naar vondsten uit brons, en meer bepaald naar beeldjes. Vermeldenswaard zijn het Venus-beeldje uit Kortrijk (Vierin 1970), de Jupiter uit Bree (Faider-Feytmans 1979), de godenbeeldjes gevonden in Harelbeke (Despriet 1971) (Ooghe, Debrabandere & Despriet 1979) (Despriet 1984), een bronzen Mercuriusbeeldje uit Oudenburg (Hollevoet 1986), een beeldje uit Eke-Semmerzake (Vermeulen & Bauters 1988), godenbeeldjes gevonden in Kruishoutem (Parent 1986) (Parent 1986) (Vermeulen & Rogge:1991) (Vermeulen & Rogge 1993) (Rogge, Vermeulen & Moens 1995), een bronzen laarsje uit Hoeselt. (Creemers 2006)
In enkele overzichtsstudies door Boucher (Boucher 1974) (Boucher 1976) worden verschillende beeldjes uit België opgenomen en besproken. Ook de vondst van een speciale fibula mondde vaak uit in een artikel. (Dewulf 1968) (Rogge 1985) (Annaert 1999) De vondsten in de jaren 1960 en 1970 van een instrument van een oogarts in Elewijt en van een medisch instrumentendoosje in Grobbendonk en in Maaseik leidden tot enkele kleine publicaties rond dit thema. (Janssens 1967) (Janssens 1970) (Heymans & Janssens 1976) (Heymans 1978) (Heymans 1979) Bronzen vaatwerk werd eveneens vaak verder onder de loep genomen. (Dewulf 1969) (Malaise 1970) (Mariën 1970) (Vierin 1970) (Janssen 1975) (Vanvinckenroye 1981) (Despriet 1984) Enkele merkwaardige vondsten werden het onderwerp van een apart artikel of werden opgenomen in een overzichtstudie: de Sabaziushand van Rumst (Vermaseren 1983) (Vermaseren 1984), scheermessen (Mariën 1973) (Garbsch 1975), de balans uit Wervik (Debonne, Termote & Wouters 1990) (Termote & Wouters 1992) (Corselis 2004), de pentagondodecaëder uit Tongeren. (Nouwen 1992) (Nouwen 1993)
Vanaf de jaren 1980 zien we een stijgende aandacht voor de bespreking van de metalen vondsten in het opgravingsverslag van de site. Deze beperkt zich echter meestal tot een bondige catalogus van de vondsten waarbij wordt uitgeweid over de meest sprekende stukken. Dit zijn vaak de fibulae, die typologisch gedetermineerd kunnen worden en vaak mee voor een datering van de context zorgen. Deze fibulae worden daarbij in mindere (Braeckman 1999) of in meerdere mate in een ruimer kader gesitueerd. (Deschieter 2005) Door Vermeulen wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de metalen voorwerpen gevonden in het gebied tussen Leie en Schelde, waarbij zowel de sieraden, militaria en de meubelelementen, als de vondsten van dagelijks gebruik en de voorwerpen in het teken van de religieuze beleving worden besproken en typologisch worden geduid. (Vermeulen 1992) De voorwerpen in ijzer krijgen in de publicaties doorgaans minder aandacht dan de bronzen stukken die doorgaans vanuit typologisch, chronologisch en/of esthetisch oogpunt als waardevoller worden beschouwd, op enkele uitzonderingen na, zoals bijv. een smeedtang uit Wervik (Termote & Wouter 1992) en een haardketting en werktuigen uit Kolisbos. (Claassen 1998)
Tijdens de laatste twee decennia zijn vooral in het kader van licentiaatsthesissen enkele collecties onder de loep genomen, o.a. de fibulae van Waasmunster-Pontrave (Baetens 1994), de fibulae uit het Provenciaal Gallo-Romeins museum van Tongeren (Hensen 1999) (Hensen 2000) (Hensen 2001) (Hensen 2002), bronzen godenbeeldjes uit de Civitas Tungrorum (Swennen 2002), de fibulae van de vicus op het Grijpenveld in Tienen (Debecker 2003) (Debecker 2004), de spelden, het gordelbeslag en de riemverdelers uit het Tongerse Gallo-Romeins museum (Borgers 2004), de spijkers van de vicus van Tienen (Guilllaume 2005; (in druk)) en de small finds uit koperlegering uit de vicus van Tienen. (1997-2003) (Meirens 2005) In een ruimere problematiek werden al eerder ijzeren werktuigen opgenomen in de thesis van (Caes:1984) en werden enkele beeldjes uit Vlaanderen besproken in de thesis van Peckstadt. (Peckstadt 1985) In 2004 verscheen de studie van een ensemble sleutels en sloten. (Ceriez 2004) Landbouwwerktuigen aangetroffen in België werden opgenomen in de recent verschenen synthesestudie van A. Marbach. (Marbach 2004a en b)
De groep van de militaria werd in Vlaanderen tot nog toe amper aan een studie onderworpen. De literaire neerslag van een vondst bleef vaak beperkt tot een vondstmelding of bespreking van een individueel object, zoals een dolk gevonden in de Schelde (Léva 1965), een phalera uit Tongeren (Vanvinckenroye 1997), de gladius van Hofstade (Van Lierde 2003), of van de inhoud van militaire graven, zoals bij (Mertens & Van Impe 1971) (Nouwen 1987) en korte besprekingen in opgravingsrapporten, bijv. een schedepuntbeslag in Wijshagen. (Van Impe & Creemers 1991) Enkele vondsten uit Vlaanderen werden al opgenomen in buitenlandse overzichtspublicaties (Uhlmann 1964) (Simpson 1976) (Bishop & Coulston 2006). De catalogus die door Vanden Berghe werd gemaakt van militaria uit Belgische musea bespreekt een beperkte selectie van deze vondstgroep (Vanden Berghe 1996). De vondst van een collectie van ongeveer 700 bronzen voorwerpen in de Romeinse villa op de site Damekot in Wange vormde de basis voor enkele artikels die zich focussen op het paardentuig. (Lodewijckx 1992) (Lodewijckx 1993) (Lodewijckx & Wouters 1995) Daarnaast verschenen enkele rapporten over het interdisciplinaire onderzoek uitgevoerd op dit rijke ensemble met aandacht voor typologie en datering. (Lodewijckx e.a. 1993) (Lodewijckx e.a. 1994) (Lodewijckx e.a. 1996) De in Vlaanderen al gepubliceerde militaria vormen maar een fractie van de vondsten die al gebeurden op Romeinse sites op Vlaams grondgebied. We zouden grote baat hebben bij een systematische studie van de militaria die ongetwijfeld in de talloze collecties van metaaldetectoramateurs aanwezig zijn. Een inventaris en lokalisering van deze vondsten, naar het voorbeeld van het Bataafse gebied (Nicolay 2007) zou ons de lokalisatie van militaire sites kunnen aangeven en ons op het spoor brengen van heel wat militaire aspecten van de samenleving.
Uit het overzicht van onze bibliografische kennis over metalen voorwerpen blijkt dat onze kennis van archeologisch metaal in Vlaanderen maar heel gering is. Metaal, en dan vooral ijzer, werd in de voorbije decennia in de meeste publicaties stiefmoederlijk behandeld. Wel krijgen typologisch of esthetisch interessante metaalvondsten, meestal bronzen vondsten, de nodige aandacht in de opgravingsrapporten met een detailbeschrijving. De aandacht gaat hierbij vooral uit naar beeldjes en fibulae. Werktuigen en gebruiksvoorwerpen krijgen minder aandacht. Vooral dissertaties richten zich grondiger op het onderzoek van artefacten uit een koperlegering en occasioneel ijzeren objecten. Niettemin blijven metaalstudies beknopt in Vlaanderen. Over loden objecten is onze kennis quasi nihil. Er is bovenal nood aan veelzijdige catalogi van opgegraven metaal in onze gebieden. 1 Deze zijn een eerste aanzet tot een grondiger kennis van metaal uit de Romeinse tijd in onze contreien, zowel op typologisch, chronologisch als socio-economisch vlak.
De juwelen vormen binnen de groep van de metalen voorwerpen de categorie die vaak de meeste aandacht krijgt. Het standaardwerk voor Romeinse juwelen en juwelierskunst in Vlaanderen is de doctoraatsthesis van K. Sas (Sas 1999), waarvan de resultaten werden verwerkt in enkele publicaties. (Sas 2000) (Sas & Creemers 2002a) (Sas 2004a) In dit werk zijn alle Romeinse juweelvondsten van vóór 1999 uit Vlaanderen opgenomen, opgedeeld per provincie. Het onderwerp vloeide voort uit de licentiaatsverhandeling van K. Sas die was gefocust op de studie van Romeinse gemmen. (intaglio’s en cameeën) (Sas 1992) (Sas 1993a, b, c) (Sas 1994) (Sas 1997) Eerder werd enkel door Tulleken in een kort overzicht van de juwelen in Oost-Vlaanderen uitgeweid over deze vondstcategorie. (Tulleken 1979)
Samen met de tentoonstellingscatalogus over Romeinse juweelkunst in West-Europa (Sas & Thoen 2002) (Sas & Creemers 2002) is de doctoraatsthesis van Sas het referentiewerk voor het onderzoek van Romeinse juwelen in Vlaanderen. De tentoonstellingscatalogus omvat naast een overzicht van de resultaten van het doctoraatsonderzoek (Sas & Thoen 2002), enkele artikels over productietechnieken (Sas & Vilvorder 2002), kleuren (Savay-Guerraz & Sas 2002) en juweelarcheologie. (Sas 2002a)
Het overzicht van de juwelen in het vermelde doctoraatswerk kan ondertussen aangevuld worden met het artikel van (Sas 2002b), dat de Romeinse juwelen in de provincie Antwerpen bespreekt, en enkele vondstmeldingen van na 1999. (Sas & Creemers 2002b) (Sas 2004d)
Tijdens het laatste decennium werden maar enkele collecties verder onder de loep genomen. Een selectie van de armbanden uit het laat-Romeinse militaire grafveld van Oudenburg, die in mindere of meerdere mate werden besproken door Mertens (Mertens & Van Impe 1971) (Mertens 1972) (Mertens 1987), zijn opgenomen in een overzichtsartikel door Massart over grafvondsten in België. (Massart 1997) Het armband met het inschrift ‘votus savajius’ vormde het uitgangspunt voor een kort artikel over deze Zabazius-cultus (Tassignon 1997). De militaire armbanden uit Oudenburg werden verder bestudeerd door Sas, een studie die tot nieuwe hypothesen leidde met betrekking tot troepenbewegingen, herkomst en relaties tussen legereenheden van de Litus Saxonicum. (Sas 2004b) Enkele juwelen die mogelijk in verband kunnen gebracht worden met de Mithras-cultus werden besproken in. (Sas 2004c) Ten slotte werden de vroeg-Romeinse ‘cultus’-armbanden, die voornamelijk gevonden zijn in het noorden van Vlaanderen in het Maas-Demer-Schelde-gebied, aan een onderzoek onderworpen door Sas en Cuyt. (Sas & Cuyt 2003)
Sinds enkele jaren wordt ook de problematiek rond de archeologische metalen, het corrosieproces, hun behandeling en de consolidatie en de bewaring van metalen vondsten aangekaart. Dit gebeurde een eerste maal in het kader van het HSL-onderzoek in Vlaams-Brabant. (Cleeren 2001) In 2006 werd dit toegelicht op de Romeinendag aan de hand van vooral vondsten uit het Romeins castellum van Oudenburg. (Cleeren 2006) Deze problematiek zorgt er mee voor dat het slecht gesteld is met onze kennis van de metalen objecten. Hun bewaringstoestand is immers vaak zeer slecht en hun behandeling en conservatie niet goedkoop. Na de opgraving dringt een dringende consolidatie zich op aangezien anders door de degradatie van de vondsten de archeologische informatie vanzelf verloren gaat. Het is dan ook belangrijk dat het metaal niet pas wordt aangepakt wanneer er binnen het postopgravingswerk nog middelen en tijd resteren.
Onder voorwerpen in steen worden zowel bouwmaterialen bedoeld als gebruiksvoorwerpen die in steen zijn gekapt. Binnen de eerste categorie vallen stenen die gebruikt werden voor het bouwen van constructies en bijv. voor de aanleg van wegen. Alhoewel steen één van de archaeologica is die het best de tand des tijds weerstaat, is het aantal stenen vondsten die op Romeinse sites geregistreerd worden meestal erg beperkt. Dit is ongetwijfeld het gevolg van een gebrek aan harde gesteenten in de Vlaamse ondergrond. Ondanks het geringe aantal stenen vondsten, krijgen deze vondsten toch weinig aandacht binnen de rapportage en publicatie. Enerzijds worden zeker niet alle vondsten in steen, vooral niet het bouwmateriaal, ingezameld en geregistreerd. Anderzijds blijft de bespreking van de stenen vondsten meestal beperkt tot een beschrijving van de gekapte stenen voorwerpen binnen het overzicht van het aangetroffen vondstenspectrum. De determinatie van de steensoort is over het algemeen gelimiteerd tot een macroscopische identificatie. Petrografisch onderzoek, waardoor zekerheid over het herkomstgebied wordt bekomen, wordt - vooral wegens de hoge kostprijs - weinig uitgevoerd.
Baanbrekend voor onze kennis over het steengebruik in het noorden van Vlaanderen tijdens de Romeinse tijd is het werk van De Paepe dat nog toe alleenstaand is. In het midden van de jaren 1960 kwam de studie van stenen archaeologica afkomstig van Gallo-Romeinse sites in Vlaanderen op gang dankzij de samenwerking tussen het Laboratorium voor Aardkunde en het Seminarie voor Archeologie van de Rijksuniversiteit van Gent. Deze studie ging gepaard met grondige petrografische analyses uitgevoerd door De Paepe op steenvondsten van Destelbergen (De Paepe 1965 en 1976), Huise-Lozer (De Paepe 1965), Beveren-Leie (De Paepe 1976) en Velzeke-Ruddershove. (De Paepe 1972) Dit onderzoek toonde aan dat er van de 1ste tot de 3de eeuw n.Chr. veel natuursteen werd gebruikt in onze steenarme gewesten.
Het archeopetrografisch onderzoek kreeg na 1980 een nieuwe impuls door het opstarten van een onderzoeksproject rond de Romeinse bewoning in het zuidelijk deel van het Vlaamse zandgebied, meer bepaald in de regio tussen de Leie en de Schelde. Van 1982 tot 1987 werden in deze streek intensieve prospecties en een aantal opgravingscampagnes op uitgekozen Romeinse bewoningssites uitgevoerd. Al het steenmateriaal uit de hoge keizertijd die op deze nederzettingen in situ werd aangetroffen, werd door De Paepe aan een analyse onderworpen. (De Paepe & Vermeulen 1988; Vermeulen 1992) Het betreft de stenen vondsten uit Asper-Jolleveld, Eke-molen, Huise-Lozer, Sint-Denijs-Westrem en Sint-Martens-Latem/Brakel.
Deze studie biedt een eerste inzicht in het veelzijdige steengebruik in de Romeinse periode in deze regio tussen Leie en Schelde. Zowel vulkanische, metamorfe als sedimentaire steensoorten werden door de Gallo-Romeinen aangewend. (De Paepe & Vermeulen 1988; Vermeulen 1992) Tefrietische lava uit het Eifelgebied en arkose zijn de voornaamste steensoorten voor de vervaardiging van maalstenen, naast conglomeraat en mini-conglomeraat, en blijven in gebruik van de 1ste tot de volle 3de eeuw n.Chr. De arkose kwam vermoedelijk uit Zuid-België waar Vielsalm en Macquenoise gekende geëxploiteerde vindplaatsen zijn. Kwartsporfier werd in kleine hoeveelheden aangetroffen in het Leie-Schelde-gebied en was waarschijnlijk afkomstig uit de Zenne-vallei. Het precieze gebruik is nog onduidelijk. Het weinige schiefer dat werd aangetroffen, kwam waarschijnlijk intrusief mee met het transport van kalksteen uit het Doornikse. Voor slijpstenen en soms ook wrijf- of zalfplaatjes werd vooral kwartsiet maar ook mica-rijke zandsteen gebruikt, beide vermoedelijk afkomstig uit Zuid-België, meer bepaald de Ardennen. Ook kwartsofyllade, waarschijnlijk uit de Ardennen of het Rijnland, werd gebruikt voor slijpstenen. Klopstenen en ook een aantal maalstenen waren dan weer gemaakt uit kwartsietische zandsteen uit dagzomende formaties uit Henegouwen of Noord-Frankrijk. IJzerhoudende zandsteen, vermoedelijk afkomstig uit Zuid-Vlaanderen, werd maar sporadisch aangetroffen en is mogelijk al vóór de Romeinse periode op die plaats beland. Glauconiethoudende zandsteen, beter gekend als zgn. veldsteen, is samen met vuursteen de enige steensoort die regelmatig verspreid voorkomt in verschillende delen van Vlaanderen. Beide steensoorten werden vooral gebruikt als bouwmateriaal. Vuursteen werd daarnaast ook gebruikt voor de vervaardiging van slingerkogels. Voor de vermoedelijke handwerpstenen aangetroffen op de site van het Romeinse kamp van Maldegem-Vake blijken na petrografisch onderzoek rivierkeien gebruikt afkomstig van terrasafzettingen langs de Maas stroomafwaarts van Luik. (Dhaeze & De Paepe 2004)
Doornikse kalksteen is één van de voornaamste steensoorten aangetroffen op sites in Noord-Gallië. Het vormde één van de belangrijkste bouwmaterialen voor steenbouw maar was ook de grondstof voor het maken van mortel, werd gebruikt als verschralingsmiddel in potten en ook als toeslag bij ijzerwinning. (Thoen 1977 en 1978) Behalve uit Doornik was het mogelijk ook afkomstig uit andere Henegouwse of Ardeense gebieden. (De Paepe & Vermeulen 1988) Het gebruik van natuurstenen bouwmateriaal in Romeinse nederzettingen bleef echter zeer beperkt. In Kruishoutem werden – niet in situ – regelmatig bekapte Doornikse kalksteenblokken aangetroffen. Volgens Rogge en Van Durme dienden deze in het Zuid-Oostvlaamse leemgebied voor de stenen sokkels van de gemengde hout-/steenbouw. (Rogge & Van Durme 1987)
Systematisch onderzoek naar het gebruik van steen in de leemstreek en de zandleemstreek werd nog niet uitgevoerd. Beperkt onderzoek van de stenen te Tongeren en Tienen toont aan dat hier andere bronnen werden aangesproken. In de vicus van Tienen werden voor de fundamenten en de muren of sokkels van gebouwen kwartsiet van Overlaar gebruikt. Verder werden ook regelmatig kalkstenen van Gobertange aangetroffen in afvalkuilen. In de vicus werden ook beeldjes aangetroffen, die gesculpteerd waren uit de nabij dagzomende tufsteen van Lincent. 1
Voorwerpen uit steen, zoals slijpstenen, maalstenen, … werden voor Vlaanderen tot nog toe nog niet aan een synthesestudie onderworpen. Het ensemble slijpstenen ingezameld op de Romeinse sites van het HSL-traject in de regio Antwerpen is één van de enige ensembles die al meer in detail onder de loep werden genomen. (Delaruelle, Verbeek & De Clercq 2004, 25)
De voorwerpen uit steen opgegraven op sites in Vlaanderen, blijken vooral vervaardigd uit geïmporteerde steensoorten. Daarmee zijn enkele onderzoeksvragen die bij de ceramiekstudie gesteld worden ook bij stenen archaeologica van toepassing: hoe verliep de distributie? Hoe zag het netwerk van handelsbetrekkingen eruit? Daarnaast dringt bij bepaalde producten de vraag van het fabricatieproces zich op: werden de stenen als halffabricaat of als afgewerkt product vervoerd? Voor een algemeen beeld van groevetechnieken en prefabricatie in de Romeinse wereld kan verwezen worden naar Waelkens (1990).
Speciale aandacht dient ook uit te gaan naar het voorkomen van keien in archeologische contexten. Zo was de aanwezigheid van keien in graven op het grafveld van Tienen opvallend. Van nature komen keien niet voor in de leemlaag, waarin de graven zich bevonden. Opvallend was ook dat een aantal van de keien in de graven verbrand was. Waarschijnlijk zijn deze keien afkomstig van platformen die waren aangelegd onder de brandstapels. De keien die gebruikt werden voor de aanleg van bepaalde Romeinse wegen verdienen ook bijzondere aandacht, alsook hun mogelijke plaatsen van herkomst. Het onderzoek van natuursteen, hun gebruik en herkomst dient dan ook in hun globaal landschappelijk, geografisch kader onderzocht te worden.
Uit bovenstaand overzicht blijkt het belang van verder doorgedreven onderzoek van voorwerpen uit steen. Het is dan ook te hopen dat het baanbrekend werk van De Paepe in de toekomst opnieuw kan worden verdergezet en uitgebreid zal worden naar de andere gebieden van Vlaanderen.
Onder voorwerpen in organisch materiaal verstaan we vondsten uit hout, been, gewei, hoorn, leer, git, bruinkool, riet, … Dergelijke vondsten worden vrij zelden aangetroffen op een site aangezien de meeste van deze materialen heel teer zijn en een specifieke bewaringscontext vereisen. Houten, rieten en leren vondsten bijv. blijven enkel bewaard in een waterverzadigd milieu. Het zijn dan ook typische waterputvondsten. Door hun vrij unieke karakter krijgen de voorwerpen in organisch materiaal wel meestal een vermelding of korte beschrijving in het siteverslag. Voor wat betreft houten voorwerpen verwijzen we hiervoor naar deze greep uit de publicaties. (De Cock 1986) (Lauwers 1978) (De Boe & Lauwers 1980) (Despriet 1984) (Pieters 1987) (Pieters 1988) (Cuyt 2000) (Cuyt 2001) (Thoen & Sas 2003) (Delaruelle, Verbeeck & De Clercq 2004) (Laloo e.a. 2008) (Janssen 1978) (Heymans 1979) De museumpublicatie over de eerste resultaten uit Romeins Tienen catalogeert bijv. uitgebreid de vondsten uit bewerkt bot. (Thomas 1983) Romeinse voorwerpen vervaardigd uit organisch materiaal werden in Vlaanderen tot nog toe echter amper aan een detailstudie onderworpen.
Maar aan enkele, meer unieke, houten vondsten werden een verdere studie gewijd, zoals de vroeg-Romeinse houten vijzel van Zele (Bourgeois & De Clercq 2002) en de eg van Poppel. (Deforce & Annaert 2005; 2007) Een waterput, deels opgebouwd uit steen, opgegraven in Aalter-Loveld, leverde o.a. een houten panfluit op. (Thoen & Sas 1993) Het was één van de uitzonderlijke vondsten die ermee toe hebben bijgedragen om de site een meer dan lokale status toe te dichten. 1 Houten, vermoedelijk Saksische, scheepsboegbeelden gevonden in Moerzeke-Mariekerke en Appels bij Dendermonde die op grond van stilistische kenmerken en op basis van 14C-datering rond 350-400 kunnen gedateerd worden, werden door Van Doorselaer beschreven in (Bruce-Mitford 1970). Referentiemateriaal voor houten voorwerpen kan gevonden worden. (Guillaumet 1996) (Baatz 1998) (Pugsley 2003)
Voor wat betreft de benen gebruiksvoorwerpen kunnen we het artikel vermelden dat de benen stilet uit een Tongers graf behandelt (Janssens 1966) en de publicatie over het Romeinse benen mesheft uitgewerkt in de vorm van een kat uit Roeselare. (Goderis 1994) De voorwerpen uit been en gewei uit de collectie van het Provinciaal Gallo-Romeins museum van Tongeren werden wel in detail bestudeerd in het kader van een licentiaatsthesis. (Daniels 2001)
Voor de bespreking van dierlijk materiaal als grondstof en zijn rol binnen de ambachtelijke activiteiten wordt verwezen naar het natuurwetenschappelijke luik van de Onderzoeksbalans en naar het hoofdstuk ‘Ambachtelijke activiteiten’.
Onze kennis over Romeinse voorwerpen vervaardigd uit organisch materiaal is duidelijk uiterst gering. De in de literatuur terug te vinden vondsten van Vlaamse sites zijn zeker niet representatief voor deze vondstcategorie. De zeldzaamheid en slechte bewaringskwaliteit van dit materiaal maakt het dan ook noodzakelijk dat deze vondstcategorie in de toekomst meer aandacht krijgt in het opgravingsverslag in de vorm van een gedetailleerde beschrijving met tekening van de vondst.