Aangezien het mesolithicum en het (finaal)paleolithicum steeds in grote mate door dezelfde onderzoekers werden bestudeerd, lopen de onderzoekskaders en methodologische ontwikkelingen van het mesolithisch onderzoek in Vlaanderen grotendeels parallel met die van het (finaal)paleolithicum.1
Er kan echter worden aangestipt dat er tot op heden relatief weinig gedetailleerde functionele analyses zoals microwearanalyse zijn uitgevoerd op mesolithische ensembles, behoudens enkele recentere uitzonderingen. 2 3 Een uitgebreide combinatie van refitting, microwearanalyse en ruimtelijke analyse zoals voor het finaalpaleolithicum te Meer en Rekem werd uitgevoerd, is dan ook nog niet toegepast op mesolithische sites. Refitting wordt de laatste jaren echter wel algemener aangewend, maar vaak gaat het niet verder dan een potentieelinschatting binnen één en dezelfde concentratie. 4 5 Uitgebreide refittingstudies waarbij het materiaal van meerdere concentraties wordt betrokken 6 zijn zo goed als onbestaande. Morfologische beschrijving, al dan niet met attributenanalyse, vormt meestal de basis van lithische studies. Hierbij hebben de technologische studies ondertussen wel sterk aan belang gewonnen tegenover de louter typologische benadering. 7 8 9 10 11 Ruimtelijke analyse, vaak met GIS-toepassingen, wordt ook algemener aangewend, zowel op het inter- en intrasite niveau 12 13 14 als bij verspreidingsanalyse van mesolithische sites voor studies van landgebruik 15 16 17 18, en zelfs occasioneel in het kader van ‘predictive modelling.’ 19
Absolute dateringsmethoden werden tot in de jaren 1980 relatief weinig toegepast. Niet zozeer door de zeldzaamheid van dateerbaar materiaal in de gekende Vlaamse sites, maar doordat de 14C dateringen vaak slechte of onbetrouwbare resultaten door associatieproblemen gaven. 20 Vanaf de jaren 1990 is er sprake van een kentering. De ontwikkeling van AMS laat het gebruik van veel kleinere hoeveelheden toe, waardoor vaak individuele fragmentjes gedateerd kunnen worden in plaats van bulkmonsters. Hierdoor kan een veel strengere selectie van het te dateren materiaal worden doorgevoerd. Houtskool wordt nog slechts zelden weerhouden voor 14C dateringen, tenzij afkomstig uit duidelijk gesloten contexten zoals haardkuilen. De voorkeur gaat steeds vaker uit naar potentiële voedselresten (verkoolde hazelnoten, verbrand bot of in contexten met een betere bewaring bot met snijsporen of aardewerkresten met organische verschraling of aankoeksel). Deze aanpak heeft in Verrebroek en Doel voor belangrijke vooruitgang gezorgd in de mesolithische chronologie. 21 Rond 14C dateringen wordt in dit kader tevens methodologisch werk verricht. 22 23 Methodologische studies rond de analyse van voedselresten op aardewerk wordt momenteel eveneens uitgevoerd. 24 25
Op het terrein werden eind jaren 1990 nieuwe prospectietechnieken door middel van boringen ingevoerd, 26 waarmee zowel prospectie van voorheen niet prospecteerbare locaties als grootschalig waarderingsonderzoek werden aangevat. 27 28 Ondertussen worden deze prospectietechnieken algemeen toegepast.
Alhoewel er reeds vroeger aandacht was voor het natuurlijk milieu, 29 wordt dit onderzoek sindsdien ook grootschaliger en op landschappelijke basis georganiseerd. 30 31 32 33 34
Er wordt de laatste jaren meer en meer nagedacht over het verhogen van de efficiëntie van opgravingstechnieken, voornamelijk onder invloed van de economische druk in de preventieve archeologie. Vroeger stonden steentijdopgravingen vaak gelijk aan een gedetailleerde 3D-regeistratie van zowat alle vondsten. Tegenwoordig worden de vondsten steeds vaker ingezameld volgens een artificieel grid, waarbij de graad aan resolutie de grootte en de dikte van de gridvakken bepaalt. Ondanks het sporadisch testen van nieuwe technieken en materiaal (industriële zeefinstallaties), blijven deze handmatige en arbeidsintensieve traditionele technieken voorlopig de beste. 35 De keuze binnen deze technieken wordt dan wel zorgvuldig afgewogen tegen de bewaringstoestand, de wetenschappelijke vraagstelling en de tijdsdruk. 36 37 Aangezien steentijdopgravingen veruit het ‘duurste’ archeologische terreinwerk zijn per oppervlakte-eenheid, zou het ontwikkelen van efficiëntere technieken de organisatie van grootschalig terreinwerk gevoelig vergemakkelijken en daarmee een belangrijke impuls bieden wat betreft dataverwerving.
De geschiedenis van het mesolithisch onderzoek in Vlaanderen loopt nagenoeg parallel met die van het paleolithisch onderzoek. Publicaties over theorievorming of de theoretische ontwikkelingen in het mesolithisch onderzoek of jagers-verzamelaarsonderzoek in het algemeen zijn dan ook even schaars als voor het paleolithicum.38Op dit vlak is de impact van Vlaanderen tot dusver dan ook laag geweest.