6.2.3.5 Aarden versterkingen
Versterkingen hebben twee essentiële functies: verdedigen en verblijven/wonen. Deze componenten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bij het opstellen van een classificatie moet men dan ook met beide elementen rekening houden: de verdedigingsstructuur en de behuizing. En hier ligt juist de moeilijkheid. Bij het tot nu toe gerealiseerde archeologische onderzoek naar de versterkingen in Vlaanderen zijn het in vele gevallen de militaire aspecten van de sites die aan bod komen. Begrijpelijk, omdat die omwille van hun bewaringstoestand het best kunnen worden geduid. Over de eigenlijke occupatie zijn we – enkele uitzonderingen niet te na gesproken - heel wat minder geïnformeerd.
Rekening houdend met deze vaststelling zullen we op basis van de weerbare structuur van de sites twee hoofdcategorieën nader bekijken:
Het steken van een gracht en het ophopen van de uitgegraven grond tot een wal achter die gracht is een vorm van verdediging die tot de prehistorie teruggaat. Ook tijdens de vroege en volle middeleeuwen verweerde men zich op deze wijze in zowel landelijke als pre- en vroegstedelijke milieus.
Archeologisch worden voor de behandelde periode drie types onderscheiden: achtvormige, cirkelvormige en semicirculaire gracht-waltracés. Zijn de grachten vaak nog gedeeltelijk goed bewaard, dan geldt dit heel wat minder voor het wallichaam zelf dat door latere werken grotendeels werd genivelleerd. Dit maakt het uiteraard ook moeilijk om nog vast te stellen of op de wal al dan niet een palissade was opgericht.
Een mooi voorbeeld van een achtvormige omgrachting biedt de Karolingische koninklijke curtis van Petegem. 1 Daar werden de hoofdelementen van de site, nl. de aula en het kerkgebouw, in de loop van de 9de eeuw omgord door een meer dan 7 m brede achtvormige gracht die de plaats een defensieve weerbaarheid bood. Restanten van een wal werden niet aangesneden.
In Werken werd een Karolingische vlaknederzetting gedeeltelijk opgegraven die door een gracht met aarden wal en palissade werd afgeschermd. Of het ook, zoals in Petegem, om een tweeledige site met achtvormige omgrachting gaat, is nog onzeker. 2 3 4
Voor de cirkelvormige gracht-walversterkingen richten we ons op een groep die al sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw de aandacht trekt, nl. de circulaire vormen. Het gaat om gesloten cirkelvormige aflijningen bepaald door bodemsporen, grachten of perceelsgrenzen die te maken kunnen hebben met ‘moated sites,’5 mottes of cirkelvormige gracht-walversterkingen. Het detecteren van die circulaire vormen gebeurt op basis van luchtfoto’s, kadasterplannen en historisch kaartenmateriaal zoals bv. de 16de-eeuwse stadsplattegronden van Jacques Deventer.
In Oost- en West-Vlaanderen werden inventarissen van dergelijke circulaire vormen opgemaakt binnen stadskernen en op het platteland. 6 7 8 Die inventarissen leidden tot het formuleren van hypothetische beschouwingen over circulaire vormen met een diameter van 150 m en meer. Op basis van historische gegevens en naar analogie van onderzochte sites in Nederland werden sommige van deze vormen gelinkt aan gracht-walvluchtburchten die op het einde van de 9de eeuw tegen de Noormannen werden opgericht. 9 10 Het is duidelijk dat enkel concreet veldonderzoek enig uitsluitsel kan geven over deze hypothetische interpretatie. Hetzelfde geldt voor het eventuele bestaan van een groep die na de vroege middeleeuwen is ontstaan. 11
Tot nu toe werden maar enkele vormen met een diameter van 150 m of meer archeologisch onderzocht. In Alveringem werd een proefopgraving ondernomen in een cirkel met een diameter van ca. 180 m. Het bleek om een gracht-walversterking te gaan die door het ontbreken van archeologisch materiaal niet kan worden gedateerd. 12
In de stadskern van Veurne werd een kwadrant van een circulaire vorm met een diameter van 240 m onderzocht. Tot de oudste occupatie behoort een gracht van 15 m breedte en 1 m diepte die met de circulaire vorm in verband kan worden gebracht. De datering van de aanleg blijft onduidelijk want een materiaalstudie is er nog niet gebeurd. Binnen de gracht werden een drietal houten gebouwen opgegraven die uit de 10de-11de eeuw dateren. In de loop van de 11de eeuw werd binnen de circulaire vorm een kleinere ovale gracht-walversterking opgetrokken waarvan de aarden wal in de 12de eeuw diende als kern voor de aanaarding van een motte. 13 14
Semicirculaire gracht-walversterkingen zijn sites waarvan de open zijde aansluit bij een rivier. Het onderzoek richtte zich tot nu toe vooral op stadskernen. Een belangrijke bron voor het opsporen van halfcirkelvormige gracht-waltracés zijn kadasterplannen en 16de-18de-eeuwse stadsplattegronden. Het blijven uiteraard documenten die met de nodige omzichtigheid moeten worden benaderd. Zekerheid krijgt men slechts door veldwerk. Vandaar ook dat we ons enkel richten op het stadsarcheologisch onderzoek in Antwerpen, Gent en Aalst.
In Antwerpen wordt de burchtsite aan het Steen omgeven door een gracht en een wal die boogvormig op de Schelde uitgeven. Restanten van deze wal werden tussen 1952 en 1961 door Van de Walle vrijgelegd. 15 De datering blijft echter onzeker. Tijdens recent onderzoek werden de wal en de gracht opnieuw aangesneden. Hopelijk laat deze opgraving toe meer inzicht te krijgen in de opbouw en chronologie van het verdedigingssysteem.
In Gent werd over een tracé van ca. 75 m een gracht onderzocht die 14 m breed was en 3-3,50 m diep. 16 17 18 De gracht waarvan de aanleg vermoedelijk uit de 9de eeuw dateert, kan in verband worden gebracht met de afscherming van een ca. 7 ha grote prestedelijke nederzetting aan een rivierbocht van de Schelde. Binnen dit areaal lag de eerste stadskerk toegewijd aan Johannes de Doper, Vaast en Bavo.
Ook in Aalst is men erin geslaagd de semicirculaire gracht-walversterking van de prestedelijke nederzetting te lokaliseren. 19 20 Een Karolingische vroonhoeve – het Zelhof - lag aan de oorsprong van deze nederzetting. Het domeincentrum bevond zich op de rechteroever van de Dender en werd, zoals opgravingen aantoonden, tijdens de volle middeleeuwen omgracht. De prestedelijke nederzetting die tegen de Karolingische villa aanleunde, besloeg een terrein dat ca. 5 ha groot was. Daarbinnen lag de Sint-Martinuskerk. De gracht-walverdediging omheen de nederzetting werd op twee plaatsen archeologisch onderzocht. De gracht zelf was 15-18 m breed en 3,50 tot 4,50 m diep. Van de aarden wal werd een restant van ongeveer 13 m breedte aangesneden. De gracht oversnijdt en het wallichaam overdekt perceelgreppels waarvan de vulling toelaat de aanleg van die eerste stedelijke omwalling in de tweede helft van de 11de eeuw te dateren.
Vormelijk bestond een motte uit een aarden heuvel (het opperhof) die in hoogte varieerde van 2 tot meer dan 10 meter en die werd bekroond door een toren of zaal. Deze heuvel werd verdedigd met palissades en omgeven met brede walgrachten. Bij het opperhof sloot een neerhof aan, waar zich vaak het eigenlijke leven voltrok. Ook dit neerhof was vaak opgehoogd, omgracht en verdedigd met muren of palissades.
Castrale mottes of mottekastelen behoren ongetwijfeld tot de archeologisch beter bestudeerde versterkingen in Vlaanderen.
Aanvankelijk werden vele mottes voor tumuli aanzien en konden ze rekenen op sterke belangstelling bij schatgravers op zoek naar het rijk gevulde graf. Dit was vooral een fenomeen van de 19de eeuw, maar de praktijk leefde door tot een stuk in de 20ste eeuw. Toch waren er ook vorsers die in het begin van de 20ste eeuw een oprechte belangstelling hadden voor mottes, zoals baron A. de Loë. Zij brachten op regelmatige basis rapport uit van hun opgravingen en bevindingen. Hoewel deze rapporten in de meeste gevallen zeer summier zijn en de tekeningen schematisch en veralgemenend, zijn vele bijdragen van de Loë en collega’s echt waardevol, omdat het vaak sites betreft die in de loop van de 20ste eeuw zonder verdere archeologische opvolging werden vernield.
Het systematisch onderzoek naar castrale mottes in Vlaanderen en België kende een hoge vlucht na de Tweede Wereldoorlog, met een hoogtepunt in de jaren 70 en 80 onder impuls van vorsers zoals J. De Meulemeester, D. Callebaut, A. Claassen, R. Borremans, A. Matthys e.a. 21 Het onderzoek vertrok in de meeste gevallen van een opgraving van een specifieke site, waarna de onderzoekers trachtten om de resultaten in een breder kader te plaatsen en te vergelijken met andere en gelijkaardige sites in Vlaanderen en België. Anders dan vandaag gebeurden de opgravingen meestal zonder dat er een acute bedreiging van de site was. Vorsers kozen doorgaans de meest representatieve sites uit, die in regel de sites waren die fysiek het best bewaard waren en net omwille van die goede conservering een antwoord konden bieden op de vraagstellingen.
Onder impuls van de nakende implementatie van de Conventie van Malta nemen de preventieve opgravingen een hoge vlucht. Wat de evaluatie van de verkregen wetenschappelijke gegevens betreft, moeten we rekening houden met de beperkingen van het sporadisch onderzoek. Zo zijn de basisdata vaak ontoereikend doordat er bv. slechts een beperkte materiaalstudie wordt voorzien, doordat bepaalde sleutelelementen net buiten de bedreigde zones vallen of doordat zowel de financiële middelen als de tijd beperkt zijn. Vaak gaat het bovendien om sites die fysiek minder goed bewaard zijn en dus minder onderzoeksmogelijkheden bieden.
Geografisch gezien zijn in Vlaanderen de meeste mottes gerelateerd aan natte contexten. Hiervoor zijn diverse redenen.
Vooreerst hadden heel wat van de beken en rivieren een belangrijke economische functie als waterweg. 22 Een inplanting van een (motte)kasteel op of nabij een waterweg garandeerde de controle over het transport te water. Dit werd bovendien vaak gecombineerd met een inplanting nabij een oversteekplaats van een handelsweg over deze beek of rivier. Mooie voorbeelden van zulke inplanting zijn de Kasteelberg in Denderleeuw, centraal in de Dendervallei, en de - intussen verdwenen - Kasteelberg in Viane, in de vallei van de Mark in het zuiden van Oost-Vlaanderen.
De intentie om lokale of regionale handelswegen te beheersen blijkt een constante. 23 Deze waterlopen hadden vaak ook een grenskarakter. In dit verband verwijzen we bv. naar de annexatie van Rijksvlaanderen 24 bij het Graafschap Vlaanderen halverwege de 11de eeuw. Aan de nieuwe rijksgrens (de Dender) werden relatief veel mottekastelen gebouwd. 25 Opvallend is dat deze mottes in regel erg groot zijn uit en wellicht een uitgesproken militair karakter hadden.
Hoewel men kan aannemen dat dit principe (het mottekasteel als grensverdediging) ook opgaat voor meer regionale of lokale contexten waarbij beken en rivieren vaak de grens vormen van heerlijkheden, zijn hierover weinig data voorhanden.
Niet alle natte inplantingen kunnen echter vanuit deze economische of strategische motieven worden verklaard. Bij vele lokale mottes valt het immers op dat ze zijn ingeplant in de vallei van een beek die bezwaarlijk een grote economische rol kan hebben gespeeld. Bovendien zijn vele mottekastelen centraal in de heerlijkheid gesitueerd en lijkt het erop dat men doelbewust de meest natte locatie heeft opgezocht. Hieruit leidt men af dat de intentie om permanent watervoerende walgrachten te hebben een van de hoofdredenen was voor een dergelijke locatiekeuze. Dit draagt ten andere bij tot het imponerende karakter van de motte, nl. een aarden berg met toren die oprijst uit het beekdal. Voor vele mottekastelen, die enkel of hoofdzakelijk een lokale functie hadden als hoofdplaats van een heerlijkheid, lijkt dit het dominante motief om voor een natte locatie te kiezen.
Het omgekeerde komt evenwel ook vaak voor. Een heer heeft de ambitie om bv. een bestaand stedelijk centrum, een dorp of een belangrijke handelsweg te gaan beheersen en zoekt in functie van dit doel een geschikte plaats om zijn mottekasteel te bouwen. Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat deze motte bovendien gerelateerd is aan een welbepaalde heerlijkheid en een bepaalde rol te spelen heeft als hoofdplaats van deze heerlijkheid, waardoor een perifere situering niet altijd wenselijk is.
Vervolgens ging men de locatie zoeken die hiervoor het meest geschikt was. In het vlakke Vlaanderen was dit in regel een natte inplanting (bv. Gent en Ieper), maar in meer glooiende streken werd veeleer geopteerd voor een inplanting op een dominante hoogte, zoals de sites van Borgloon, Bilzen, Stokkem, Kolmont in Limburg. 26 27
Er zijn echter ook voorbeelden gekend van locaties waar een dergelijke geografisch gunstige context niet onmiddellijk voorhanden was, wat de desbetreffende heer niet belette om alsnog een mottekasteel te bouwen. Zo werd in Veurne een motte opgetrokken om strategische redenen. Ze werd gebouwd in het centrum van de ringwalburg, centraal in de stad. Er is geen onmiddellijke geografische link te leggen.
Voorts kan worden gesteld dat de morfologie van het mottekasteel een grote symbolische impact uitoefende op de omringende bevolking. In enkele gevallen is er werkelijk een kasteeldorp tot stand gekomen na de oprichting van een mottekasteel, waarbij de bevolking zich aan de voet van de motte inplantte. Dit was bijvoorbeeld het geval in Brustem, Borgloon, Grimbergen, Londerzeel, Merchtem, Montenaken, Mullem, Munte, Ressegem, Rumsdorp en Wange, waar de oorspronkelijke situatie ook nu nog min of meer bewaard of herkenbaar bleef in het huidige stratenpatroon. In de voornoemde gevallen groeide de castrale kapel op of nabij het neerhof later uit tot de dorpskerk in het centrum van de dorpskern.
In de structuur van een motte onderscheiden we het opperhof en het neerhof. Het opperhof van een mottekasteel bestaat uit een imposante aarden heuvel. De vorm en afmetingen ervan zijn erg heterogeen en afhankelijk van diverse factoren, zoals het statuut en de functie van de site, de status van de bouwheer, de periode waarin de site werd opgetrokken of de regionale context.
De basisdiameter van de aarden heuvel schommelt tussen 40 tot 50 meter. De hoogte varieert van 2 tot 20 meter en meer. Hoogte is een essentieel criterium om van een castrale motte te kunnen spreken. De basisidee achter het opwerpen van een mottekasteel is immers de doelbewuste intentie om een aarden hoogte te maken en op die manier de omgeving te imponeren. Bij heel wat middeleeuwse sites kon worden vastgesteld dat er eerst een circulaire gracht werd gegraven en dat de aarde die hierbij vrijkwam aan de binnenzijde werd gedeponeerd waardoor een licht verhoogd plateau werd gevormd met een maximale hoogte van ca. 2 meter. Om van een mottekasteel te kunnen spreken is het essentieel dat er na deze eerste aanaarding nog aarde van buitenaf werd aangevoerd, met de duidelijke intentie om een hoogte te creëren.
Er konden drie verschillende manieren worden onderscheiden voor de ophoging van het opperhof. 28 De eerste methode, die archeologisch werd vastgesteld onder meer in Veurne, Gistel en Moorsel, bestond erin het materiaal van de gracht naar binnen te werpen om zo een walvormig lichaam te creëren dat nadien verder werd opgehoogd. Een gelijkaardige werkwijze werd aangetoond in Landen (Tombe van Pepijn) en in Vilvoorde, waar als basis voor het mottelichaam gebruik werd gemaakt van een bestaande ringwalversterking. 29
Een tweede mogelijkheid was het construeren van een kernheuvel als basis. Gekende voorbeelden hiervan zijn onder meer Merkem, Werken, Viane, Beveren-Waas, Londerzeel en Diest. In Londerzeel kon daarenboven worden aangetoond dat voor de verdere ophoging grond van buiten de beekvallei werd aangevoerd. 30 Net zoals in Veurne werd in Londerzeel de basis van het lichaam ondersteund door balken en planken. Deze zullen tevens de toegankelijkheid van het terrein tijdens de ophoging vergemakkelijkt hebben. Om stabiliteitsproblemen te voorkomen, werden in Gistel en in Zoutleeuw kleipakketten tegen de hellingen opgestapeld. Bij deze constructiemethode kan een variant onderscheiden worden. Het valt immers op dat voor de aanleg van een aantal mottes gebruik werd gemaakt van een bestaande verhevenheid. Dit is onder meer het geval in Loker, waar een verhoging in de beekvallei, die tijdens de Romeinse periode gebruikt werd als grafheuvel, diende als basis voor de motteheuvel.
Een laatste methode bestond erin een toren in te motten, zoals het Gravensteen in Gent en de Warandeheuvel in Diest, de Borgh van Brustem of de motte van Kolmont. Men lijkt te kunnen stellen dat dit procedé werd gereserveerd voor torens in natuursteen. Vandaar wellicht de ondervertegenwoordiging van deze werkwijze in het ‘steen-arme’ Vlaanderen.
Wat de constructies op het opperhof betreft, laten de beschikbare opgravingsdata toe enkele vaststellingen te doen. 31 In grondplan werden zowel vierkante, rechthoekige als polygonale gebouwen aangetroffen. Men is geneigd om de vierkante en polygonale gebouwen te identificeren als torenvormig, terwijl de rechthoekige gebouwen veeleer zaalvormig zijn.
De gebouwplattegronden variëren erg qua afmetingen, gaande van kleine constructies zoals te Loker (bakstenen toren van 3,5 op 4 meter) tot grote constructies zoals in Veurne (10 op 8 meter), Gent-Gravensteen, Kolmont en Brustem.
Het materiaal dat werd gebruikt voor de constructie van de gebouwen was in sterke mate afhankelijk van de beschikbaarheid van de grondstoffen. In landstreken waar natuursteen schaars was, werd vnl. gebruik gemaakt van hout, vakwerk en (vanaf de 12de eeuw) baksteen (bv. Ertvelde, Veurne, Beveren-Waas) of een combinatie van deze drie. In sommige gevallen (waaronder Bever, Beveren-Waas, Viane, …) kon een overgang van hout- naar steenbouw worden aangetoond, wat aansluit bij de algemene ontwikkeling van de bouwtechniek in Vlaanderen.
Wanneer natuursteen voorhanden was, werd die op grote schaal aangewend. Voor Oost- en West-Vlaanderen beperkt zich dit voor zover bekend tot de sites die met rivieren verbonden waren, zoals de mottes van Spiere, Gent-Gravensteen of Denderleeuw. In het oosten van Vlaanderen was een constructie in natuursteen gemeengoed. In Brustem werd tijdens de opgravingen vastgesteld dat in de oudste fasen de onderbouw van de toren werd opgetrokken uit natuursteen, maar dat de bovenbouw in vakwerk werd gebouwd.
Informatie over palissades blijft beperkt. De onderzochte mottelichamen ondervonden maar al te vaak grote schade doorheen de tijd, zodat deze structuren vaak ontbreken. Toch werden bij de mottes van Grimbergen, Viane, Beveren-Waas en Veurne nog sporen van een palissade aangetroffen. Het ging hierbij zowel om paalsporen in een standgreppel als om stenen funderingen. In Kolmont is er sprake van een stenen omheiningsmuur.
Opgravingen op het neerhof zijn zeldzaam, waardoor dit element van het mottekasteel hoogst onderbelicht blijft (Diest, Beveren-Waas). 32 Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat het neerhof in vele gevallen na de opgave van de motte in gebruik bleef als landbouwbedrijf of als de plaats waar later de dorpskerk werd opgericht. Opvallend is dat in heel wat gevallen deze functie zelfs tot vandaag aanwezig is.
Op basis van de actuele kennis kan geen vast patroon worden herkend in de organisatie van het neerhof en lijkt dit veeleer een functionele groepering van een aantal gebouwen te zijn, in combinatie met palissades, bruggen en een poortgebouw.
Op het neerhof bevond zich vaak de zgn. castrale kapel, die in sommige gevallen uitgroeide tot parochiekerk.
De aanwezigheid van een meestal complex grachtenstelsel is kenmerkend voor mottekastelen. Het opperhof was steeds omgeven door een vaak erg brede ringgracht. Bijzonder typerend is dat ook het neerhof omgracht was en dat deze gracht aansloot op het opperhof, zodat beide een soort 8 vormden. Het kwam echter ook voor dat het neerhof niet afzonderlijk omgracht was, maar dat er enkel een omgevende walgracht was die het neerhof en het opperhof samen omvatte.
Dit geheel van opper- en neerhof werd op zijn beurt vaak omgeven door een bijkomende gracht. Doorgaans was de gracht rond het opperhof de breedste en meest imposante, met een breedte van 20 tot 30 meter. De buitenste omgevende gracht was meestal bescheidener.
Er zijn enkele voorbeelden gekend van aarden wallen die werden aangelegd in combinatie met het grachtenstelsel. Wellicht een van de mooiste Vlaamse voorbeelden is de Vrouwenhille in Werken (gem. Kortemark, West-Vlaanderen), waar aan de buitenzijde van de gracht rond het opperhof een aarden wal werd aangelegd van een tweetal meter hoog. 33 Ook in Kolmont is er sprake van een aarden buitenwal.
De introductie van het mottekasteel in Vlaanderen kan worden gesitueerd vanaf ongeveer 1050. De opkomst van dit type versterking hangt nauw samen met het ontstaan en de wijde verspreiding van de feodaliteit en van de hieraan gekoppelde behoefte om de vaak nieuw verworven status te etaleren en macht ten toon te spreiden.
Algemeen wordt aangenomen dat de eerste initiatieven tot de bouw van mottekastelen werden genomen door de hogere adel. 34 Zowel in het Graafschap Vlaanderen als in het Hertogdom Brabant en de omliggende gebieden, situeren de eerste mottekastelen zich vooral in de hoofdplaatsen van de kasselrijen, in de heerlijkheden van belangrijke adellijke geslachten en langsheen belangrijke territoriale grenzen.
Het voorbeeld van de hoge adel wordt snel overgenomen door de lagere adel, die eveneens de strategische voordelen van een mottekasteel inziet. In de loop van de 12de en de 13de eeuw worden bijna overal in Vlaanderen op grote schaal mottekastelen gebouwd, die fungeren als hoofdplaats van een lokale heerlijkheid. Dit leidt echter al gauw tot een soort devaluatie van de morfologie: terwijl de oudste mottekastelen in regel grote en massieve aarden versterkingen waren, kan worden vastgesteld dat de mottekastelen die op het einde van de bloeiperiode door de lagere adel en in het landelijk gebied werden gebouwd, vaak slechts nabootsingen zijn met veeleer lichte aanaardingen.
Uiteindelijk mondt deze tendens uit in het ontstaan van de site met walgracht of ‘moated site’, die op grote schaal werd gebouwd vanaf de late middeleeuwen en niet meer uitsluitend voorbehouden was voor de adel. Ook vrije boeren of welgestelde burgers bouwden op grote schaal omgrachte woningen en boerderijen, die vaak licht opgehoogd werden. 35 36