Het sleutelmoment voor de archeologie van WO I in Vlaanderen situeert zich op 6 februari 2002. Die dag vraagt minister Paul Van Grembergen aan het toenmalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) om ‘prospectie met ingreep in de bodem’ uit te voeren op het voorgestelde verlengingstraject van de A19 doorheen de slagvelden en frontlijnen ten noordoosten van Ieper.
Vóór die datum werd oorlogserfgoed enkel ad hoc, als het opdook bij enig veldwerk, onderzocht door de beroepsarcheologen en eigenlijk vooral door amateurarcheologen ‘geëxploreerd’. Na die datum groeide dit erfgoed uit tot een regulier onderzoeksitem voor de officiële archeologische diensten. Sindsdien zijn er heel wat resultaten geboekt.
Als bij archeologisch onderzoek vóór 2002 sporen van WO I te voorschijn kwamen, werden die volop geregistreerd, al was het maar om te kunnen bewijzen dat de ‘echte’ sporen waren verstoord door de impact van de ‘Groote Oorlog.’
Bij het onderzoek van de Augustijnenabdij van Zonnebeke (1072-1789) stootte men op een trappenconstructie, één van de toegangen tot een ‘deep dug-out.’1 De constructie zat 5m onder de grond en had eigenlijk drie toegangen. Op een langwerpige gang van 30m lang en 2m breed met slaapplaatsen sloten vier kamers aan. A. Deseyne vlooide allerlei archiefmateriaal na en kon de aanleg door een Australische ‘Tunneling Company’ eind 1917 plaatsen. 2
De Hoge Mote in Merkem is een ander voorbeeld. Het is evident dat deze hoogte werd uitgekozen om een stelling uit te bouwen. De sporen van een eventueel donjon zijn dan ook moeilijk te herkennen. 3
Ook op het plateau van de Galooiemotte in Loker waren vroeger al WO I-sporen gevonden, i.c. de resten van een mitrailleurspost. 4 5
Het archeologisch onderzoek van de Kemmelberg liet een nog donkerder zijde van de medaille zien. De oostzijde van de heuvel is zodanig beschoten dat archeologisch onderzoek er totaal geen optie meer is. 6
In 1998 voerde het IAP noodonderzoek uit bij infrastructuurwerken 7 n.a.v. de uitbreiding van de industriezone ten zuiden van Ieper. Daarbij werd o.a. een loopgraaf aangesneden (Yorkshire Trench), waarop twee toegangstrappen tot een deep dug-out aansloten. Na het vrijmaken kon de opmeting ervan beginnen. Het grondplan was T-vormig (armen van 23,37 en 27,6m). Zeven kamers gaven uit op de gangen en zorgden voor een surplus aan ruimte. De archeologen werden ook voor het eerst geconfronteerd met de resten van gesneuvelden. In een obusput waren namelijk twee Fransen op twee Duitsers gevallen. Bij één van de skeletten hoorde een plaatje, ingekrast met de naam van de gesneuvelde: François Metzinger. Een Franse zoeaaf, aangeworven in Constantine (Algerije), maar afkomstig uit de Elzas. Zijn resten zijn daarna bijgezet in Saint Charles de Potyze, de Franse begraafplaats oostelijk van Ieper.
Op vraag van de stad Ieper 8 werden de archeologische tussenkomsten ook in 1999 verder gezet. Hierbij werden een dertigtal menselijke skeletten zorgvuldig vrij gelegd en overgedragen aan de lokale politie.
In 1983 kwam in een kleiput van de steenbakkerij Van Biervliet in Zonnebeke ‘Bremen Redoubt’ aan het licht. Deze ondergrondse slaapplaats was daarna toegankelijk voor het grote publiek, tot hij o.a. door schimmelvorming op instorten stond. Omdat het er naar uit zag dat de deep dug-out geen lang leven meer was beschoren, deed de gemeente een beroep op het IAP om de structuur grondig op te meten en fotografisch te documenteren.9
Ook de voorste Belgische frontlijn raakte beschadigd. Zo werden in 2000 systematisch de resten van schuilplaatsen 10 doorsneden door het trekken van een gracht. Het IAP kon enkel achteraf registreren. Weliswaar werden de plannen naderhand aangepast om verdere verstoringen te vermijden.
Recent heeft het VIOE op de frontzate consolidaties en een reconstructie laten uitvoeren i.s.m. de Vlaamse Landmaatschappij.
Op andere plekken is de verstoring dan weer te verwaarlozen en is een obus al eens per ongeluk net op de hoek (van het grondplan) van een middeleeuws huis terechtgekomen. 11
De amateurarcheologen gingen fanatieker te werk, vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw. Verschillende kringen gooiden zich in een voortdurend wisselende bezetting op de exploratie van het WO I-erfgoed.
Zo maakte P. Van Wanzeele maakte zijn eerste putje in 1991. Samen met met J. Vandewalle lag hij aan de basis van een vereniging, die zich na verloop van tijd de ‘Diggers’ noemde. De avonturen van de Diggers 12 konden deels worden gevolgd in het tijdschrift ‘Historia Flandrensis’. De berichtgeving is nogal anekdotisch en onevenwichtig. Het mangelt ook aan exacte locatiegegevens, historische duiding en een methodische aanpak.
De meest in het oog springende activiteit was de verkenning van deep dug-outs. Zo kwamen Yorkshire dug-out, 13 South Lane dug-out, Hell Fire Corner, 14 White Horse Cellar dug-out,15 Ravine Wood dug-out,16Oak Farm dug-out, 17 een schacht, 18 German MG dug-out, 19 Potsdam Redoubt dug-out, 20 Martha House, 21 Mount Sorrel, Petit Bois – Vandamme Farm, 22 Lancashire Farm dug-out 23 en Gordon House dug-out 24 aan de beurt. In een aantal gevallen werd beroep gedaan op het IAP om de opmeting ervan uit te voeren, waardoor er uiteindelijk toch enige documentatie is bewaard. 25
De Diggers onderzochten in 1995 ook een Duitse betonnen schuilplaats uit 1917 in Zonnebeke, ingegraven in de oude spoorlijn Ieper - Roeselare. Daarbij vonden ze zes Duitse soldaten, omgekomen bij een bombardement op hun stelling in de loop van de 3de slag van Ieper. De stelling was 15m lang en kon via drie trappen worden bereikt.
Daarna verlegden ze hun actieterrein naar de Ieperse industriezone die in volle ontwikkeling was, groeven Britse en Duitse linies op (loopgraven, schuilplaatsen, …) en borgen menselijke resten van Duitse, Britse en Franse afkomst. Tot op heden zijn dat er meer dan honderdvijftig. In 2002 reconstrueerden zij ook het stuk van de ‘Yorkshire Trench,’ dat gelinkt was aan de toegangen tot de deep dug-out.
Een andere vereniging die zich vanaf 1999 begon te manifesteren, was de Association for Battlefield Archaeology in Flanders (ABAF). 26 Aanvankelijk gebeurde dit onder impuls van voorzitter Johan Vandewalle, later van Franky Bostyn, nu conservator van het Memorial Museum Passendaele 1917.
Op hun actief staan o.a. het onderzoek en de recuperatie van Beecham dug-out in Passendale, en het onderzoek van een mijnschacht in combinatie met de reconstructie van Duitse loopgraven. 27
In het Croonaertbos werd het tracé van de loopgraven via proefsleuven opnieuw bepaald en gereconstrueerd in relatie met de aanwezige betonnen bunkers en afluisterschachten. Een schacht werd tot op 17m diepte verkend.28
In september 2006 werden bij wegenwerken in Zonnebeke ook nog de resten van vijf Australische soldaten ontdekt. Via DNA-onderzoek zijn er inmiddels drie geïdentificeerd. Ook het Australian War Memorial o.l.v. Roger Lee publiceerde dit verhaal.29
ABAF deed ook onderzoek op de oude spoorweg Ieper-Roeselare tussen Zonnebeke en het ‘Tyne Cot Cemetery’. Naast enkele structuren kwamen daarbij ook de resten van een Britse officier aan het licht.
In 2000 ontstond Association for Battlefield Archaeology and Conservation (A.B.A.C.) een afsplitsing van ABAF. Ze kwamen herhaaldelijk in het nieuws n.a.v. het dispuut over de aanwezigheid van Britse onderaardse gangen in Nieuwpoort. Hun belangrijkste realisatie tot dusver is de lokalisatie en de verkenning in 2008 van Vampir dug-out, een dug-out die werd bedreigd door de uitbreiding van kleiwinning in Zonnebeke . Ze lieten zich bijstaan door Tony Pollard 30 een autoriteit op het vlak van slagveldarcheologie.
Daarnaast waren er ook nog enkele individuele amateurs actief, die we onder de verzamelaars van militaria kunnen catalogeren en waarvan de vondsten een goed bewaard geheim blijven.
2002 betekende voor de officiële Vlaamse archeologie dus het aanknopen met systematisch onderzoek van het bodemarchief van de Eerste Wereldoorlog.
In Frankrijk was dit genre onderzoek al vroeger opgestart.31
Bij preventief archeologisch onderzoek in 1988-1989 naar aanleiding van de aanleg van de TGV Nord 32kwam het tot een eerste kennismaking. Nabij Croisilles (Pas-de-Calais) kon een uitgebreid netwerk van Engelse en Duitse loopgraven worden blootgelegd. In Rœux waren de resten minder indrukwekkend. Er was kort maar hevig gevochten en de aangelegde structuren waren niet substantieel uitgebouwd. Daar werden evenwel de eerste menselijke resten aangetroffen samen met een enorme hoeveelheid munitie en andere voorwerpen. De onderzoekers waren nog niet vertrouwd met dit soort materiaal en hadden eigenlijk ook geen tijd om de studie grondig uit te voeren.
Allerlei externe druk leidde ook tot een niet-preventieve ingreep. In november 1991 onderzocht men in Saint-Rémy-la-Calonne het massagraf, waarin Alain-Fournier 33 was begraven. 34 Ook al was de vraagstelling archeologisch niet uitgewerkt, toch had dit onderzoek de verdienste dat er voor het eerst werd nagedacht over het opnemen van WO I-erfgoed in het archeologisch onderzoekspakket.
De aanleg van de A29, Amiens─Saint-Quentin, noopte het Institut national de recherches archeologiques préventives (Inrap) van 1997 tot 1999 opnieuw tot preventief archeologisch onderzoek. Nu werd in beperkte mate wel rekening gehouden met het WO I-erfgoed en kwam de slag aan de Somme in beeld. Men beperkte zich tot de systematische registratie van de WO I-sporen en de respectvolle berging van de menselijke resten, waarbij zeker ook oog was voor de manier waarop de gesneuvelde was ‘begraven.’ De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat het systematisch uitgraven van de loopgraven geen bijkomende informatie opleverde. De vergelijking van de luchtfotografische met de geregistreerde informatie liet wel bepaalde conclusies toe.
De inplanting van een industrieterrein ten noordoosten van Arras noodzaakte van 2000 tot 2002 eveneens archeologisch onderzoek. Ditmaal werd een terrein van 300ha (waarvan 60ha onderzocht werd) gescreend. Een terrein dat o.a. een belangrijke plaats van actie was bij de slag van Arras in 1917.
Opnieuw werd dezelfde aanpak gevolgd. Toch werd één stuk loopgraaf over 20m volledig uitgegraven omdat in de vulling afval van de productie van ‘trench art’ bleek te zitten. Eenendertig Britse lichamen werden geborgen, waaronder lichamen uit een massagraf met twintig soldaten van het 10de Lincolnshire Regiment. Deze soldaten waren bijna allemaal afkomstig uit hetzelfde dorp en stonden als de ‘Grimsby Chums’ bekend.
In deze periode werd duidelijk dat WO I-archeologie onvermijdelijk moest opgenomen worden in het onderzoeksprogramma. Telkens grondverzet in de frontzone wordt aangekondigd, komt WO I-archeologie nu ook aan bod.
Een vondst die veel weerklank kreeg, was die van een Britse tank in Flesquières. Een tank (Mark IV – 8m lang, 4m breed en 2,8m hoog) die uitgeschakeld was geraakt in de slag van Cambrai 35 en in 1998 werd vrij gelegd. Het vooronderzoek alleen al leest als een detectiveroman. 36
In 2006 gaan Amerikaanse onderzoekers in Châtel-Chéhéry, in het bos van Argonne, op zoek naar de plaats waar de beroemde sergeant York tientallen Duitsers gevangen nam.
Het hoeft niet te verwonderen dat ook Engelse onderzoekers zich op Franse bodem waagden. In 1997 voerde een kleine groep 37 een opgraving uit in Auchonvillers. Het ‘Trench Team’ onderzocht er in het ‘Ocean Villas Project’38 een verbindingsloopgraaf uit 1915.
De groep breidde uit, werd tot ‘No Man’s Land Team’ omgedoopt en voerde kleine opgravingen uit in Serre en Thiepval Wood. In Serre stootten ze op een Brits en twee Duitse skeletten. Na een intensieve zoektocht en veel deductief werk konden ze een Duitser identificeren als Jacob Hönes, gesneuveld in juni 1915.
Vanaf 2005 waren ze ook in Vlaanderen actief en participeerden ze aan enkele VIOE-projecten. Dat was het geval in Bikschote en Sint-Jan (2005) en Geluveld (2008). In 2007 en 2008 betraden ze ook Waalse bodem en zetten een opgravingsproject op in Ploegsteert. 39 40 41
Dat de Engelsen hier behoorlijk ver in gaan, blijkt uit het feit dat ze zelfs de oefenloopgraven in de Salisbury Plains en in Otterburn (Northumberland) archeologisch hebben onderzocht. Het Defences Estates Environmental Support Team wilde wel eens weten of de loopgraven, die in een oorlogssituatie ontstaan, echt volgens het boekje worden aangelegd. 42 43
Ook na februari 2002 gingen de amateurarcheologen er in Vlaanderen vlijtig mee door. Maar door de opdracht van minister Paul Van Grembergen moest het IAP nu ook zelf archeologisch onderzoek van WO I-sporen aanpakken. De opdracht was een gedetailleerde archeologische evaluatie uit te voeren op het terrein van de geplande verlenging van de A19. Ook vroeg hij ook de aanstelling van een internationale commissie van experten, die een rapport moesten opstellen over de betekenis van de regio gedurende de Eerste Wereldoorlog.
Vooraleer veldwerk aan de orde was, leken een grondig vooronderzoek en een kennisname met de eigenlijke materie een goed startpunt. Publicaties van de buitenlandse collega’s doornemen, loopgravenkaarten en luchtfoto’s opsporen en analyseren, regimentsboeken lezen, veldprospectie uitvoeren, praten met eigenaars en/of pachters, … er werd niets aan het toeval overgelaten.
Uiteindelijk sprongen er op de 7km lange strook tussen Wieltje (Sint-Jan, Ieper) en Steenstraete (Bikschote, Langemark-Poelkapelle) negen te onderzoeken locaties uit.
In het najaar van 2002 en het voorjaar van 2003 werden twee van deze locaties - ‘Turco Farm’ en ‘High Command Redoubt’ - met proefsleuven verkend. In 2003 waren ‘Cross Roads’ en ‘Canadian Dug-outs’ aan de beurt. Hier was een vlakgraving mogelijk. ‘Battle of Bikschote’ en ‘Forward Cottage’ konden in 2005 met proefvlakken aangepakt worden.
De proefsleuven op Turco leverden aanwijzingen op voor loopgraven (greppels met loopplanken of ‘duckboards’), schuilplaatsen of ‘shelters’ en geschutsposten, die aan de situatie in 1915 konden worden gelinkt. Ook werden de skeletten van een Britse en een Franse soldaat geborgen. Uiteraard waren er mobiele vondsten bij de vleet, zoals munitie, uitrustingsstukken, bevoorradingsmateriaal, … In twee proefsleuven ter hoogte van ‘High Command Redoubt’ vonden we zeer goed bewaarde resten van Duitse stellingen. Door het overvloedige gebruik van solide constructiehout zijn loopgraven, onderstanden, enz. veel substantiëler bewaard. Grote betonconcentraties wijzen op de gecombineerde aanwezigheid van bunkers. 44
Op ‘Cross Roads’ konden grootschalige opgravingen worden uitgevoerd. Een vlak van 125 op 45m kon daarbij worden onderzocht. Opnieuw kwamen tal van loopgraven aan het licht, samen met shelters, munitiedepots en geschutsstellingen. Waar de frontlijn zich tussen 1915 en 1917 stabiliseerde, merken we een duidelijke evolutie in de bouw van de loopgraven. Allerlei oversnijdingen wijzen op wisselende oorlogskansen en veranderende gevechtslinies. Rechtlijnige, ondiepe loopgraven evolueren tot een zigzag systeem met communicatieloopgraven, die shelters, depots en geschutsposten verbinden. Ook de opbouw wijzigt door de introductie van nieuwe onderdelen zoals de ‘A-frames’, metalen platen,45 kippengaas46 en zandzakjes. 47 48
‘Canadian Dug-outs’ leverde geen betekenisvolle sporen op. Er is evenwel gebleken dat de structuren in mei 1917 door de Britten zelf zijn opgeblazen.
Op de ‘Battle of Bikschote’ site werd het prille begin van de oorlog gedocumenteerd. Er kwamen haastig gegraven mangaten, die naderhand werden verbonden en tot een primitieve loopgraaf werden uitgebouwd. Bij het onderzoek doken uitrustingsstukken en de botten van drie Duitse soldaten op.
‘Forward Cottage’ bood de logische voortzetting van het ‘Cross Roadsverhaal.’ Hier vonden we drie types loopgraaf, die elkaar oversneden. De vergelijking van de opgravingsresultaten met de geofysische (magnetometrische) scan toont aan dat dit niet-destructief onderzoek ruime mogelijkheden biedt. 49 Dit onderzoek werd ook druk becommentarieerd in de geschreven pers. De ene bijdrage is sterker of heeft meer diepgang dan de andere.50 51
Een exhaustieve publicatie van de archeologische resultaten van het A19 project is in de maak en zou in 2012 moeten kunnen gepubliceerd worden. Dat zal dan de eerste lijvige publicatie in Vlaanderen zijn over WO I-archeologie.
Ondertussen zijn ook al twee scripties afgeleverd door studenten aan de UGent, waarbij materiaal uit Forward Cottage 52 en Caesar’s Nose 53 werd bestudeerd.
Daarnaast kon in het kader van de volgende uitbreiding van de industriezone van Ieper in november 2005 (Caesar’s Nose) een klein onderzoek worden ingelast, dat eveneens duidelijke resultaten opleverde en heldere interpretaties mogelijk maakte. Het veldwerk op Caesar’s Nose bracht zowel Duitse als Britse stellingen aan het licht. De Britse stellingen bleken diep ingegraven, terwijl de Duitse eerder minimaal en meer bovengronds waren uitgebouwd. Het aantreffen van de skeletten van drie Fransen behorend tot de Infanterie Coloniale, is meteen de meest zuidelijke vondst van Franse soldaten.54
In april 2008 kon op een totaal andere frontzone gefocust worden, namelijk op een zone in Geluveld. Hier werd hevig gevochten en de linies verschoven voortdurend. Een gedeelte van een toekomstige waterleiding tussen Menen en Ieper snijdt er de frontlijnen en zal uiteraard verstoring betekenen van onbekend ‘Groote’ oorlogserfgoed. 55
Het onderzochte terrein in Geluveld liet ons een ander fenomeen kennen. Namelijk het diepgronden of het grondig opruimen van de velden om ze enerzijds bommenvrij te maken en anderzijds om oud metaal (koper, …) te kunnen recupereren en te verkopen. Zo blijft enkel de onderkant van de diepste uitgravingen bewaard. Desalniettemin werd een aantal interessante vaststellingen gedaan. De onderkant van een loopgraaf was met planken beschoeid. Een andere, dubbel geknikte Duitse loopgraaf met een shelter was fel gebombardeerd. Twee geallieerde loopgraven, bekleed met XPM en versterkt met zandzakken, bevatten enkele opmerkelijke vondsten zoals een zakdoek en een seinbord. Het voorkomen van Duitse, Franse en Britse munitie geeft aan dat dit terrein hard is bevochten. 56Ook het geofysisch onderzoek, uitgevoerd door de Universiteit Gent 57 leverde ondanks het diepgronden, toch nog behoorlijke resultaten op. Naderhand werden ook nog eens 40 putten gegraven om aan de resultaten van het geofysisch onderzoek de terreintoets te geven.58
De archeologische aandacht die werd geschonken aan dit erfgoed, lokte tal van vragen uit naar onderzoek van bij graafwerken vrijgekomen structuren of naar registratie van tot afbraak gedoemde constructies.
In het hartje van de stad Mesen kwam een Duitse verbindingsloopgraaf aan het licht, waar twee schuilplaatsen op aansloten. In Oost-Vleteren werd een Belgische bunker ingetekend, die door de verkaveling van het terrein zou verdwijnen. Ook de loopgraven rond de bunker werden verkend. 59
De uitbreidingszone van het Ieperse industrieterrein in Boezinge (Ieper III) werd met proefsleuven verkend en vormde de aanleiding om in het najaar van 2004 een vlakgraving uit te voeren op de Duitse linies. Zo kon een Duitse verbindingsloopgraaf onderzocht worden, zoals die functioneerde tussen de 2de en de 3de Slag van Ieper. Achter een brede, diepe beek lag een loopgravennetwerk, waarop verschillende houten schuilplaatsen aansloten. Sommigen waren extra beschermd, door muurtjes opgetrokken met betonblokken. Naderhand werden ook allerlei WO I-resten in de proefsleuven onderzocht. Na de start van het Brits offensief van 31 juli 1917 werd deze zone Brits hinterland. Sporen van kampementen en van het smalspoorwegstation Huddleston wezen hierop. 60
Een ander onderzoek moest in 200961 informatie leveren over de bewaringstoestand van het WO I-erfgoed in de volgende uitbreidingszone van het Ieperse industrieterrein. Het archeologisch veldwerk gebeurde in combinatie met historisch en geofysisch onderzoek. Bedoeling was knelpunten verder te bekijken en hypotheses in te schatten. Heel wat indicaties uit de luchtfoto’s werden hierdoor bevestigd.
Er kwamen een imposante verbindingsloopgraaf te voorschijn, een vermoedelijke geschutsopstelling en ook ondiepe loopgraven, die aan de Franse tegenaanvallen na de gasaanval van 22 april 1915 kunnen worden gekoppeld. Verder vond men loopgraven die langere tijd waren bemand. Ook bleek de 2de Britse linie uitgebouwd met A-frames. Dewilde:2009ae Omwille van de uitstekende bewaring van de archeologische resten werd besloten de uitbreiding van de industriezone sterk te beperken en de Kleine Poezelstraat als afgrenzing te nemen.
Het vooronderzoek bij al de genoemde projecten bevatte telkens een goed doorwrocht inventarisatieluik. De inventarisatie van WO I-erfgoed was evenwel al vroeger begonnen en ook anderen hebben zich verdienstelijk gemaakt.
In het kader van de uitbouw van de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) werd al in 2001 de vraag gesteld 62of het WO I-erfgoed moest worden opgenomen. De ‘Hollandstellung’ 63kwam hierdoor aan bod.64
De archeologische inventarisatie van de gemeente Houthust 65 werd een CAI pilootproject. 1114 vindplaatsen waren WO I-gerelateerd, 104 dateren uit andere periodes. 66 Uiteraard is aan het A19-project ook druk inventarisatiewerk voorafgegaan, in functie van de keuze van de op te graven sites. De ervaring had dan al geleerd dat luchtfoto’s de beste informatie opleverden. Deze inspanning werd nog even doorgetrokken i.s.m. het ‘In Flanders Fields Museum’, ter voorbereiding van de tentoonstelling ‘De laatste getuige. Het landschap van Wereldoorlog I in Vlaanderen’. 67 Het werk is evenwel bijlange niet af.
Deze inventaris sluit perfect aan bij de doctorale studie, die B. Stichelbaut uitvoerde aan de U.Gent en die de Belgische sector 68 als onderzoeksterrein had. Ook hij werkt op basis van luchtfoto’s. 69 70
Onlangs werd een ander belangrijk inventarisatieproject afgesloten. De provincie West-Vlaanderen en de Vlaamse Gemeenschap sloegen de handen in elkaar voor de ‘Inventarisatie relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek’. 1437 (zichtbare) relicten werden daarbij geïnventariseerd. 71
Daarnaast moet ook het inventariswerk van de Simon Stevinstichting vermeld worden, waarin heel Vlaanderen bestreken wordt.
In het Gentse is Georges Antheunis van de Dienst Stadsarcheologie actief.72
Het groeiend besef dat WO I-sporen evengoed archeologisch waardevol zijn, leidde ertoe dat deze sporen aandacht kregen in bijna alle opgravingen die vanaf 2005 in de ruime Westhoek werden uitgevoerd.
Grootscheeps onderzoek 73 langs de Kortewaagstraat, waar het bedrijventerrein Menen-Oost wordt uitgebreid, leverde ook ‘Groote’ oorlogssporen op. Een aantal loopgraven maakte deel uit van de achterste Duitse linie. 74
In het kader van dringende instandhoudingswerken werd in april 2009 archeologisch onderzoek uitgevoerd in de Vredesmolen van Klerken, die door de Duitsers als observatiepost werd benut. Daarbij zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een onderaardse gang, een verbindings- en vluchtweg voor de Duitse soldaten. 75
Het terrein aan de Vierkoningenstraat in Mesen 76 heeft zeer zwaar onder vuur gelegen, getuige de vele bomkraters en niet ontplofte - vooral Britse - projectielen die hier werden aangetroffen. 77
Ook bij grootscheeps archeologisch onderzoek aan de Virovioslaan in Wervik van januari tot september 2009 dook WO I op. Verspreide bomkraters, aanwijzingen voor tramsporen, allerlei munitie o.a. een houten kist met onafgeschoten granaten en andere uitrustingsstukken kwamen aan het licht.
Toen in september-oktober 2009 aan de Kriekstraat in Reningelst archeologisch onderzoek plaats vond nadat IJzertijdsporen waren aangetroffen bij het vooronderzoek, trad de ‘Groote’ oorlog opnieuw op de voorgrond. Luchtfoto’s en loopgravenkaarten gaven de inplanting van een Brits kampement aan, dat op het terrein vooral via afval werd herkend. Obusinslagen waren als dump gebuikt, ook nà de oorlog. Daarnaast waren kuilen gegraven waarin o.a. paardenresten lagen. Enkele vertoonden een kogelgat in de schedel. 78
Ook in Langemark constateerde men bij proefsleuvenonderzoek begin 2010 aan de Zonnebekestraat dat het terrein onder zwaar vuur had gelegen. In een bomkrater zijn menselijke resten gevonden. 79 In de vulling van andere bomkraters of later gegraven kuilen is ook ander oorlogsmateriaal aangetroffen.
Bij onderzoek, voorafgaand aan de inplanting van een golfterrein in Oostduinkerke, kwamen eind 2009 en 2010 aanwijzingen aan de oppervlakte voor de toevoerlijnen naar het Belgisch front. 80
Verrassend kwam ook Oost-Vlaanderen aansluiten door vondsten achter het Schipdonkkanaal, waar de Duitsers in 1918 in het vooruitzicht van een geallieerd offensief een linie uitbouwden.
In Merendree (Molenkouterslag) stootte men op een kuil met gasgranaten, een mogelijke geschutsstelling en een loopgraaf. 81 82
Eenzelfde verhaal in Vosselare, alwaar in 2010 bij onderzoek aan de Hoogstraat Duitse loopgraven met allerlei aanpalende structuren tevoorschijn kwamen.
In april 2009 werd in Lier aan de Hulststraat munitie gevonden, die aan de ‘Groote’oorlog kon worden gelinkt en aan het fort van Lier, dat deel uitmaakte van de tweede versterkingsgordel rond Antwerpen.
Hoe moet het verder met de WO I archeologie?
Een intensieve inventarisatie van de archeologische sporen is een dwingende noodzaak. Zonder een gedetailleerde inventaris zijn de volgende onderzoeks- of andere stappen nu eenmaal onvoldoende gefundeerd. Als voorbeeld kan de inventarisatie van Houthulst genomen worden. 83 Er wordt ook uitgekeken naar de resultaten van het Zonnebekeproject. Uiteraard is de volledige frontzone hier nog niet mee gedekt.
Bij deze inventarisatie kunnen luchtfoto’s en loopgravenkaarten benut worden. De combinatie met geofysisch onderzoek is een aantrekkelijke bijkomende mogelijkheid.
De ondervinding heeft immers geleerd dat de sporen ongelijkmatig zijn bewaard. De bewaringstoestand kunnen screenen, is dan ook primordiaal. Moet dit via boringen, proefsleuven, … of kan geofysisch onderzoek de redding betekenen? Kunnen we m.a.w. een diepgrondkaart van het WO I-front afleveren?
De methodologie van het archeologisch ingrijpen dient verfijnd. Zo is bv. gebleken dat ook in de bovenlaag resten kunnen bewaard zijn!
Uiteraard zal ook de materiaalkennis moeten worden bijgespijkerd. Uit al het gevonden schroot de significante en diagnostische stukken halen, is geen gemakkelijke opdracht. Ervaring en kennis opdoen blijft de sleutel.